ECLI:NL:RBDHA:2026:801

ECLI:NL:RBDHA:2026:801, Rechtbank Den Haag, 20-01-2026, NL25.45210

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-01-2026
Datum publicatie 20-01-2026
Zaaknummer NL25.45210
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Asiel - Gambia - opvolgende aanvraag - niet verschenen op het aanvullend gehoor - medische situatie is niet onderbouwd - voldoende rekening gehouden met het referentiekader - de minister heeft de opvolgende aanvraag kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond - beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.45210

geboren op [geboortedatum] ,

van Gambiaanse nationaliteit,

V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),

en

(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag in stand kan blijven, omdat de minister in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd waarom hij de gestelde biseksualiteit van eiser niet geloofwaardig vindt. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 25 oktober 2023 een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 11 september 2025 deze aanvraag in de verlengde asielprocedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij is aan eiser een inreisverbod van twee jaar opgelegd.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben voorafgaand aan de zitting laten weten niet aanwezig te zullen zijn. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

De procedure over de eerdere asielaanvragen

3. Eiser heeft op 17 augustus 2020 zijn eerste asielaanvraag ingediend. Met het besluit van 15 december 2020 heeft de minister deze aanvraag buiten behandeling gesteld. Het door eiser tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van 8 januari 2021 door deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, ongegrond verklaard. De Afdeling heeft op 5 maart 2021 de uitspraak van 8 januari 2021 bevestigd.

Op 12 mei 2021 heeft de minister de aanvraag van eiser in de nationale procedure opgenomen. Met het besluit van 14 maart 2022 heeft de minister de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Het door eiser tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van 3 mei 2022 door deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde hoger beroep bij de Afdeling is door eiser op 1 juni 2022 ingetrokken. Daarmee staat de afwijzing van de asielaanvraag in rechte vast.

De opvolgende asielaanvraag

4. Eiser heeft op 25 oktober 2023 een nieuwe asielaanvraag ingediend. Hij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat hij biseksueel is. Eiser heeft verklaard dat het in Gambia verboden is om biseksueel te zijn. Hij vreest bij terugkeer naar Gambia vanwege zijn seksuele geaardheid in de problemen te komen.

Het bestreden besluit

5. Bij de beoordeling van het asielrelaas van eiser heeft de minister de volgende asielmotieven vastgesteld:

Identiteit, nationaliteit en herkomst;

Biseksualiteit.

De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De verklaringen van eiser over zijn biseksualiteit vindt de minister niet geloofwaardig. Hij stelt zich hierover op het standpunt dat bij de beoordeling het referentiekader van eiser is meegewogen, dat eiser geen inzicht weet te geven in de invulling van zijn seksuele gerichtheid, dat eiser niet inzichtelijk weet te maken dat hij relaties heeft gehad door algemene verklaringen te geven en dat eisers geen inzicht weet te geven in hoe het voor hem is om biseksueel en moslim te zijn. De minister meent daarom dat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat hij bij terugkeer naar Gambia ook geen reëel risico loopt op ernstige schade.

Eiser kan zich hier niet mee verenigen. De rechtbank gaat hierna in op zijn beroepsgronden, voor zover deze van belang zijn.

Uitnodiging voor aanvullend gehoor

6. Eiser voert aan dat hij vanwege zijn medische problemen geen gevolg heeft kunnen geven aan de uitnodigingen voor een aanvullend gehoor. In het bestreden besluit is de minister niet ingegaan op de redenen waarom eiser niet op het aanvullend gehoor is verschenen. Tijdens het aanvullend gehoor had eiser gerichte vragen over zijn biseksualiteit kunnen beantwoorden.

De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende aandacht heeft besteed aan de redenen waarom eiser niet op het aanvullend gehoor is verschenen. Uit de stukken blijkt immers dat eiser, nadat hij voor de tweede keer niet is verschenen op het aanvullend gehoor, heeft aangegeven dat hij op 14 maart 2025 niet kon verschijnen omdat hij ziek was. Hierna is eiser nog twee maal uitgenodigd voor het aanvullend gehoor. Dat er onvoldoende rekening zou zijn gehouden met zijn medische problemen, volgt de rechtbank dan ook niet. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting verder terecht aangevoerd dat de medische redenen waarom eiser niet kon verschijnen niet met medische stukken zijn onderbouwd. Daarbij komt dat eiser ook niet op enig moment heeft gesteld dat hij niet aanvullend kon worden gehoord vanwege zijn medische situatie. Sterker nog, eiser heeft in de zienswijze van 28 maart 2025 de minister gevraagd om hem nogmaals uit te nodigen voor het aanvullend gehoor. Dit heeft de minister ook gedaan. De minister is in het bestreden besluit dan ook voldoende ingegaan op het verloop en heeft, nu de medische situatie niet nader is onderbouwd, niet meer hoeven ingaan op de medische problemen van eiser dan hij reeds heeft gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.

Referentiekader

7. Eiser voert aan dat de minister bij de beoordeling van zijn verklaringen over zijn biseksualiteit onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. De minister heeft geen rekening gehouden met de omstandigheid dat eiser geen enkele scholing heeft genoten en dat hij is opgegroeid in een streng Islamitisch milieu. Het referentiekader is weliswaar benoemd, maar niet kenbaar bij de beoordeling betrokken.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser. De rechtbank stelt vast dat de minister eisers referentiekader expliciet heeft opgenomen in het voornemen. De minister heeft er daarbij terecht op gewezen dat uit eisers referentiekader weliswaar blijkt dat hij enkel Arabische school heeft gevolgd, moeite heeft met data en beladen gebeurtenissen heeft meegemaakt, maar dat dit geen verschoonbare reden is waarom eiser niet meer inzicht zou kunnen geven in zijn persoonlijke gedachten en gevoelens over de ontdekking en ontwikkeling van zijn seksuele gerichtheid. De rechtbank stelt verder vast dat de minister op verschillende pagina’s in de besluitvorming uiteengezet heeft waarom er, gelet op het referentiekader van eiser, desondanks meer van hem mag worden verwacht. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn stelling dat het referentiekader niet kenbaar bij de beoordeling is betrokken. De rechtbank overweegt verder dat eiser in beroep niet concreet heeft gemaakt op welke wijze hij, gelet op zijn referentiekader, minder heeft kunnen verklaren. De beroepsgrond slaagt niet.

Opvolgende aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond

8. Eiser stelt dat de minister zijn aanvraag niet had mogen afwijzen als kennelijk ongegrond. Het feit dat eiser is uitgenodigd voor een aanvullend gehoor laat zien dat de minister het noodzakelijk vond om eiser aanvullende vragen te stellen.

9. De rechtbank volgt eiser hierin niet en overweegt daartoe als volgt. De minister heeft in het voornemen overwogen dat het aanvullend gehoor was ingepland om eiser meer vragen te stellen over zijn seksuele gerichtheid, zoals de ontdekking daarvan en hoe hij dit heeft beleefd. Op zitting heeft de gemachtigde van de minister aangegeven dat het aanvullend gehoor was ingepland zodat eiser meer kon verklaren hierover en niet omdat eiser niet zou zijn bevraagd hierover of dat er onvoldoende verklaringen zouden zijn om te beoordelen. De rechtbank stelt vast dat uit het verslag gehoor opvolgende aanvraag van

21 januari 2025 blijkt dat aan eiser gerichte vragen zijn gesteld over hoe hij zijn biseksuele gerichtheid heeft ontdekt, hoe hij dit heeft beleefd en wat zijn gevoelens en gedachten hierbij waren. Eiser heeft aan de hand van deze vragen verschillende verklaringen afgelegd. Niet is gebleken dat eiser hierover niet genoeg heeft kunnen verklaren. Eiser heeft in beroep evenmin aangevoerd welke verklaringen er nog zouden ontbreken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister de opvolgende aanvraag als kennelijk ongegrond heeft kunnen afwijzen. In het enkele feit dat de minister een aanvullend gehoor heeft ingepland, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. De minister heeft de aanvraag kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en moet terugkeren naar Gambia. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gespeudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R. Tesfai

Griffier

  • mr. E.A. Ruiter

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?