Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/092181-25
Datum uitspraak: 20 maart 2026
Tegenspraak (art. 279 Sv)
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de meervoudige kamer verwezen zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres 1] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 6 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. T. Kuil en van hetgeen door verdachtes raadsvrouw mr. J.H. Rump naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is- na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 6 maart 2026 - ten laste gelegd dat:
1
zaak 2.1.
hij op of omstreeks 8 november 2024 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, althans in Nederland, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, de [adres 2] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, meerdere tassen en/of zonnebrillen en/of (gouden) sieraden en/of een portemonnee en/of € 11.000,- aan contant geld en/of munten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
2
zaak 2.2.
hij op of omstreeks 14 november 2024 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, de [adres 3] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, één of meerdere goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel met een
schroevendraaier, althans een scherp/puntig voorwerp, het raam heeft verbroken en/of heeft geforceerd en/of (vervolgens) het raam heeft geopend en/of (vervolgens) zich de toegang tot de woning heeft verschaft" terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
zaak 2.3.
hij op of omstreeks 14 november 2024 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, de [adres 4] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 3] in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel met een schroevendraaier, althans een scherp/puntig voorwerp, een raam heeft verbroken en/of heeft geforceerd en/of heeft ingeslagen en/of (vervolgens) het raam heeft geopend
en/of (vervolgens) zich de toegang tot de woning heeft verschaft, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4
zaak 2.4.
hij op of omstreeks 14 november 2024 te Voorburg, gemeente LeidschendamVoorburg, althans in Nederland, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, de [adres 5] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, geld en/of een ring, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
5
zaak 2.5.
hij op of omstreeks 16 november 2024 te Rijswijk, althans in Nederland, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, de [adres 6] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, horloges en/of geld (21.000 euro) en/of een ring en/of armbandjes, in elk geval enig goed,
dat/die geheel of ten dele aan [aangever 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte betrokken is geweest bij de ten laste gelegde feiten.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
In de periode van 8 november 2024 tot en met 16 november 2024 hebben woninginbraken plaatsgevonden op de [adres 2] in Voorburg (feit 1), de [adres 5] in Voorburg (feit 4) en de [adres 6] in Rijswijk (feit 5). Bij deze inbraken zijn (onder meer) contant geld en sieraden weggenomen. Daarnaast hebben in dezelfde periode woninginbraken plaatsgevonden op de [adres 3] in Voorburg (feit 2) en de [adres 4] in Voorburg (feit 3). Bij deze inbraken is niets weggenomen.
De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen, opgenomen in bijlage I, af dat de verdachte alle ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot deze conclusie is gekomen.
DNA-bewijs
In de woning op de [adres 2] te Voorburg is op de grond voor de kledingkast in een slaapkamer, een leeg sieradendoosje aangetroffen. Op de lade van dit sieradendoosje is een DNA-spoor veiliggesteld. Dit DNA-spoor is vergeleken met DNA-profielen in de DNA-databank voor strafzaken. Hierbij bleek dat er een match was met het DNA-profiel van de verdachte.
In de woning op de [adres 6] in Rijswijk is op het raam van de balkondeur aan de buitenzijde een vettige veeg aangetroffen. In die veeg is een DNA-spoor veiliggesteld, dat vervolgens is onderzocht. Uit dat onderzoek blijkt dat ook dit spoor matcht met het DNA-profiel van de verdachte.
Ten aanzien van beide DNA-sporen overweegt de rechtbank dat het, gelet op de plek waar deze sporen zijn achtergelaten, voor de hand ligt dat deze door de dader van de woninginbraak zijn achtergelaten. Uit het dossier blijkt dat het sieradendoosje in de woning op de [adres 2] is geopend en de inhoud daarvan is weggenomen door de dader.
Het DNA-spoor dat is aangetroffen bij de woning op de [adres 6] in Rijswijk is afkomstig van een vettige veeg op de buitenzijde van een ruit op de balkondeur, terwijl op het kozijn van dat balkondeur verschillende kras- en indruksporen zijn geconstateerd.
Werktuigsporen
De verdachte is op 17 november 2024 op heterdaad aangehouden tijdens een woninginbraak in Deventer. Bij de verdachte is toen een schroevendraaier aangetroffen en in beslag genomen. Uit het vergelijkend werktuigsporenonderzoek met betrekking tot deze inbeslaggenomen schroevendraaier en de aangetroffen (braak)sporen op de [adres 5] , [adres 4] en de [adres 3] is het volgende gebleken:
de werktuigsporen op de [adres 5] zijn waarschijnlijk veroorzaakt met voornoemde schroevendraaier;
de werktuigsporen op de [adres 4] zijn veroorzaakt met voornoemde schroevendraaier;
de werktuigsporen op de [adres 3] zijn zeer waarschijnlijk veroorzaakt met voornoemde schroevendraaier.
De uitkomsten van het vergelijkend werktuigensporenonderzoek wijzen erop dat de sporen zijn veroorzaakt met de schroevendraaier die een paar dagen later in beslag is genomen bij de verdachte. Gelet op het korte tijdsbestek tussen de inbraak in Deventer en de ten laste gelegde inbraken in Voorburg, gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte ook de gebruiker is geweest van de schroevendraaier op 14 november 2024. De rechtbank heeft in het dossier geen contra-indicaties aangetroffen die op het tegendeel wijzen.
Schakelbewijs
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is het gebruik van aan andere bewezen verklaarde, soortgelijke, feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als ondersteunend schakelbewijs toegelaten. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal van dat andere feit dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoont met het bewijsmateriaal van de te bewijzen feiten en dat duidt op een specifiek patroon in het gedrag van de verdachte, welk patroon herkenbaar aanwezig is in de voor het te bewijzen feit voorhanden zijnde bewijsmiddelen (de modus operandi),
De rechtbank stelt vast dat er sterke overeenkomsten zijn in de wijze waarop de ten laste gelegde woninginbraken zijn uitgevoerd. In de eerste plaats hebben alle aangevers verklaard dat toen zij thuis kwamen zij hun woning niet direct konden betreden omdat de dader een toegangsdeur van binnenuit had gebarricadeerd, dan wel op slot had gedaan. In de tweede plaats ziet de rechtbank een sterke overeenkomst in de keuze van het type woning waar door de dader werd ingebroken. Het ging in onderhavige zaken allemaal om portiekwoningen die zich bovendien (op één na) bij elkaar in de buurt bevinden.
Pleegperiode
De tenlastegelegde inbraken zijn binnen een tijdsbestek van iets meer dan een week gepleegd, waarvan een drietal op dezelfde dag.
Zwijgrecht
De hiervoor omschreven omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, zijn redengevend voor de betrokkenheid van de verdachte bij de inbraken en pogingen hiertoe. Het zijn omstandigheden die – zou van die betrokkenheid geen sprake zou zijn – zonder meer vragen om een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring. De verdachte heeft die verklaring niet gegeven, hij heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht.
Conclusie
De rechtbank komt gelet op het vorenstaande - de modus operandi, het DNA-bewijs, de werktuigsporen, de bij de verdachte aangetroffen schroevendraaier, de pleegperiode, in combinatie bezien, en het ontbreken van een ontzenuwende verklaring van de verdachte – tot de conclusie dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.
De bewezenverklaring
Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat de verdachte de bij dagvaarding tenlastegelegde feiten heeft begaan, te weten dat:
1
zaak 2.1.
hij op 8 november 2024 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, in een woning, de [adres 2] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, tassen en zonnebrillen en sieraden en een portemonnee en contant geld en munten, die geheel of ten dele aan [aangever 1] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
2
zaak 2.2.
hij op 14 november 2024 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in een woning de [adres 3] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, goederen, die geheel of ten dele aan [aangever 2] , toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en die weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, met een schroevendraaier, het raam heeft verbroken en heeft geforceerd en het raam heeft geopend en zich de toegang tot de woning heeft verschaft, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
zaak 2.3.
hij op 14 november 2024 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in een woning de [adres 4] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, goederen van zijn gading, die geheel of ten dele aan [aangever 3] toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en die weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, met een schroevendraaier een raam heeft verbroken en heeft geforceerd en het raam heeft geopend en zich de toegang tot de woning heeft verschaft, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4
zaak 2.4.
hij op 14 november 2024 te Voorburg, gemeente LeidschendamVoorburg, in een woning de [adres 5] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, geld dat geheel aan [aangever 4] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
5
zaak 2.5.
hij op 16 november 2024 te Rijswijk, in een woning de [adres 6] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, horloges en geld en een ring en armbandjes, die geheel aan [aangever 5] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat dat de verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De rechtbank overweegt dat de verdachte heeft ingebroken in drie woningen waarbij sieraden en geld zijn meegenomen en twee keer heeft ingebroken zonder iets mee te nemen. Dit zijn bijzonder kwalijke feiten, nu een woning bij uitstek een plek is waar iemand zich veilig moet kunnen voelen. Inbraken en pogingen daartoe veroorzaken vaak schade, overlast en gevoelens van angst bij de slachtoffers. Bovendien dragen dergelijke feiten ook bij aan de versterking van gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. De verdachte heeft zich blijkbaar enkel laten leiden door zijn eigen financiële belangen, zonder rekening te houden met de gevolgen van zijn handelen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 3 februari 2026 waaruit blijkt dat hij vóór het plegen van onderhavige feiten, niet eerder is veroordeeld. Daaruit blijkt dat hij eerder, vanaf eind 2021, en op 17 november 2024 woninginbraken heeft gepleegd of pogingen daartoe heeft gedaan, waarvoor hij na de onderhavige feiten is veroordeeld. Hiermee begint zich een crimineel patroon af te tekenen.
Strafmodaliteit en strafmaat
Gelet op de aard en ernst van de feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur. Bij de bepaling van de strafmaat heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin staat voor een woninginbraak door iemand zonder recidive als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden vermeld. De rechtbank houdt er rekening mee dat het in twee zaken bij een poging is gebleven, in die zin dat er geen goederen zijn weggenomen.. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat de verdachte na het plegen van de onderhavige feiten is veroordeeld tot een gevangenisstraf van aanzienlijke duur voor het plegen van woninginbraken of pogingen daartoe die die voor de onderhavige feiten hebben plaatsgevonden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
[aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 29.780,00 te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
[aangever 5] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 25.500,00 bestaande uit € 20.500,00 materiële schade en € 5.000,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Het standpunt van de officier van justitie
[aangever 1]
De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de vordering wat betreft de sieraden en het contante geld dient te worden toegewezen voor het deel dat niet door de verzekeraar is vergoed, te weten:
sieraden ter waarde van € 14.660,00 en contant geld ter hoogte van € 11.750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 november 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering voor het overige. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.
[aangever 5]
De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de vordering wat betreft het contante geld dient te worden toegewezen voor het deel dat niet door de verzekeraar is vergoed, te weten tot een bedrag van € 20.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 16 november 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. De benadeelde partij dient voor de overige (immateriële) schade niet- ontvankelijk te worden verklaard nu deze schadepost niet is onderbouwd. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van benadeelde partij [aangever 1] – uitgaande van een bewezenverklaring – kan worden toegewezen voor een bedrag van € 14.660,00 gelet op het taxatierapport dat door de benadeelde partij is ingebracht. De vordering dient ten aanzien van de overige posten niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat de vordering in zoverre onvoldoende is onderbouwd.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van benadeelde partij [aangever 5] voor zowel de materiele als de immateriële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu deze schade niet is onderbouwd.
Het oordeel van de rechtbank
[aangever 1]
De rechtbank gaat uit van de bedragen die zijn genoemd in het overzicht van de verzekeraar die als bijlage is gevoegd bij het formulier ‘verzoek tot schadevergoeding’.
Het overzicht bevat een overzicht van de schade per categorie en hieruit is op te maken of de schade niet, deels of geheel is vergoed.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering met betrekking tot de post ‘Inboedel – algemeen’. De vordering is wat dit onderdeel betreft namens de verdachte gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven de vordering nader te onderbouwen zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De post ‘sieraden taxatierapport’ in de categorie ‘Inboedel sieraden’ is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij in zoverre rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit. Deze post wordt ook niet betwist door de verdediging. De rechtbank zal deze post toewijzen voor een bedrag van € 14.660,00.
Met betrekking tot de categorie ‘Contanten’ zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering is wat dit onderdeel betreft namens de verdachte gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven de vordering nader te onderbouwen zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal de vordering voor zover deze ziet op de categorie ‘Huurdersbelang’ ad
€ 2.000,00 afwijzen, aangezien de benadeelde partij heeft verklaard dat deze kosten zijn voldaan door de vereniging van eigenaren en de benadeelde partij dus geen schade meer heeft.
De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 14.660,00.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over genoemd bedrag toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 8 november 2024 is ontstaan.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Nu verdachte voor het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 14.660,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 november 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [aangever 1] .
[aangever 5]
De vordering bestaat uit drie categorieën (contant geld, sieraden en immateriële schade).
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering is op deze onderdelen namens de verdachte gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven de vordering nader te onderbouwen zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De benadeelde partij zal in de proceskosten worden veroordeeld, aan de kant van de verdachte begroot op nihil.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen:
- 36f, 45, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid onder 5º, van het Wetboek van Strafrecht, vermelde omstandigheid;
ten aanzien van feit 2:
poging tot diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid onder 5º, van het Wetboek van Strafrecht, vermelde omstandigheid;
ten aanzien van feit 3:
poging tot diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid onder 5º, van het Wetboek van Strafrecht, vermelde omstandigheid;
ten aanzien van feit 4:
diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid onder 5º, van het Wetboek van Strafrecht, vermelde omstandigheid;
ten aanzien van feit 5:
diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid onder 5º, van het Wetboek van Strafrecht, vermelde omstandigheid;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) MAANDEN;
benadeelde partijen
[aangever 1]
wijst de vordering tot schadevergoeding met betrekking tot de post ‘Sieraden taxatierapport’ van de benadeelde partij [aangever 1] toe tot een bedrag van
€ 14.660,00 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 november 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 1] ;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij af voor zover deze betreft de categorie ‘huurdersbelang’;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van
€ 14.660,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 november 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 1] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 98 dagen;
de toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan een van de benadeelde partijen de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de betreffende benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
[aangever 5]
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten van de verdachte, begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.R. Aaron, voorzitter,
mr. H.P.M. Meskers, rechter,
mr. H.M.P. Hillenaar, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. V.A. Veenhuizen , griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 maart 2026.