RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
uitspraak
Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.63066
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. D. Schaap),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 26 juni 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
Conclusie en gevolgen
Toetsingskader
Verzwaarde belangenafweging
3. Eiser betoogt dat, nu hij sinds 26 juni 2025 zes maanden in bewaring zit, de maximale termijn van zijn vrijheidsontneming volgens artikel 59, vijfde lid, van de Vw is bereikt. Verweerder had eiser dan ook in vrijheid moeten stellen.
4. De rechtbank overweegt als volgt. Als een redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat en verweerder voortvarend werkt aan de verwijdering, is de duur van de bewaring een element dat bij de belangenafweging moet worden betrokken. De Vreemdelingenwet stelt een maximum van achttien maanden aan de duur van de bewaring. Dit betekent echter niet dat de bewaring in alle gevallen ook achttien maanden mag voortduren. Naarmate de bewaring voortduurt, wordt het belang van betrokkene om in vrijheid te worden gesteld groter. Indien de maatregel langer duurt dan zes maanden, kan deze toch voortduren als de uitzetting meer tijd zal vergen omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting (artikel 59, zesde lid, van de Vw). Uit de voortgangsrapportage blijkt dat verweerder op 7 oktober 2025 een verzwaarde belangenafweging heeft gemaakt en dat dit tijdens het vertrekgesprek van 14 oktober 2025 met eiser is besproken. Vervolgens heeft verweerder weer een verzwaarde belangenafweging gemaakt op 7 november 2025. Volgens verweerder is de laissez-passer (lp) aanvraag van eiser nog in onderzoek. Het Libische consulaat heeft aan eiser verzocht om persoonlijk contact op te nemen, maar eiser heeft geweigerd om deel te nemen aan de voor hem geplande presentaties bij de Libische autoriteiten. Dit is niet weersproken door eiser. Verder blijkt uit het verslag van het vertrekgesprek van 19 december 2025 dat eiser heeft geweigerd deel te nemen aan het gesprek. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet alle medewerking verleent aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit en dat hij zelf geen actie onderneemt om aan documenten te komen.
Ten overvloede verwijst de rechtbank naar overweging 6. van voornoemde uitspraak van 11 december 2025 en merkt hierbij op dat eiser sinds 11 oktober 2025 zes maanden aansluitend in zowel strafrechtelijke als vreemdelingrechtelijke detentie heeft verbleven. De verzwaarde belangenafweging die verweerder op 7 oktober 2025 ten aanzien van de voortduring van de maatregel heeft gemaakt valt ook in deze beroepsprocedure buiten de te toetsen periode. Ten aanzien van de verzwaarde belangenafweging van 7 november 2025 merkt de rechtbank op dat verweerder niet gehouden was deze te maken.
5. De hiervoor genoemde omstandigheden leiden de rechtbank tot de conclusie dat aan het belang van verweerder bij voortduring van de maatregel meer gewicht toekomt dan aan het belang van eiser bij invrijheidsstelling. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Behandeling ter zitting
6. Eiser stelt verder dat zijn vervolgberoep behandeld dient te worden als een beroep in eerste aanleg, omdat sprake is van een nieuw besluit. Eiser voert hiertoe aan dat het laten voortduren van de maatregel zonder wettelijke grondslag moet worden aangemerkt als een feitelijke handeling van verweerder die gelijkgesteld kan worden met een besluit als bedoeld in artikel 93, eerste lid, van de Vw. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:194, overwegingen 4 en 5.
7. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Zoals overwogen onder 4., is het voortduren van de maatregel rechtmatig op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw. In de door eiser aangehaalde afdelingsuitspraak is sprake van een andere situatie, nu verweerder in die zaak geen belangenafweging had gemaakt nadat een vreemdeling zes maanden in bewaring had verbleven. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
8. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
9. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
06 januari 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.