RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.37976
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap)
en
Procesverloop
Bij brief van 18 juli 2025 heeft verweerder eiser laten weten dat de bevriezingsmaatregel eindigt per 4 september 2025.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
Bij besluit van 28 januari 2026 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
Bij brief van 3 februari 2026 heeft eiser meegedeeld dat het reeds ingediende beroep zich tevens richt tegen het besluit van 28 januari 2026.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [datum] 1995 en heeft de Indiase nationaliteit.
2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’.
3. De rechtbank moet ambtshalve beoordelen of het beroep ontvankelijk is. Pas wanneer het beroep ontvankelijk is, kan de rechtbank toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak.
Is de brief van 18 juli 2025 een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb?
1. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de brief waartegen eiser beroep heeft ingesteld een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. In dat artikel staat dat een besluit onder meer inhoudt dat er een juridisch gevolg wordt beoogd. Verder volgt uit artikel 8:1 van de Awb dat beroep bij de bestuursrechter alleen mogelijk is tegen een besluit.
2. De rechtbank stelt vast dat de brief van 18 juli 2025 algemeen van aard is. De brief gaat alleen over de beëindiging van de bevriezingsmaatregel als reactie op het arrest van het HvJ EU van 19 december 2024 in de zaak Kaduna en Abkez en de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025. De brief beschrijft twee mogelijkheden die op een vreemdeling van toepassing kunnen zijn, namelijk de situatie dat een ‘derdelander Oekraïne’ op 4 september 2025 een andere verblijfsvergunning of openstaande aanvraag voor een andere verblijfsvergunning heeft en de situatie waarin dat niet het geval is. De brief maakt niet duidelijk welke van deze twee situaties op eiser van toepassing is en roept dus geen nieuwe juridische gevolgen in het leven, zodat deze niet is aan te merken als een besluit.
Heeft onderhavig beroep van rechtswege mede betrekking op het terugkeerbesluit?
3. Op 3 februari 2026 heeft eiser aan de rechtbank kenbaar gemaakt dat onderhavig beroep zich ook richt tegen het terugkeerbesluit van 18 januari 2026.
4. Uit artikel 6:19, eerste lid, van de Awb volgt dat het beroep van rechtswege mede betrekking heeft op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit. Voor toepassing van dit artikel is dus vereist dat sprake is van een eerder bestreden besluit. In dit geval is het beroep gericht tegen de brief van 18 juli 2025. Zoals hiervoor is vastgesteld, is deze brief niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Reeds daarom kan het terugkeerbesluit niet op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb bij de beoordeling in dit beroep worden betrokken.
Conclusie
5. Gelet op het bovenstaande is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 2 april 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.