RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.250
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 30 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 8 januari 2026.
Overwegingen
Inleiding
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 17 november 2025 (in de zaak NL25.53331), bij uitspraak van 17 december 2025 bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 12 november 2025. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 12 november 2025 tot 8 januari 2026.
Zicht op uitzetting
3. Eiser voert aan dat er geen concreet zicht is op uitzetting naar Marokko. Op 12 september 2023 hebben de Marokkaanse autoriteiten eisers nationaliteit en identiteit bevestigd en een laissez-passer (lp) toezegging gedaan. Ondanks herhaalde rappels en vermelding van opschaling van eisers zaak is er tot op heden geen lp afgegeven. Daarnaast voert eiser in zijn reactie op de stukken van verweerder aan dat het zicht op uitzetting ontbreekt omdat hij volledig mee wil werken aan zijn vertrek, maar hij dit pas kan doen nadat hij vrijgelaten is.
4. De rechtbank merkt op dat deze beroepsgrond eerder is aangevoerd in het beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van 17 november 2025. De rechtbank verwijst in dit verband dan ook naar rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.4 van deze uitspraak. De situatie is ongewijzigd en het tijdsverloop sinds de uitspraak van 17 november 2025 is niet zodanig dat de rechtbank daarin aanleiding ziet om anders over de beroepsgrond te oordelen. Met een lp-traject bij de Marokkaanse autoriteiten is in het algemeen de nodige tijd gemoeid. Uit de voortgangsgegevens blijkt dat het onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten nog loopt. Op 26 november 2025 is eisers zaak besproken met de Consul General en deze heeft gezegd de zaak intern te zullen bespreken. Verweerder rappelleert regelmatig bij de Marokkaanse autoriteiten in verband met de afgifte van een lp ten behoeve van eisers uitzetting, voor het laatst op 17 december 2025. De Marokkaanse autoriteiten hebben niet kenbaar gemaakt geen lp te zullen verstrekken ten behoeve van eisers uitzetting. De enkele verklaring van eiser dat hij pas na vrijlating kan werken aan zijn terugkeer naar Marokko, volgt de rechtbank niet. Ook in bewaring heeft eiser de mogelijkheid om (zo nodig met hulp van zijn gemachtigde of familieleden) de nodige handelingen voor zijn vertrek te verrichten. Eiser heeft ook niet concreet gemaakt wat hij met het oog op zijn vertrek had willen regelen, maar wat door zijn detentie niet is gelukt. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank het zicht op de uitzetting van eiser naar Marokko vooralsnog aanwezig. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.