RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.15317
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. Y.M. Schrevelius),
en
(gemachtigde: drs. [gemachtigde]).
Procesverloop
Verweerder heeft aan verzoeker meegedeeld dat hij voornemens is om hem uit te zetten naar Marokko op vrijdag 20 maart om 17:15 uur.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen uitzetting. Hij heeft verder op 19 maart 2026 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat hij tijdens de behandeling van het bezwaarschrift niet wordt overgedragen.
Verweerder heeft op 19 maart 2026 een verweerschrift ingediend. Daaruit volgt dat verweerder de voorgenomen uitzetting heeft geannuleerd, nadat eiser een asielaanvraag heeft ingediend.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De mededeling aan verzoeker over de voorgenomen uitzetting is aan te merken als een feitelijke handeling jegens een vreemdeling als zodanig. Een dergelijke handeling is op grond van artikel 72, derde lid, van de Vw gelijkgesteld met een beschikking. Hiertegen is bezwaar en vervolgens beroep mogelijk. De voorzieningenrechter is dan ook bevoegd om van dit verzoek kennis te nemen.
2. Artikel 8:83, derde lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
3. De voorzieningenrechter ziet aanleiding van de bovenstaande bevoegdheid gebruik te maken. Verweerder heeft de voorzieningenrechter op 19 maart 2026 te kennen gegeven dat de voorgenomen uitzetting van verzoekster op 20 maart 2026 geen doorgang zal vinden. Nu de uitzetting is geannuleerd, is daarmee ook het spoedeisend belang aan de gevraagde voorlopige voorziening komen te vervallen.
4. Gelet hierop verklaart de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk.
5. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoeker. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in dit geval geen sprake van tegemoetkomen zoals bedoeld in artikel 8:75a van de Awb. Verweerder heeft namelijk de uitzetting geannuleerd omdat verzoeker na het aankondigen van de vluchtgegevens een nieuwe asielaanvraag heeft ingediend. Verweerder heeft vervolgens vanwege deze nieuwe asielaanvraag de voorgenomen uitzetting geannuleerd. In zoverre houdt de annulering van de uitzetting geen verband met de gronden van het bezwaar.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 2 april 2026 door mr. E.F. Bethlehem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.