RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16248
in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en
Procesverloop
De minister heeft op 5 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. De rechtbank heeft op het eerste beroep beslist bij uitspraak van 24 maart 2026.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De griffier heeft op 3 april 2026 telefonisch contact opgenomen met de minister. De griffier heeft de minister gevraagd om haar, per ommegaande, te informeren over de stand van
zaken van de asielprocedure en, indien van toepassing, de daartoe betreffende stukken te
uploaden in het dossier. De rechtbank heeft dit verzoek ook in het dossier geplaatst. De minister heeft direct gevolg gegeven aan het verzoek.
De rechtbank heeft het vooronderzoek vervolgens, op 3 april 2026, gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 24 maart 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 17 maart 2026.
Overschrijding termijn onderzoek
2. De rechtbank merkt ambtshalve het volgende op. Het beroepschrift is op 23 maart 2026 ingediend. Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000 sluit de rechtbank het vooronderzoek binnen een week na ontvangst van het beroepschrift. Dit betekent dat de rechtbank in dit geval het vooronderzoek uiterlijk op 30 maart 2026 had moeten sluiten. Het vooronderzoek is echter pas gesloten op 3 april 2026. De termijn van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000 is overschreden.
De overschrijding van deze termijn is in dit geval geheel aan de rechtbank toe te rekenen. De rechtbank is echter van oordeel dat deze termijnoverschrijding niet leidt tot de conclusie dat sprake is van een onrechtmatige voortduring van de bewaring. Aangezien de rechtbank wel overeenkomstig artikel 96, tweede lid, van de Vw 2000 uitspraak doet op het vervolgberoep binnen één week nadat zij het vooronderzoek had moeten sluiten en de uitspraak wordt gedaan binnen veertien dagen na het instellen van het vervolgberoep, ziet de rechtbank geen aanleiding om het voortduren van de maatregel van bewaring vanwege de enkele genoemde termijnoverschrijding onrechtmatig te achten. Eiser is als gevolg van de termijnoverschrijding niet in zijn belangen geschaad.
Geen zitting
3. Hoewel eiser heeft verzocht om op zitting gehoord te worden, heeft de rechtbank aan dat verzoek geen gevolg gegeven. Het horen van eiser is ook niet verplicht, omdat het gaat om een beroep tegen het voortduren van de bewaring. Het horen van eiser is in dit geval ook niet nodig. De rechtbank heeft namelijk op basis van de stukken in het procesdossier al voldoende informatie om een oordeel te kunnen geven over het vervolgberoep.
Schending informatieplicht en voortvarende behandeling van de asielaanvraag
4. Eiser voert aan dat de minister zijn informatieplicht schendt omdat uit de voortgangsrapportage blijkt dat eiser op 6 maart 2026 een asielaanvraag heeft ingediend. Het is nu bijna drie weken later en er ontbreekt informatie over de voortgang van de behandeling van de asielprocedure.
De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 59b, tweede lid, van de Vw 2000 volgt dat de bewaring niet langer dan vier weken mag duren, tenzij een voornemen op de asielaanvraag wordt uitgebracht. In dat geval mag de bewaring zes weken duren. Deze termijn moet worden gezien als een maximale termijn waarbinnen de minister voldoende voortvarend moet handelen om ervoor te zorgen dat eiser voor een zo kort mogelijke termijn in bewaring wordt gehouden.
De minister heeft op 20 maart 2026 een voornemen uitgebracht. Daarin staat - kort samengevat - dat de minister voornemens is om eisers asielaanvraag af te wijzen. De bewaring mag daarom maximaal zes weken duren. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan eisers asielaanvraag. Het voornemen is immers twee weken na de inbewaringstelling uitgebracht. Daar komt bij dat eiser tot vandaag, 3 april 2026, de mogelijkheid heeft tot het indienen van een zienswijze. Pas na het verstrijken van deze termijn kan de minister een beslissing nemen op de asielaanvraag van eiser.
Alhoewel de rechtbank het met de gemachtigde eens is dat het wenselijk was geweest dat de stukken omtrent de asielprocedure gelijktijdig met de voortgangsrapportage in het digitale dossier waren geüpload, maakt het feit dat dit niet is gebeurd niet dat de bewaring onrechtmatig moet worden geacht. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit het voornemen blijkt dat deze is verzonden aan ‘Advocaat Hardoar’. Het voornemen is dus bekend gemaakt aan de asieladvocaat. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat eiser van de inhoud van het voornemen in kennis is gesteld en dus op de hoogte was van de stand van zaken van de asielprocedure. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Ambtshalve toets
5. De rechtbank ziet in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.