RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16606
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en
(gemachtigde: mr. G. Cambier).
Procesverloop
Bij besluit van 24 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Hij heeft op 1 april 2026 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 2 april 2026 een reactie daarop gegeven. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 2 april 2026.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2000 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
Grondslag van de maatregel
2. Eiser voert aan dat hij sinds 2020 in Spanje woont en ingeschreven staat in een gemeente aldaar. Spanje is gelet daarop verantwoordelijk voor de asielprocedure van eiser. Eiser had dan ook op grond van artikel 59a van de Vw in bewaring moeten worden gesteld.
3. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Voorafgaand aan zijn bewaring is eiser door de Belgische autoriteiten aan Nederland overgedragen in het kader van de Dublinverordening. Uit de brief van verweerder van 2 april 2026 volgt dat eiser na indiening van zijn asielaanvraag in Nederland door verweerder is opgenomen in de nationale procedure. De Dublinverordening is dan ook niet van toepassing in het geval van eiser. Verder heeft verweerder toegelicht dat ook geen sprake was van een indicatie dat Spanje op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk was voor de asielaanvraag van eiser, nu hij tijdens het gehoor niet heeft verklaard over zijn verblijf in Spanje en er geen sprake is van een Eurodac-treffer.
Maatregel van bewaring
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag.
Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;3j. aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen, en zijn aanvraag met toepassing van de grensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten
grondslag liggen niet heeft betwist. De zware gronden 3a, 3b, 3c en 3d en de lichte gronden 4a, 4c en 4d zijn feitelijk juist en voor zover nodig voldoende toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel dragen.
Ambtshalve toets
6. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van
bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 7 april 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.