ECLI:NL:RBDHA:2026:8062

ECLI:NL:RBDHA:2026:8062

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-04-2026
Datum publicatie 07-04-2026
Zaaknummer NL26.16083
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Eiser heeft een vrouw en kind in Frankijk. Zicht op uitzetting naar Algerije ontbreekt in het licht van het arrest Adrar, nu eiser declaratoir verblijfsrecht heeft in Frankrijk op grond van het arrest Chavez-Vilchez.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.16083

(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),

en

(gemachtigde: mr. J.P.M. Wuite).

Procesverloop

De minister heeft op 8 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als telefonische tolk heeft opgetreden O. Sennani. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1996.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 25 februari 2026 (in de zaak NL26.8853) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 23 februari 2026.

4. Eiser voert aan dat hij een vrouw en kind heeft in Frankrijk. Hij mag daar ook werken; hij is namelijk ingeschreven als zelfstandig werkende. Eiser heeft ter onderbouwing op 24 maart 2026 stukken overgelegd, namelijk een Franstalige geboorteakte van zijn dochter waarop hij als vader staat vermeld, een Franstalig stuk waaruit volgt dat hij zelfstandig mag werken als auto-ondernemer en een Franstalig huurcontract van de gezamenlijke woning in Frankrijk waarop zijn naam staat. Op 26 maart 2026 heeft eiser aanvullende stukken overgelegd, namelijk een Franstalige oproeping van de Franse rechtbank voor een zitting bij de bestuursrechter op 7 april 2026 (uit eisers toelichting blijkt dat het gaat om een zitting over een verblijfsvergunning), een aanvraagdossier van een verblijfsvergunning in Frankrijk van een aanvraag van 4 augustus 2025. Op 3 april 2026, na aankondiging daarvan op de zitting, heeft eiser aanvullende stukken overgelegd, namelijk een kopie van de Franse verblijfsvergunning van eisers vrouw, een kopie van de huwelijksakte van eiser en zijn vrouw en de identiteitskaart van hun dochter. Eiser stelt dat hem de gelegenheid moet worden geboden naar Frankrijk terug te keren naar zijn gezin. Materieel gezien heeft eiser daar verblijfsrecht en het is disproportioneel om hem eerst terug te laten keren naar Algerije terwijl er nog een verblijfsprocedure loopt in Frankrijk.

5. De minister heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat eiser moet aantonen dat hij verblijfsrecht heeft in Frankrijk, maar daar niet in is geslaagd. Het is niet voldoende dat eiser het aannemelijk probeert te maken. Bovendien heeft de regievoerder naar aanleiding van de op 26 maart 2026 overgelegde stukken navraag gedaan bij de Franse autoriteiten. Daaruit is gebleken dat eiser geen verblijfsrecht heeft in Frankrijk. De enkele aanwezigheid van een vrouw en kind in Frankrijk, is onvoldoende voor de conclusie dat hij daar verblijfsrecht heeft. Hij moet daartoe immers een aanvraag doen en alleen Frankrijk kan hem een verblijfsstatus toekennen. Ook het feit dat hij is uitgenodigd bij een Franse bestuursrechter, wil niet zeggen dat hij verblijfsrecht heeft. Op de uitkomst daarvan kan niet worden vooruitgelopen. Nu niet is gebleken dat eiser verblijfsrecht heeft in Frankrijk, kan hij worden uitgezet naar Algerije. Indien gewenst kan hij vanuit Algerije een verblijfsvergunning bij zijn gezin in Frankrijk aanvragen. De minister wijst daarbij ook op de uitspraak van 27 januari 2026 over het terugkeerbesluit naar Algerije en het eerste beroep, welke uitspraak door de Afdeling in stand is gelaten. Daarin was ook geoordeeld dat onvoldoende is gebleken dat eiser verblijfsrecht heeft in Frankrijk.

6. Het Hof van Justitie heeft in het arrest Adrar geoordeeld dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven zich verzetten tegen de uitzetting als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Voor wat betreft het familie- en gezinsleven geeft het Hof aan dat deze rechten niet absoluut zijn en wijst het Hof op de plicht tot loyale samenwerking die op de illegale derdelander rust en hem gebiedt om de bevoegde nationale autoriteit onverwijld in kennis te stellen van relevante ontwikkelingen in zijn familie- en gezinsleven. Het belang van het kind moet een eerste overweging zijn en door de minister actief en zichtbaar worden meegewogen.

7. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het verblijfsrecht van eiser in Frankrijk en overweegt daartoe als volgt.

Uit de voortgangsrapportage blijkt dat Team Nationaliteit & Identiteit op 13 januari 2026 navraag heeft gedaan bij de Franse liaison naar aanleiding van de foto van de geboorteakte van eisers dochter. Daarbij is de vraag gesteld of er door eiser identiteitsdocumenten zijn overgelegd bij de aangifte. Op 27 januari 2026 heeft Team Nationaliteit & Identiteit een negatief resultaat ontvangen met een tekstbol van de liaison waarin staat dat de liaison niets heeft terug gehoord van de Franse autoriteiten en dat dit soort verzoeken helaas maar zelden tot resultaat leidt. De rechtbank overweegt dat hieruit ten eerste slechts blijkt dat aan de Franse autoriteiten is gevraagd of zij in het bezit zijn van documenten van eiser en dat dus niet is gevraagd naar de verblijfsstatus van eiser. Ten tweede blijkt hieruit dat daarop geen antwoord is ontvangen, waardoor aan dat negatieve resultaat geen conclusies kunnen worden verbonden.

Uit de e-mail van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) van 17 maart 2026 volgt alleen de mededeling: ‘Graag wil ik u laten weten dat er onderzoek is gedaan door ons team Nationaliteit & Identiteit waaruit is gebleken dat betrokkene geen verblijfsrecht heeft. Omdat het onderzoek een negatief resultaat heeft, kunnen wij geen claim verzoek doen.’ Daaruit blijkt niet dat de door eiser op 16 maart 2026 aangekondigde stukken (die uiteindelijk zijn overgelegd op 24 maart 2026) bij eiser zijn opgevraagd, of dat naar aanleiding hiervan opnieuw navraag is gedaan bij de Franse autoriteiten. De DT&V lijkt hierop slechts het resultaat van 27 januari 2026 te hebben herhaald.

Naar aanleiding van de door eiser overgelegde stukken van 26 maart 2026, waarbij ook de op 24 maart 2026 toegezonden stukken zijn meegezonden, heeft de regievoerder op 26 maart 2026 wel navraag gedaan of eiser verblijfsrecht heeft in Frankrijk bij het Gemeenschappelijk Grens Coördinatiecentrum (Dutch and German Police Coördination Center). Daarop is geantwoord: ‘Er is geen document of aanvraag bekend bij de Franse collega’s’. Daargelaten dat onduidelijk is of dat Gemeenschappelijk Grens Coördinatiecentrum, die kennelijk onder de Nederlandse en Duitse autoriteiten valt, de juiste instantie is om een dergelijke navraag te doen, blijkt ook niet dat zij daadwerkelijk contact hebben gezocht met de Franse autoriteiten en dat de overgelegde stukken daarbij zijn meegezonden of zelfs maar zijn beschreven. Gelet op de inhoud van het antwoord zou dit evenwel een herhaling kunnen zijn van de op 27 januari 2026 geregistreerde uitkomst van de liaison, aangezien ook hierin alleen wordt gesproken over een document of aanvraag en niet over een verblijfsstatus.

De rechtbank is van oordeel dat de voornoemde contacten niet de conclusie kunnen dragen van de DT&V in de e-mails van 17 en 26 maart 2026 dat eiser op dit moment geen verblijfsrecht heeft in Frankrijk, omdat niet is gevraagd naar verblijfsrecht en niet is gebleken dat er daadwerkelijk contact tot stand is gekomen met de Franse autoriteiten.

8. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gemotiveerd dat de uitvoering van het terugkeerbesluit in dit geval niet in strijd is met het familie- en gezinsleven van eiser. Hoewel in het eerste beroep, dat ten grondslag lag aan de uitspraak van 27 januari 2026, al veel van de stukken (en enkele andere stukken) zijn overgelegd, hecht de rechtbank waarde aan de nu eerst overgelegde huwelijksakte en de geboorteakte waaruit de relatie tussen eiser en zijn vrouw en kind kan worden afgeleid en de stukken over de Franse procedure in een aanvraag tot een verblijfsvergunning. De rechtbank overweegt dat eiser op grond van het arrest Chavez-Vilchez in Frankrijk een afgeleid verblijfsrecht kan ontlenen aan het Unierecht. Dit is een declaratoir verblijfsrecht en is dus niet afhankelijk van de vaststelling daarvan door de autoriteiten van Frankrijk. Niet is gebleken dat eiser de toegang tot Frankrijk zal worden ontzegd, omdat daar geen onderzoek naar is gedaan op basis van de nu overgelegde stukken. Hij kan dan in Frankrijk een aanvraag voor een verblijfsvergunning doen op basis van een afgeleid verblijfsrecht. Daarbij wijst de rechtbank op het verschil tussen het bestaan van declaratoir verblijfsrecht en het verkrijgen van een verblijfsvergunning. De minister had eiser daarom een aanzegging moeten doen Nederland te verlaten en naar Frankrijk terug te keren. Dat maakt dat de bewaringsmaatregel op dit moment niet op de terugkeer naar Algerije kan zijn gericht en dat hierom het zicht op uitzetting naar Algerije ontbreekt. Omdat eiser pas op 3 april 2026 de doorslaggevende onderbouwing heeft overgelegd van zijn stelling dat hij een beschermenswaardig gezinsleven heeft in Frankrijk, is de maatregel van bewaring pas vanaf die datum onrechtmatig.

9. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is met ingang van 3 april 2026 onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag.

10. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 1 dag onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 1 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 120,-.

11. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 120,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. van der Winkel, rechter, in aanwezigheid van S. Hitijahubessy - Brussaard, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.R. van der Winkel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?