RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. K. Logtenberg),
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J.M. Sanchez Rhemrev).
Samenvatting
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.42980
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 20001. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat de problemen vanwege de politieke activiteiten niet geloofwaardig zijn omdat eiser daar niet samenhangend en aannemelijk over zou hebben verklaard. Verder heeft de minister ten onrechte niet beoordeeld of er sprake is van familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM en of er aanleiding is om op grond daarvan ambtshalve een verblijfsvergunning regulier te verlenen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Turkse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997. De minister heeft met het bestreden besluit van 1 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1 Vreemdelingenwet 2000
De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Cordes als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft activiteiten verricht voor de jongerentak van de HDP. Bij één van deze activiteiten, begeleiding tijdens het stemproces, is eiser samen met een vriend, [persoon1] , in conflict geraakt met twee aanhangers van de MHP en AK-partij, [persoon2] en [persoon3] . Deze jongens zij daarnaast ook aanhangers van Sedat Peker. Tijdens dat conflict hebben zij eiser geslagen. Eiser heeft toen een week bij zijn oma verbleven. In die week hebben [persoon2] en [persoon3] zijn huis bezocht en dreigementen geuit. Daarbij hebben zij de hond van eiser vermoord. Eiser heeft toen besloten om Turkije te verlaten. Eiser heeft verder aangevoerd dat hij gediscrimineerd is, omdat hij van Koerdische afkomst en Aleviet is.
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst,
2. Activiteiten voor de HDP,
3. Problemen vanwege de politieke activiteiten,
4. Discriminatie vanwege etniciteit en religie.
De minister stelt zich op het standpunt dat eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Ook vindt de minister het geloofwaardig dat eiser activiteiten heeft verricht voor de HDP en dat hij is gediscrimineerd vanwege zijn etniciteit en religie. Dat eiser vanwege zijn politieke activiteiten problemen heeft gehad met twee mannen, is volgens de minister niet geloofwaardig. Volgens de minister vormen eisers verklaringen daarover geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft namelijk summier en vaag verklaard over de aanleiding van de ruzie, de inhoud van de discussie en de uiteindelijke escalatie tot aan doodsbedreigingen toe en tegenstrijdig verklaard over of zijn vriend [persoon1] bij de eerste stemronde al was aangevallen. Ook is het niet duidelijk waarom de twee mannen, [persoon2] en [persoon3] , nog een probleem met eiser zouden hebben nu de AK-partij de verkiezingen gewonnen had en Erdogan nog steeds aan de macht is. Eiser heeft ook niet onderbouwd waarom [persoon2] en [persoon3] enkel tegen hem en [persoon1] geweld gebruikten. Verder stelt eiser dat Sedat Peker Erdogan steunt en dat de twee mannen banden hebben met Sedat Peker. Dat is tegenstrijdig met wat bekend is uit openbare bronnen, namelijk dat Sedat Peker sterk gekant is tegen de Turkse overheid en dat hij Erdogan indirect probeert te raken. Daarnaast heeft eiser niet onderbouwd hoe de mannen dichtbij Sedat Peker staan of wat hun link met hem is. Tot slot doet het af aan de geloofwaardigheid van de gestelde problemen dat eiser geen aangifte heeft gedaan tegen het vermoorden van zijn hond. De minister werpt eiser verder tegen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en hij daar geen goede verklaring voor heeft.
De wel geloofwaardig bevonden asielmotieven leiden niet tot een verlening van een verblijfsvergunning. Het is weliswaar geloofwaardig dat eiser activiteiten heeft verricht
voor de HDP, waardoor hij onder een risicoprofiel valt, maar eiser voldoet niet aan het individualiseringsvereiste. Daarnaast heeft eiser de vrees voor discriminatie als Koerd en Aleviet niet aannemelijk gemaakt. De problemen die eiser op grond daarvan heeft ondervonden zijn niet zwaarwegend genoeg.
Werkinstructie 2024/6
5. Eiser stelt dat hij documenten heeft overgelegd die het ongeloofwaardig geachte asielmotief onderbouwen. Hij heeft namelijk een getuigenverklaring van zijn vader en foto's van zijn overleden hond overgelegd. Dit ondersteunt het gehele asielrelaas, waardoor eiser in principe gevolgd moet worden en het relaas geloofwaardig moet worden bevonden. Subsidiair stelt eiser dat de toepassing van de Werkinstructie 2024/6 kan leiden tot een beoordeling die in strijd is met artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn. In het beleid is onduidelijk in welk kader overgelegd bewijsmateriaal dat niet voldoet aan het criterium van stap 2a, maar waaraan wel bewijswaarde toekomt, in de beoordeling wordt betrokken. In dit geval is niet duidelijk hoe de het bewijsmateriaal is betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling.
De rechtbank stelt voorop dat zij op 10 juni 2025 een uitspraak heeft gedaan over de Werkinstructie 2024/6.2 De rechtbank verwijst naar de overwegingen 7.1, 7.2 en 7.3 van die uitspraak en neemt deze overwegingen over. Kortgezegd heeft de rechtbank in de uitspraak van 10 juni 2025 overwogen dat er geen grond is om te oordelen dat toepassing van de werkinstructie in iedere zaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. In elke afzonderlijke asielzaak moet worden beoordeeld of de toepassing van de werkinstructie onrechtmatig is geweest. De rechtbank komt tot het oordeel dat dit in onderhavige zaak niet het geval is. De rechtbank oordeelt dat de minister de door eiser overgelegde stukken voldoende duidelijk heeft betrokken in de beoordeling. Over de getuigenverklaring van vader heeft de minister uitgelegd dat het om een niet te verifiëren kopie gaat en dat er beperkte waarde aan de verklaring toekomt, omdat het een verklaring van een derde betreft. De minister legt het zwaartepunt tijdens de beoordeling op de verklaringen van eiser. De foto's van de hond van eiser heeft de minister ook betrokken. Daarover stelt de minister dat de inhoud van de foto's de gestelde problemen met de mannen niet kan onderbouwen. Uit de foto's valt namelijk niet op te maken dat het gaat om eisers hond, dat de hond door hen is doodgeschoten of dat de vermeende doding van de hond in verband zou staan met de door eiser gestelde problemen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister hiermee deugdelijk gemotiveerd dat de stukken niet de waarde toegekend krijgen die eiser daaraan wenst en dat eiser zijn verklaringen dus ook niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die het asielmotief volledig onderbouwen. De beroepsgrond slaagt niet.
Samenhangend en aannemelijk verklaard
6. Eiser heeft zich ook op het standpunt gesteld dat de minister ten onrechte en in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel stelt dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
Aanleiding, inhoud en escalatie van de ruzie
7. De minister heeft aan eiser tegengeworpen dat hij wisselend heeft verklaard over of [persoon1] bij de eerste stemronde al was aangevallen. De minister heeft in het voornemen
2 Zie ECLI:NL:RBDHA:2025:10057.
benoemd dat eiser tijdens het nader gehoor is gevraagd wat voor discussies er dan gevoerd werden voordat er geweld werd gebruikt. Hierop zou eiser hebben verklaard dat ze een smoesje zochten omdat HDP al bijna gewonnen hadden. Ook wijst de minister op de vraag wat [persoon1] dan precies had gezegd wat zo erg was. Daarop heeft eiser verklaard dat er bij de eerste ronde al een discussie was, waardoor ze bij de tweede ronde een reden hadden om hem aan te vallen. Dat is volgens de minister tegenstrijdig omdat eiser eerder heeft gesteld dat [persoon1] bij de eerste verkiezingsronde is aangevallen. Daarnaast stelt de minister in het bestreden besluit dat eiser enkel heeft verklaard dat het gaat om een discussie en dat de verklaring van eiser dat de eerdere discussie maakt ze een reden hadden om eiser en [persoon1] een tweede keer aan te vallen erop duidt dat er geen eerste aanval is geweest. Eiser stelt dat er geen sprake is van tegenstrijdigheid.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister ten onrechte gesteld dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over of [persoon1] is aangevallen tijdens de eerste stemronde. Eiser heeft eerst verklaard dat [persoon1] bij de eerste stemronde na een discussie werd geslagen.3 Daarna heeft eiser op de vraag wat voor discussies er dan gevoerd werden zodat er geweld ontstond, het volgende verklaard.
“U gaf aan dat er discussies waren ontstaan in de ochtend en gedurende de dag. Ik kan mij voorstellen dat er bij discussies opmerkingen worden gedaan die zij niet kunnen verteren. Wat maakt dat die discussies niet voor dreigementen hebben gezorgd en geweldspleging?
Bij de eerste ronde was er al een incident gebeurd tussen hun en mijn vriend en bij de tweede reageerde hij met een opmerking en dat zorgde voor een ruzie. Wij dachten dat wij als tegenpartij na de eerste ronde gewonnen hadden en dat hebben zij ook gehoord.”4
De minister stelt dan ook ten onrechte dat eiser enkel heeft verklaard dat er bij de eerste stemronde al een discussie was. Eiser heeft in deze verklaring namelijk benoemd dat er al een incident is gebeurd. Dat hij daar niet expliciet bij heeft benoemd dat het gaat om een incident waarbij al een aanval is geweest is niet tegenstrijdig, althans, dat heeft de minister onvoldoende gemotiveerd.
Waarom nog een probleem?
8. De minister heeft eiser ook tegengeworpen dat het niet duidelijk is waarom [persoon2] en [persoon3] nog een probleem met hem zouden hebben nu de AK-partij de verkiezingen gewonnen had en Erdogan nog steeds aan de macht is. Eiser stelt dat hij en zijn vriend in het vizier zijn van gevaarlijke mannen en daarmee zijn leven in gevaar is als hij terugkeert. Hij stelt te hebben uitgelegd waarom de mannen juist na de verkiezingsuitslag hun dreigementen konden waarmaken, zij waren juist sterker.
Eiser heeft in de zienswijze reeds uitgelegd dat [persoon2] en [persoon3] na de verkiezingsuitslag sterker waren omdat zij de verkiezing hadden gewonnen. Zij voelden zich onoverwinnelijk en konden hun dreigementen gaan uitvoeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom het gelet op deze verklaring onduidelijk is waarom [persoon2] en [persoon3] nog een probleem met eiser hadden.
3 Zie pagina 7 van het rapport nader gehoor.
4 Zie pagina 15 van het rapport nader gehoor.
Band met Sedat Peker
9. Volgens de minister is het tegenstrijdig dat [persoon2] en [persoon3] aanhangers zijn van Sedat Peker, terwijl één van hun ook aanhanger is van de AK-partij. Sedat Peker heeft zich namelijk uitgesproken tegen leden van de AK-partij en daarmee indirect ook Erdogan probeert te raken. Daarnaast zou eiser niet hebben onderbouwd hoe de [persoon2] en [persoon3] dichtbij Sedat Peker staan of wat hun link met hem is. Eiser wijst in beroep op zijn zienswijze waarin hij heeft uitgelegd hoe hij weet dat de mannen gelieerd zijn aan de maffiagroep van Sedat Peker. Zij persten mensen voor hem af, hebben diverse zaken geopend waarbij er bij de opening een grote bos bloemen van Sedat Peker stonden en iedereen in de buurt wist dat de mannen bij zij groep hoorden. Volgens eiser stelt de minister in het bestreden besluit daarom ten onrechte dat eiser dit niet heeft onderbouwd.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister aan eiser kunnen tegenwerpen dat het tegenstrijdig is dat [persoon2] en [persoon3] zowel aanhangers van de AK-partij als van Sedat Peker zouden zijn. De minister heeft er in dat kader terecht op gewezen dat Sedat Peker veel leden van de AK-partij heeft zwartgemaakt, waardoor het tegenstrijdig is dat een aanhanger van de partij hem zou aanhangen. Eisers uitleg over hoe hij weet dat de mannen gelieerd zoden zijn aan de groep van Sedat Peker, kan niet aan af doen aan deze tegenstrijdigheid.
Aangifte
10. Verder heeft de minister eiser tegengeworpen dat hij geen aangifte heeft gedaan over de dood van zijn hond. Dat eiser dat niet zou hebben gedaan omdat hij vreest voor de daders en de politie niet vertrouwd, is volgens de minister onvoldoende. De rechtbank oordeelt dat de minister in de beoordeling heeft kunnen meewegen dat eiser geen aangifte heeft gedaan van de moord op zijn hond. Dat eiser geen aangifte heeft gedaan is op zichzelf echter onvoldoende om te concluderen dat het asielmotief ongeloofwaardig is.
Tussenconclusie
11. Dat eiser tegenstrijdig is in de verklaring dat [persoon2] en [persoon3] aanhangers zijn van Sedat Peker en de AK-partij en dat eiser geen aangifte heeft gedaan vanwege de moord op zijn hond, heeft de minister kunnen betrekken en tegenwerpen. Echter, de rechtbank overweegt dat deze tegenwerpingen onvoldoende zijn om te concluderen dat eiser zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De overige tegenwerpingen heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de gestelde problemen vanwege de politieke activiteiten ongeloofwaardig zijn. De minister zal dit daarom opnieuw moeten onderzoeken en motiveren.
Artikel 3 EVRM
12. Nu de rechtbank van oordeel is dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de gestelde problemen vanwege de politieke activiteiten ongeloofwaardig zijn en dat opnieuw moet onderzoeken en motiveren, zal de minister daarna ook opnieuw moeten beoordelen of eiser voldoet aan het individualiseringsvereiste.
Artikel 8 EVRM
13. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat de minister ten onrechte niet heeft getoetst aan artikel 8 van het EVRM.5 In dat kader voert eiser aan dat hij al langer dan een jaar een relatie heeft met een Nederlandse vrouw en dat hij de intentie heeft om met haar te trouwen. Ter onderbouwing van de relatie heeft eiser in beroep ook stukken overgelegd.
De minister beoordeeld bij een afwijzing van een eerste asielaanvraag ambtshalve of er aanleiding bestaat om verblijf te verlenen op grond van artikel 8 van het EVRM.6 Tijdens het nader gehoor is eiser gevraagd of er nog bijzondere individuele omstandigheden zijn waardoor hij in aanmerking moet komen voor verblijf in Nederland. Eiser heeft daarop verklaard dat hij al een relatie een heeft en de intentie heeft om te trouwen.7 De minister heeft ten onrechte in het voornemen gesteld dat eiser geen overige bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd en heeft ook ten onrechte niet beoordeeld of er sprake is van familie- of gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
14. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat de problemen vanwege de politieke activiteiten niet geloofwaardig zijn omdat eiser daar niet samenhangend en aannemelijk over zou hebben verklaard. Verder heeft de minister ten onrechte niet beoordeeld of er sprake is van familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM en of er aanleiding is om op grond daarvan ambtshalve een verblijfsvergunning regulier te verlenen. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. De minister zal een nieuw besluit op de aanvraag van eiser moeten nemen en daarbij rekening moeten houden met deze uitspraak.
De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
5 Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
6 Dit volgt uit artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit en de Werkinstructie 2020/16 Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM.
7 Zie pagina 27 van het rapport van het nader gehoor.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 januari 2026
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.