ECLI:NL:RBDHA:2026:8027

ECLI:NL:RBDHA:2026:8027

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-04-2026
Datum publicatie 07-04-2026
Zaaknummer NL25.44640
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

VA. Irak. Ontheemdenkamp in de KAR. Adequate opvang. Beroep is gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.44640

geboren op [geboortedatum] ,

van Iraakse nationaliteit,

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler),

en

(gemachtigde: mr. M. Weerman).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 4 september 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Daarbij is ook geen reguliere verblijfsvergunning of uitstel van vertrek verleend. Aan eiseres is wel een terugkeerbesluit opgelegd, waarin is bepaald dat eiseres Nederland binnen vier weken moet verlaten en moet terugkeren naar Irak.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De minister heeft hierop gereageerd in een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres is in 2014 samen met haar familie gevlucht uit haar woonplaats Til Ezer (regio Sinjar) vanwege de aanval van IS op de jezidi-gemeenschap. Eiseres en haar familie zijn vervolgens in het vluchtelingenkamp Shariya in de KAR terechtgekomen. Eiseres heeft daar gewoond totdat zij in augustus 2022 Irak heeft verlaten met haar nicht en het gezin van haar nicht. Eiseres heeft verklaard persoonlijk geen problemen te hebben gehad omdat ze jezidi is, maar zag wel dat andere jezidi’s gediscrimineerd werden. Zo zijn haar broer en zus bedreigd omdat zij jezidi zijn en kunnen haar vader en broer om diezelfde reden moeilijk werk vinden. Eiseres heeft Irak verlaten omdat het daar gevaarlijk is voor jezidi’s en om haar zieke moeder te helpen die moet worden geopereerd. Eiseres is bang voor de verschillende partijen die aanwezig zijn in de regio Sinjar. Eiseres ziet voor zichzelf geen toekomst in Irak, omdat zij jezidi is.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

De minister acht de asielmotieven geloofwaardig. De minister stelt zich echter op het standpunt dat uit de verklaringen van eiseres niet blijkt dat zij bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade. Hiertoe wijst de minister op de beleidswijziging met betrekking tot Irak, waarin staat aangegeven dat jezidi niet langer worden aangemerkt als risicoprofiel. Verder stelt de minister dat eiseres ook op individuele gronden niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer dusdanig gediscrimineerd wordt dat het voor haar onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. De minister heeft het vluchtelingenkamp Shariya als normale woon- en verblijfplaats voor eiseres vastgesteld, omdat zij daar acht jaar legaal heeft verbleven. In dat kader overweegt de minister dat de humanitaire situatie in de vluchtelingenkampen in de KAR in zijn algemeenheid niet tot de conclusie leidt dat eiseres op grond daarvan een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Ook heeft eiseres haar vrees, dat zij zou door de groeperingen PKK, YPG of Al-Hashd-Shaabi zou worden benaderd om zich bij hen aan te sluiten, niet aannemelijk gemaakt en heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij persoonlijk te vrezen heeft voor ontvoering of rekrutering door een van de partijen. Verder overweegt de minister dat er adequate opvang beschikbaar is voor eiseres in Irak. De ouders zijn nog steeds in Irak. Zij hebben tot het vertrek van eiseres altijd voor haar gezorgd. En ook nu heeft eiseres dagelijks contact met haar ouders. De telefoonnummers van de ouders zijn bekend, zodat hun precieze adres makkelijk achterhaald kan worden.

Heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat eiseres bij terugkeer naar Irak niet te vrezen heeft?

5. Eiseres voert aan dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de omstandigheden voor jezidi’s in Irak en naar de omstandigheden in het vluchtelingenkamp in de KAR. Ter onderbouwing wijst eiseres op de door haar in de zienswijze vermelde bronnen. Eiseres stelt dat hieruit volgt dat er voor haar te grote beperkingen zijn om op humane wijze te leven in Irak. Ook heeft de minister onvoldoende inzichtelijk gemotiveerd dat het vluchtelingenkamp in de KAR voor eiseres kan worden aangewezen als normale woon- en verblijfplaats. Eiseres wijst op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 4 februari 2025. Verder voert eiseres aan dat zij is verwesterd. Het is voor haar niet mogelijk is om zich bij terugkeer weer aan te passen aan de zeer conservatieve opvattingen ten aanzien van vrouwen in Irak en dit kan ook niet van haar worden verlangd. Ter onderbouwing verwijst eiseres naar de overgelegde brief van Nidos van 5 maart 2026 en overgelegde de brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 4 maart 2026.

De rechtbank stelt vast dat de minister het ontheemdenkamp Shariya in Duhok beschouwt als normale woon- of verblijfsplaats van eiseres. In haar uitspraak van 4 februari 2025 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat door de minister niet inzichtelijk is gemotiveerd wat nu heeft gemaakt dat sinds 2024 anders wordt aangekeken tegen het aanmerken van de ontheemdenkampen in de KAR, waartoe ook Shariya behoort, als normale woon- of verblijfplaats van jezidi’s die afkomstig zijn uit de Sinjar-regio. In het in 2019 geldende beleid is vastgesteld dat ontheemde jezidi’s het bovengemiddeld zwaar hadden in de KAR en daar niet, naar lokale maatstaven gemeten, op een normaal niveau konden functioneren. Medio 2024 is besloten dat deze ontheemdenkampen in de KAR wel kunnen worden beschouwd als normale woon- en verblijfplaats voor jezidi’s uit de Sinjar-regio. Deze beleidswijziging heeft deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak van 4 februari 2025 onvoldoende inzichtelijk gemotiveerd geacht. In de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 27 februari 2025, 8 juli 2025 en 18 augustus 2025 is dit standpunt herhaald. In haar uitspraak van 24 november 2025 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat dit ook heeft te gelden voor de situatie van jezidi’s die buiten de ontheemdenkampen in de KAR wonen. Ook in die gevallen dient de minister uiteen te zetten wat maakt dat voor de jezidi’s de situatie medio mei 2024 in de KAR verbeterd is.

De rechtbank constateert dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat de minister de feitelijke situatie in het ontheemdenkamp of in zijn algemeenheid in de KAR voor jezidi’s heeft onderzocht. Evenmin is aangegeven waaruit blijkt dat de situatie in het kamp is verbeterd sinds 2019. Daar komt bij dat er op 7 november 2025 een Thematisch ambtsbericht is verschenen waarin uitgebreid de huidige situatie in de kampen in de KAR wordt beschreven. Volgens het Thematisch ambtsbericht heeft het federale ministerie van Migratie en Ontheemding in januari 2024 besloten om de 23 op dat moment resterende formele vluchtelingenkampen onder het gezag van de Koerdische regionale regering, waaronder ook Shariya, te sluiten. Dit besluit is uitgesteld maar leidde volgens het thematisch ambtsbericht desondanks tot terugtrekking van hulp en het vertrek van verschillende (internationale) organisaties. Daarbij hebben de kortingen van de regering van president Trump ten aanzien van de USAID gemaakt dat veel (lokale) hulporganisaties hun activiteiten hebben moeten staken. Dit resulteerde volgens het thematisch ambtsbericht in een gebrek aan basisvoorzieningen, gebrek aan medische zorg, gebrek aan psychosociale ondersteuning en slechte leefomstandigheden in de kampen. In het licht van deze informatie is de rechtbank van oordeel dat de minister niet alleen heeft nagelaten te motiveren waarom de KAR als normale woon- of verblijfplaats van jezidi’s uit de Sinjar-regio kan worden aangemerkt, maar bovendien onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de huidige situatie in de ontheemdenkampen niet maakt dat eiseres bij terugkeer daarheen een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, zoals volgt uit het arrest Sufi en Elmi. Gelet op het voorgaande is er sprake van een motiveringsgebrek. Het besluit kan dan ook geen standhouden. Voor het in stand laten van de rechtgevolgen van het besluit bestaat gezien het voorgaande geen aanleiding. Het besluit zal dan ook worden vernietigd.

De rechtbank stelt in het verlengde hiervan vast dat eiseres in beroep voor het eerst naar voren heeft gebracht dat zij zodanig verwesterd is dat zij niet kan terugkeren naar Irak. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat dit nieuwe asielmotief niet betrokken hoeft te worden in onderhavig beroep, omdat dit het beroep ontoelaatbaar vertraagt zoals bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Vw. De rechtbank overweegt dat aangezien de minister op grond van het hiervoor vastgestelde motiveringsgebrek een nieuw besluit zal moeten nemen het voor de hand ligt dat de minister het beroep op verwestering daarbij ook zal meenemen.

Heeft de minister voldoende gemotiveerd dat er adequate opvang beschikbaar is voor eiseres in Irak?

6. Eiseres voert aan dat de minister ook onvoldoende heeft gemotiveerd dat er voor haar adequate opvang beschikbaar is in Irak. Eiseres betoogt dat haar minderjarigheid met zich meebrengt dat zij als bijzonder kwetsbaar moet worden aangemerkt. De minister heeft in het bestreden besluit dan ook onvoldoende afgewogen in hoeverre haar ouders adequate opvang kunnen bieden onder de omstandigheden waarin zij verkeren. De minister heeft eiseres hier onvoldoende over gehoord. Tijdens het nader gehoor is onvoldoende doorgevraagd, ook is de besluitvorming niet aangepast op het kindniveau en zijn geen inlichtingen ingewonnen bij de voogd. Bovendien is eiseres onvoldoende in staat gebleken om alle relevante informatie te verschaffen over de barre omstandigheden waarin haar familie verkeert. Ter onderbouwing wijst eiseres op de door haar in beroep overgelegde brief van Nidos van 5 maart 2026, foto’s en brief van Vluchtelingenwerk Nederland van

25 februari 2026.

De rechtbank is van oordeel dat de minister de leefomstandigheden van de ouders van eiseres ten onrechte niet heeft betrokken bij de vraag of er voor eiseres sprake is van adequate opvang bij haar ouders. Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2023, waar de minister naar verwijst, volgt niet dat er helemaal niet behoeft te worden gekeken naar de (leef)omstandigheden op de plek waar de minderjarige vreemdeling naar moet terugkeren. Dat de ouders van eiseres een zorgplicht hebben en dat zij zelf kunnen bepalen waar zij eiseres opvangen, maakt dit niet anders. Dit betekent namelijk nog niet dat het verblijf bij de ouders voor eiseres verantwoord is. De minister had in deze situatie dan ook onderzoek moeten doen naar de leefomstandigheden in het dorp van de ouders van eisers. Ook is niet onderzocht of het voor de ouders mogelijk is om zich naar een andere plaats te begeven. De stelling namens de minister dat haar ouders met eiseres terug kunnen keren naar het vluchtelingenkamp in de KAR en dat er ook daar sprake is van adequate opvang had de minister eveneens moeten motiveren, gezien hetgeen de rechtbank heeft overwogen onder 5.1 en 5.2. Ook dat heeft de minister ten onrechte niet gedaan. Ook deze beroepsgrond slaagt.

Heeft de minister aan eiseres een terugkeerbesluit kunnen opleggen?

7. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte een terugkeerbesluit heeft opgelegd omdat zij over een Griekse verblijfsvergunning beschikt.

De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat de minister de Griekse autoriteiten op de hoogte heeft gesteld van de uitkomst van de in Nederland gevolgde asielprocedure en dat ook niet is gebleken dat de Griekse autoriteiten de verleende vluchtelingenstatus van eiseres hebben ingetrokken. De rechtbank is van oordeel dat de minister geen terugkeerbesluit kan nemen in zaken van Griekse statushouders voordat hij de uitkomst van zijn beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een asielstatus heeft gedeeld met de Griekse autoriteiten en deze in reactie hierop hebben aangegeven dat zij aanleiding zien om de verleende asielstatus in te trekken. Het terugkeerbesluit is daarom ten onrechte aan eiseres opgelegd. Het voorgaande betekent dat er ten aanzien van het terugkeerbesluit sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek en dat ook deze beroepsgrond van eiseres slaagt.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. De minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Eiseres krijgt een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank, op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vast op

€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 4 september 2025;

- draagt de minister op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt de minister in de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van

mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gespeudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?