RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.795
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. Y.M. Schrevelius),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 17 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 12 januari 2026.
Overwegingen
Inleiding
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 11 november 2025 (in de zaak NL25.51940) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 5 november 2025 tot 12 januari 2026.
Uiterste overdrachtstermijn
3. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geworden omdat de uiterste overdrachtsdatum van eiser, te weten 4 januari 2026, inmiddels is verlopen en niet is verlengd.
4. Uit artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening volgt dat een overdrachtstermijn van zes maanden ingaat vanaf het moment van aanvaarding van het claimverzoek of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar indien de uitvoering van het overdrachtsbesluit gedurende de behandeling van het beroep in eerste aanleg is opgeschort op grond van artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening. Lidstaten bepalen in hun nationale recht hoe zij opschortende werking verlenen aan een beroep of bezwaar tegen het overdrachtsbesluit. Hierbij hebben zij de keuze uit drie alternatieve mogelijkheden. Nederland heeft ervoor gekozen om toepassing te geven aan artikel 27, derde lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening. Dit betekent dat de uitvoering van een overdrachtsbesluit wordt opgeschort door toewijzing van een daartoe strekkend verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep.
5. Bij besluit van 11 september 2025 is eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen, waarbij tevens een overdrachtsbesluit is genomen. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 31 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening getroffen en onder meer het overdrachtsbesluit geschorst totdat op het beroep is beslist. Door die getroffen voorlopige voorziening is de uiterste overdrachtsdatum, gelet op hetgeen onder rechtsoverweging 4. is overwogen, verschoven tot zes maanden na de uitspraak op het beroep. Dit beroep wordt op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Een en ander betekent dat de uiterste overdrachtsdatum nog niet is verstreken. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.