RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1], V-nummer: [v-nummer], eiseres,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.46660
(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),
en
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag om eiseres haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te wijzigen. Eiseres had een vergunning onder de beperking 'humanitair tijdelijk' en zij wil deze beperking laten wijzigen in 'humanitair niet-tijdelijk'. De minister heeft dit geweigerd en, na verschillende procedures, het bezwaarschrift van eiseres tegen deze weigering ongegrond verklaard. Eiseres is het hier niet mee eens en zij voert een aantal beroepsgronden aan. Mede de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de wijziging van de beperking van de verblijfsvergunning regulier.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Deze procedure over de reguliere verblijfsvergunning
2. Op 24 juli 2018 is eiseres hevig overstuur een politiebureau in Tilburg naar binnen gerend. Kort samengevat is vervolgens door haar verklaard dat zij en haar partner naar Europa kwamen om te gaan werken (zij in de huishouding en haar partner in de tuin), dat zij en haar partner op een parkeerplaats van elkaar zijn gescheiden en dat zij toen is gedwongen vier maanden als prostituee te werken. Verder is verklaard dat zij is gevlucht, dat zij op de parkeerplaats auto’s heeft gezien met witte nummerplaten met zwarte letters en dat er een D opstond met sterren er omheen.
Eiseres heeft op 6 september 2018 aangifte gedaan van mensenhandel. Eiseres heeft, samengevat, naar voren gebracht dat haar partner op 10 september 2017 in Rusland is neergeschoten, dat zij beiden op 19 september 2017 naar Armenië zijn gevlucht en dat zij - om uitlevering aan Rusland te voorkomen - op 6 maart 2018 naar Wit-Rusland zijn gereisd. Eiseres heeft vervolgens naar voren gebracht dat zij en haar partner door een persoon genaamd André op 11 maart 2018 vanuit Brest (bij de grens met Polen) Europa zijn ingereisd, dat zij toen is overgedragen aan een vrouw ([naam 2] alias [naam 3]), dat zij tewerk is gesteld in een bordeel en dat zij op 23 juli 2018 heeft weten te ontsnappen. Eiseres stelt na haar ontsnapping met een vrachtwagenchauffeur naar Nederland te zijn meegereden.
Naar aanleiding van de aangifte is op 29 oktober 2018 een verblijfsvergunning verleend onder de beperking tijdelijke humanitaire gronden.
Bij brief van 25 februari 2019 is door het Openbaar Ministerie bericht dat er geen vervolging wordt ingesteld omdat Nederland geen rechtsmacht heeft voor de gepleegde feiten. Verder is vermeld dat er navraag is gedaan bij de Duitse autoriteiten, maar dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn gevonden om het onderzoek over te dragen aan een ander land.
De minister heeft de verblijfsvergunning van eiseres vervolgens op 1 juli 2019 met terugwerkende kracht per 25 februari 2019 ingetrokken. Daarnaast heeft de minister de aanvraag tot wijziging van de beperking afgewezen, omdat eiseres niet in het bezit is van een geldig grensoverschrijdend document (het paspoortvereiste).
Bij besluit van 28 juli 2020 heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 28 mei 2021 is het hiertegen ingestelde beroep gegrond verklaard en is het besluit vernietigd. In deze uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister de verblijfsvergunning van eiseres met terugwerkende kracht heeft mogen intrekken, maar dat de afwijzing van de aanvraag tot wijziging van de beperking niet deugdelijk is gemotiveerd. Daartoe is overwogen dat het onverkort tegenwerpen van het paspoortvereiste, dan wel het van eiseres verlangen dat zij zich tot de Russische ambassade wendt, zonder de aannemelijkheid van het mensenhandelrelaas te beoordelen, niet evenredig is met het te dienen doel van het paspoortvereiste. Dit geldt temeer nu eiseres in haar aanvraag reeds andere originele documenten ter onderzoek heeft aangeboden. De minister kan niet zonder meer aan dit aanbod en een onderzoek van de originele documenten voorbijgaan, nu hij stelt dat de ratio en het belang van het paspoortvereiste primair identificatie is en subsidiair de eventuele verwijdering omvat.
Bij besluit van 19 april 2022 is het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. De minister heeft niet aannemelijk geacht dat eiseres slachtoffer van mensenhandel is geworden op de wijze zoals zij dat in haar relaas heeft omschreven. Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 10 januari 2023 is het hiertegen ingestelde beroep gegrond verklaard en is het besluit vernietigd. In deze uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat eiseres tijdens de hoorzitting over rechercheerbare elementen vaag, summier en niet concreet heeft verklaard. Er zijn hier tijdens de hoorzitting van 3 december 2021 namelijk geen vragen over gesteld. Ook heeft de rechtbank geoordeeld onvoldoende rechtvaardiging te zien voor de conclusie dat de ontsnapping niet aannemelijk is en dat de minister bij de beoordeling van de verklaringen niet kenbaar rekening heeft gehouden met de psychische klachten van eiseres - waaronder een posttraumatische stressstoornis. In deze procedure is, naar het oordeel van de rechtbank, geen beoordeling van het mensenhandelrelaas gemaakt die recht doet aan de uitspraak van de rechtbank van 28 mei 2021.
Bij besluit van 5 september 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres opnieuw ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
De minister heeft op 19 februari 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Andere procedures
3. De asielaanvraag van eiseres is op 1 augustus 2024 afgewezen. Het daartegen ingestelde beroep is op 11 juni 2025 ongegrond verklaard. De afwijzing van de asielaanvraag staat in rechte vast.
De minister heeft ambtshalve beoordeeld of artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) moet worden toegepast en op 6 maart 2025 besloten tot een afwijzing. Eiseres heeft bezwaar gemaakt. Op het bezwaar is nog niet beslist.
Beoordeling door de rechtbank
Mensenhandelrelaas
4. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in de eerdere, onder 2.5 en 2.6 genoemde, uitspraken kort samengevat overwogen dat het paspoortvereiste niet onverkort aan eiseres kan worden tegengeworpen zonder een goede beoordeling te maken van het mensenhandelrelaas. De rechtbank ziet zich daarom allereerst voor de vraag gesteld of de minister bij de beoordeling zoals die in het bestreden besluit is gemaakt, recht heeft gedaan aan de eerdere uitspraken.
Wettelijk kader
Paspoortvereiste
De minister kan de aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afwijzen, als de vreemdeling niet beschikt over een geldig paspoort. In artikel 3.72 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is geregeld dat de aanvraag niet wordt afgewezen als de vreemdeling naar het oordeel van de minister heeft aangetoond dat hij door de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld. Het is aan de vreemdeling om te onderbouwen dat hij door de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit gesteld kan worden van een geldig paspoort. De vreemdeling moet daarbij ook aantonen dat hij zelf al het mogelijke heeft gedaan om door zijn eigen autoriteiten in het bezit gesteld te worden van een geldig paspoort. Als de vreemdeling niet beschikt over een paspoort dan moet de vreemdeling op andere manieren zijn identiteit en nationaliteit kunnen aantonen, bijvoorbeeld met een identiteitskaart, geboorteakte of nationaliteitsverklaring (waarbij documenten met foto een hogere bewijswaarde hebben dan documenten zonder foto).
Niet-humanitair mensenhandel
5. Op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden worden verleend aan de vreemdeling die slachtoffer-aangever is van mensenhandel, voor zover er sprake is van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan.
Op grond van artikel 3.51, derde lid, van het Vb, in samenhang bezien met artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder f, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV), voor zover hier van belang, kan de minister een verblijfsvergunning verlenen aan vreemdelingen onder een beperking, verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden met het volgende verblijfdoel: verblijf na verblijf als slachtoffer of slachtoffer-aangever van mensenhandel.
Volgens paragraaf B9/12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) verleent de minister deze verblijfsvergunning als de vreemdeling aan één van de volgende voorwaarden voldoet:
de officier van justitie besluit tot vervolging over te gaan ter zake van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan en dat heeft geleid tot verlening van de verblijfsvergunning op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, b, en g, Vb;
er loopt een strafzaak en het slachtoffer verblijft drie jaar onafgebroken op basis van een verblijfsvergunning op grond van het beleid inzake mensenhandel in Nederland.
Ad 1 en 2
Een vervolgingsbeslissing is voldoende, als mensenhandel een onderdeel vormt van de tenlastelegging.
Als de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op één van de gronden die onder 1 en 2 zijn beschreven, verleent de IND een verblijfsvergunning als de vreemdeling heeft onderbouwd dat op grond van bijzondere individuele omstandigheden die rechtstreeks verband houden met mensenhandel, niet kan worden gevergd dat hij Nederland verlaat.
De IND betrekt in elk geval de volgende factoren bij de beoordeling of van de vreemdeling kan worden gevergd dat hij Nederland verlaat:
risico van represailles ten opzichte van de vreemdeling en zijn familie en de mate van bescherming daartegen die de autoriteiten in het land van herkomst bereid en in staat zijn te bieden;
risico van vervolging in het land van herkomst, bijvoorbeeld op grond van prostitutie; en
de mogelijkheden van sociale en maatschappelijke herintegratie in het land van herkomst.
De hiervoor genoemde wet- en regelgeving voorziet in de mogelijkheid om aan de vreemdeling die niet langer voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb om de reden dat het Openbaar Ministerie (OM) heeft besloten niet tot vervolging over te gaan – zoals in deze zaak het geval is – voortgezet verblijf toe te staan, indien zij aannemelijk maakt dat van hem/haar om redenen die rechtsreeks verband houden met mensenhandel niet kan worden gevergd dat zij Nederland verlaat. In deze bepalingen ligt de eis van ‘aannemelijkheid van slachtofferschap’ besloten.
De minister kan afwijken van zijn beleid als het handelen overeenkomstig het beleid voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen (artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht).
Uit de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2018 volgt dat artikel 3.51, derde lid, van het Vb de minister beslissingsruimte biedt, waarvan de invulling tot zijn verantwoordelijkheid behoort en dat het stellen van de eis van ‘aannemelijkheid van slachtofferschap’ als voorwaarde voor voormelde verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf niet onredelijk is. Het is aan de minister om te beoordelen of de vreemdeling erin is geslaagd aannemelijk te maken dat zij slachtoffer is van mensenhandel.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende kenbaar rekening gehouden met de psychische klachten van eiseres bij de beoordeling van de aannemelijkheid van het mensenhandelrelaas. Ook heeft de minister onvoldoende gemotiveerd op welke punten het relaas van eiseres tegenstrijdigheden bevat. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiseres er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat zij slachtoffer is van mensenhandel. De rechtbank legt dat hierna uit.
Psychische omstandigheden
7. De rechtbank stelt vast dat in WI 2023/5 de volgende overweging is opgenomen:
(…)
‘De achtergronden van de desbetreffende persoon en de wetenschap dat er mogelijk sprake is van een slachtoffer mensenhandel dwingt ook tot een afgewogen oordeel over aannemelijkheid. Er dient rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat psychische beschadiging ten gevolge van mensenhandel van invloed kan zijn op de wijze waarop een gesteld slachtoffer kan verklaren (bijvoorbeeld hiaten).’
Voorts stelt de rechtbank vast dat in het medisch advies van 30 januari 2023, het volgende is overwogen:
(…)
‘Betrokkene heeft een psychische en lichamelijk aandoening en heeft daardoor beperkingen op het gebied van haar geheugen.’
Dit wordt herhaald in het medisch advies van 18 juli 2023 en ook in het medisch advies van 18 september 2023 wordt gesproken over geheugenproblemen. Niet ter discussie staat dat er sprake is van psychische klachten die van invloed zijn op de wijze waarop eiseres kan verklaren, omdat zij zich niet alles kan herinneren.
Uit de besluitvorming volgt dat, en zoals ook ter zitting benadrukt, de voornaamste reden voor de minister om eiseres niet in haar relaas te volgen, is dat haar psychische klachten niet verklaren dat zij over randzaken gedetailleerd kan verklaren maar over andere essentiële elementen niet.
Daarbij is door de minister overwogen dat bij de beoordeling van de verklaringen van eiseres, rekening is gehouden met de in het dossier vermelde psychische klachten. Ook stelt de minister dat bij de beoordeling van het mensenhandelrelaas, rekening wordt gehouden met de door eiseres overgelegde informatie over haar psychische klachten en met het feit dat dit invloed kan hebben op het vermogen om gedetailleerd en consistent te verklaren.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt eiseres terecht dat bij de beoordeling van haar verklaringen, onvoldoende kenbaar rekening is gehouden met haar psychische klachten. Eiseres wordt tegengeworpen dat zij op bepaalde onderdelen onvoldoende gedetailleerd verklaart. Volgens de werkinstructie dient er rekening mee gehouden te worden dat deze hiaten het gevolg kunnen zijn van psychische beschadiging ten gevolge van mensenhandel. Hiervan is niet gebleken.
Hoewel de minister in de besluitvorming noemt dat hij rekening heeft gehouden met de klachten van eiseres, blijkt op geen manier hoe hij dat heeft gedaan. Uit de besluitvorming volgt niet dat de verklaringen van eiseres zijn afgezet tegen haar psychische toestand. De besluitvorming geeft geen blijk van een overweging aan de kant van de minister waarbij is gekeken naar de mogelijke invloed van eiseres haar psychische toestand als verklaring voor het gebrek aan detail. De minister volstaat met de conclusie dat de psychische klachten zijn meegewogen maar niet verklaren dat eiseres over randzaken gedetailleerd kan verklaren maar over essentiële elementen vaag of tegenstrijdig is. Voor zover de rechtbank kan zien, wordt eiseres onverkort tegengeworpen dat zij niet volledig en gedetailleerd kan verklaren, hetgeen niet gekwalificeerd kan worden als het kenbaar betrekken van de psychische toestand van eiseres.
Ter zitting heeft de minister betoogd dat uit de medische stukken niet volgt dat eiseres ten aanzien van bepaalde dingen wel goed kan verklaren en ten aanzien van andere niet. Ook heeft de minister gesteld dat er geen aanwijzingen zijn dat eiseres sommige dingen wel kan herinneren, en andere niet.
Daargelaten dat dit naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de hierboven genoemde medische adviezen, doet dit niet af aan zowel het eigen beleid van de minister als de eerdere uitspraken van deze rechtbank waarin is bepaald dat de minister die omstandigheden kenbaar moet betrekken. Zoals reeds geoordeeld, heeft de minister daar door te volstaan met een conclusie, niet aan voldaan.
In zoverre de minister meent de psychische problematiek van eiseres te hebben ondervangen met het schriftelijke gehoor, overweegt de rechtbank dat te volgen is dat dit eiseres heeft gefaciliteerd in haar verklaringen. In de medische adviezen ziet de rechtbank echter geen aanleiding voor het oordeel dat deze manier van horen de geheugenproblematiek in zijn volledigheid wegneemt. Zonder nadere onderbouwing kan uit het feit dat eiseres schriftelijk is gehoord, dan ook niet worden afgeleid dat dit de verwachting rechtvaardigt dat zij volledig en gedetailleerd kan verklaren.
Tegenstrijdigheden en andere tegenwerpingen
8. Ondanks dat het beroep reeds om bovenstaande gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om ook inhoudelijk op enkele tegenwerpingen in te gaan.
Daartoe overweegt zij ten eerste dat eiseres ten onrechte wordt tegengeworpen dat zij tegenstrijdig heeft verklaard. Desgevraagd heeft de minister ter zitting niet kunnen aangeven welke verklaring(en) van eiseres tegenstrijdig zijn. Geconcludeerd moet dan ook dat deze tegenwerping onder zijn huidige motivering, feitelijke grondslag mist.
Ook overweegt de rechtbank dat eiseres wordt tegengeworpen dat zij geen informatie geeft over de landen waar zij doorheen is gereisd en dat zij ‘denkt’ dat het om Polen en Duitsland ging. Net als in de uitspraak van 1 januari 2023, oordeelt de rechtbank dat de minister bij die overweging ten onrechte niet kenbaar heeft betrokken dat eiseres op 24 juli 2018 heeft verklaard over een reis via Brest (gelegen tegen de grens met Polen) en kentekens die passen bij Duitse auto’s.
Tot slot overweegt de rechtbank dat eiseres wordt tegengeworpen dat zij zeer gedetailleerd verklaart over het interieur van het bordeel, maar geen gegevens kan verstrekken over de volledige naam van de vrouw die haar heeft uitgebuit. Ook kan eiseres in haar aangifte het uiterlijk van de arts in het bordeel beschrijven, maar geeft zij geen naam, nationaliteit of andere herleidbare informatie. Hoewel moeilijk valt in te zien hoe van een mogelijk uitgebuite vrouw verwacht kan worden dat zij dergelijke details weet, overweegt de rechtbank dat als de minister dit wil tegenwerpen, in ieder geval betrokken moet worden hoe het ontbreken van dergelijke specifieke informatie zich verhoudt tot het feit dat eiseres wel andere relevante details kan noemen. Nu dit niet is gedaan, is het besluit op deze punten niet zorgvuldig gemotiveerd.
Paspoortvereiste
9. De rechtbank overweegt dat in haar uitspraak van 28 mei 2021 is ingegaan op het doel van het paspoortvereiste, waarbij de minister toen heeft gesteld dat de ratio en het belang van het paspoortvereiste primair identificatie is en subsidiair de eventuele verwijdering omvat. De rechtbank heeft overwogen dat de identiteit en nationaliteit van eiseres ook met andere stukken, waaronder de werkpas, kunnen worden aangetoond. De rechtbank stelt vast dat de minister hierover niets heeft overwogen in het bestreden besluit.
De minister stelt zich nu op het standpunt dat eiser zich tot de autoriteiten van Rusland kan wenden voor een identificerend document, omdat haar asielaanvraag is afgewezen en in rechte is komen vast te staan dat zij bij terugkeer naar Rusland niet te vrezen heeft. Hoewel de minister in beginsel inderdaad kan overwegen dat eiseres naar de Russische autoriteiten kan gaan, overweegt de rechtbank dat de uitkomst van de asielprocedure op zichzelf onvoldoende is voor de conclusie dat geen sprake is van onevenredige hardheid en dat niet hoeft te worden afgeweken van het beleid, te meer nu de minister de opdracht gekregen bij de beoordeling van die evenredigheid, het mensenhandelrelaas van eiseres te betrekken. Omdat de minister geen gevolg heeft gegeven aan de opdracht van de rechtbank om de werkpas te betrekken en naar het oordeel van de rechtbank ook niet met zijn standpunt ten aanzien van de uitkomst van de asielprocedure heeft kunnen volstaan, is het beroep ook hierom gegrond.
Artikel 8 EVRM en belang van het kind
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich in het bestreden besluit niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een schending van het recht op familieleven. Een afwijzing van de aanvraag betekent niet dat eiseres van haar gezinsleden wordt gescheiden.
De rechtbank is echter wel van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de afwijzing van de aanvraag geen ongerechtvaardigde inbreuk maakt op het privéleven van eiseres. Eiseres heeft een dochter met het downsyndroom en heeft gewezen op het zorgnetwerk – zowel professionele hulpverleners als feitelijke verzorgers – dat om hen heen staat. Ook heeft eiseres gewezen op de jarenlange psychische zorg die zij ontvangt en haar daarmee in verband staande verminderde draagkracht. De rechtbank acht deze zorgstructuur onderdeel van het privéleven van eiseres en haar dochter. Anders dan de minister ter zitting heeft betoogd betekent dit niet dat elke medische behandelaar onderdeel is van het privéleven van een vreemdeling. Het gaat hier om de bijzondere situatie waarin twee kwetsbare vreemdelingen zich handhaven met behulp van informele zorg vanuit hun directe omgeving. Voor de rechtbank valt niet in te zien hoe dit geen onderdeel van hun privéleven kan zijn. De minister had daarom moeten motiveren dan wel onderzoeken of en waarom deze omstandigheden niet maken dat op grond van artikel 8 van het EVRM een verplichting bestaat tot het laten voortzetten van het privéleven in Nederland. Dit is te meer het geval, nu bovengenoemde vorm van handhaven mede is ontstaan door de lange besluitvorming, hetgeen te verwijten is aan de minister.
Tot slot oordeelt de rechtbank dat de minister onvoldoende kenbaar de belangen van de jonge kinderen van eiseres heeft betrokken. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat de minister feitelijk alleen heeft gemotiveerd waarom het niet onmogelijk is voor het gezin om naar Rusland te vertrekken, hetgeen iets anders is dan het kenbaar betrekken van de belangen van de kinderen.
Zo heeft de minister in het besluit overwogen dat er in Rusland meer kinderen leven met het syndroom van Down en dat eiseres als ouder een belangrijke verantwoordelijkheid heeft om haar kinderen de aandacht, steun en verzorging te geven die zij nodig hebben om op te groeien. Daargelaten dat de rechtbank niet ziet hoe het feit dat er in Rusland kinderen met downsyndroom leven zich verhoudt tot de specifieke belangen van de kinderen van eiseres, volgt uit de brief van GGZ Drenthe van 24 april 2025 dat er wel degelijk (grote) zorgen zijn over de ontwikkeling van beide kinderen. De GGZ Drenthe schetst dat de dochter van eiseres waarschijnlijk wordt uitgesloten van de maatschappij gelet op haar verstandelijke beperking en dat het de vraag is of de zoon van eiseres voldoende aandacht zal krijgen gelet op de zorgen over zijn zusje en de problematiek van eiseres zelf. In dat licht bezien kan de minister eiseres niet onverkort tegenwerpen dat het haar verantwoordelijkheid is om de kinderen aandacht, steun en verzorging te geven die zij nodig hebben om op te groeien en had gemotiveerd moeten worden waarom deze brief het oordeel van de minister niet anders maakt. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de minister een onjuist criterium hanteert door te overwegen dat eiseres niet heeft aangetoond dat door terugkeer naar Rusland grote problemen ontstaan in de ontwikkeling van haar kinderen. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het om een weging van de belangen van de kinderen, waarvoor niet is vereist dat ontwikkelingsschade is aangetoond. Voor de rechtbank is ook de overweging dat kinderen zich normaal gesproken makkelijk aanpassen niet te begrijpen, nu de situatie van eiseres en haar dochter moeilijk normaal kan worden genoemd. De rechtbank oordeelt dat de minister te veel is uitgegaan van algemeenheden en onvoldoende kenbaar de bijzondere individuele belangen van eiseres haar dochter en zoon heeft betrokken.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. Eiseres krijgt een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank, op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1). Verder zijn er geen kosten die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 5 september 2025;
- bepaalt dat de minister binnen acht weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak, een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.