RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16347
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en
(gemachtigde: mr. G. Cambier).
Procesverloop
Bij besluit van 23 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Hij heeft op 26 maart 2026 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 2 april 2026 een reactie op de gronden van beroep gegeven. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 2 april 2026.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2007 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
Grondslag van de maatregel
2. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte artikel 59b van de Vw aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Uit het dossier blijkt dat eiser in Spanje en Frankrijk geregistreerd staat. Het is dan ook aannemelijk dat Spanje of Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser op grond van de Dublinverordening.
3. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Verweerder heeft namelijk in zijn brief van 2 april 2026 toegelicht dat eiser in de nationale procedure is opgenomen en dat het nader gehoor reeds heeft plaatsgevonden. Gelet daarop is de Dublinverordening niet op eiser van toepassing. Verweerder heeft dan ook terecht artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd.
Maatregel van bewaring
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag.
Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten
grondslag liggen niet heeft betwist. Deze zware en lichte gronden zijn feitelijk juist en voor
zover nodig voldoende toegelicht in de maatregel van bewaring. De gronden kunnen de
maatregel dragen.
Ambtshalve toets
6. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van
bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 7 april 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.