RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.25015
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer 1] , eiseres, mede namens haar minderjarige kinderen:
[minderjarige 1] , V-nummer: [V-nummer 2] ,
[minderjarige 2] , V-nummer: [V-nummer 3] ,
[minderjarige 3] , V-nummer: [V-nummer 4] en
[minderjarige 4] , V-nummer: [V-nummer 5] ,
(gemachtigde: mr. J. Sinnema),
en
(gemachtigde: mr. W. Epema).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft eiseres ten onrechte niet aanvullend gehoord over haar gestelde bekering. Ook heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat eiseres geen risico loopt op ernstige schade vanwege eerwraak, huiselijk geweld en femicide. Daarnaast heeft de minister de belangen van de kinderen onvoldoende inzichtelijk meegewogen bij de beoordeling van de asielaanvraag. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1985. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 mei 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, O.M. Karim als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Wat is het asielrelaas van eiseres?
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres is samen met haar (inmiddels voormalige) echtgenoot en de kinderen naar Nederland gekomen. De problemen tussen eiseres en haar voormalige echtgenoot zijn erger geworden, waarna zij in Nederland officieel van hem is gescheiden. Haar voormalige echtgenoot bedreigt haar, stalkt haar en wil de kinderen meenemen naar Libië. Bij terugkeer naar Algerije vreest eiseres voor het leven van haar kinderen, onder meer omdat de kinderen vanwege hun Libische nationaliteit geen rechten zullen hebben in Algerije. Daarnaast vreest zij voor haar eigen leven, omdat haar voormalige echtgenoot connecties heeft in Algerije en tot een rijke en machtige familie behoort. Hij stuurt berichten naar haar dat hij haar zal vinden in Algerije en haar wat aan zal doen. Hij bedreigt ook de familie van eiseres. In Libië heeft eiseres ook veel problemen met hem gehad. Hierdoor is het leven van eiseres in zowel Libië als Algerije in gevaar.
Eiseres stelt later dat zij bij terugkeer naar Algerije ook vreest problemen te krijgen vanwege haar afvalligheid en bekering. Zij hangt het islamitische geloof niet meer aan en heeft zich bekeerd tot het christendom. Zij draagt geen hoofddoek meer.
Wat is het standpunt van de minister in het bestreden besluit?
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres;
de bedreigingen door haar voormalige echtgenoot.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat beide asielmotieven geloofwaardig zijn. Hij vindt echter dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanwege deze asielmotieven te vrezen heeft voor vervolging of een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.
Had de minister eiseres aanvullend moeten horen over haar gestelde afvalligheid en bekering?
Wat is het betoog van eiseres?
5. Eiseres voert aan dat de minister haar ten onrechte niet aanvullend heeft gehoord naar aanleiding van haar verklaringen over haar afvalligheid en bekering en haar vrees mede daardoor haar kinderen kwijt te raken. Gelet op de samenwerkingsplicht had de minister dit moeten doen.
Wat is het standpunt van de minister?
Op zitting heeft de minister benadrukt dat geloofwaardig is dat eiseres het islamitische geloof niet meer aanhangt en dus afvallig is. De minister stelt zich echter op het standpunt dat eiseres zowel tijdens het nader gehoor als in de correcties en aanvullingen niet heeft gesteld dat zij daarom te vrezen heeft. Volgens de minister blijkt ook nergens uit dat zij bij terugkeer naar Algerije problemen zal krijgen omdat zij geen hoofddoek draagt en het islamitische geloof niet meer aanhangt. Uit de Algerijnse wet blijkt dat iedereen het recht heeft om zijn geloof te uiten, zolang zij de openbare orde en regelgeving respecteren. Blasfemie is strafbaar, maar afvalligheid niet. Het dragen van een hoofddoek is ook geen verplichting volgens de minister. Op zitting heeft de minister verder aangegeven dat de enkele stelling dat eiseres is bekeerd onvoldoende is om van bekering uit te gaan. Eiseres heeft pas in de zienswijze naar voren gebracht dat ze zou zijn bekeerd en dit is niet onderbouwd. De omstandigheden die eiseres naar voren heeft gebracht, duiden meer op afvalligheid. Het is ook speculatief en een toekomstige onzekere gebeurtenis dat de afvalligheid en gestelde bekering extra redenen zouden zijn de kinderen te verliezen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
De rechtbank stelt voorop dat het aan eiseres is om haar asielrelaas naar voren te brengen. Tegelijkertijd rust op verweerder een samenwerkingsplicht. De vraag of verweerder in een individuele zaak heeft voldaan aan zijn samenwerkingsplicht, dient per geval beantwoord te worden. Een manier om te voldoen aan die plicht is door het voldoende doorvragen over de persoonlijke ervaringen van een vreemdeling in zijn land van herkomst en de situatie waarin de vreemdeling zal komen te verkeren bij terugkeer. Eiseres heeft ten tijde van het nader gehoor aangevoerd dat zij eerst geen hoofddoek droeg en toen problemen kreeg op straat. Daarna is zij wel een hoofddoek gaan dragen, maar in Nederland draagt zij geen hoofddoek meer. De minister heeft niet doorgevraagd op deze verklaring van eiseres. In de zienswijze heeft eiseres aangevuld dat zij vanwege haar Westerse levensstijl gevaar zal lopen, en er daarbij nogmaals op gewezen dat zij geen hoofddoek meer draagt. In de aanvullende zienswijze vult eiseres aan dat zij zich heeft bekeerd en het islamitische geloof niet meer aanhangt. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiseres naar aanleiding hiervan en gezien de samenwerkingsplicht ten onrechte niet aanvullend heeft gehoord vanwege haar gestelde bekering. Aangezien eiseres niet aanvullend is gehoord, blijft de vraag of het geloofwaardig is dat zij is bekeerd onbeantwoord. Ook is daardoor niet onderzocht wat de mogelijke gevolgen zijn van deze gestelde bekering voor de situatie van eiseres en de kinderen in Algerije, wat met name klemt gelet op de stelling van eiseres dat bij een bekering het gezag over de kinderen automatisch aan de andere ouder wordt toegewezen. Het heeft daarom ook geen zin eiseres een nieuwe asielaanvraag te laten indienen met de bekering als nieuw asielmotief. Het gaat er juist om dat de andere asielmotieven van eiseres in samenhang met de gestelde bekering worden beoordeeld. Deze beroepsgrond slaagt.
Heeft eiseres voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een reëel risico loopt op ernstige schade op grond van artikel 3 van het EVRM vanwege eerwraak, huiselijk geweld of femicide?
Wat is het betoog van eiseres?
6. Eiseres voert aan dat zij bij terugkeer naar Algerije een risico loopt op ernstige schade wegens eerwraak, huiselijk geweld en femicide. Er is in het verleden sprake geweest van individuele mishandeling en huiselijk geweld door haar voormalige echtgenoot. Eerwraak, huiselijk geweld en femicide kunnen ook na een scheiding plaatsvinden. De echtscheiding zal bovendien niet automatisch worden erkend in Algerije, waardoor haar voormalige echtgenoot, in ieder geval enige tijd, alle rechten als partner en ouder kan blijven uitoefenen.
Daarnaast is de voormalige echtgenoot van eiseres ook meerdere keren tussen Libië en Nederland gereisd en heeft hij eiseres en de kinderen in Nederland kunnen vinden. Volgens eiseres duidt dit er ook op dat hij haar kan vinden in Algerije en haar wat aan zal doen.
Wat is het standpunt van de minister?
Dat sprake is van eerwraak, huiselijk geweld en femicide in Algerije wordt niet door de minister betwist. De minister stelt zich echter op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij persoonlijk een reëel risico loopt op ernstige schade. Uit de verklaringen van eiseres blijkt niet dat haar voormalige echtgenoot haar in Algerije zal vinden en haar iets aan zal doen. Hij heeft een andere nationaliteit en zij zijn van elkaar gescheiden. Weliswaar is geloofwaardig geacht dat eiseres door hem is bedreigd, maar eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze bedreigingen zullen worden uitgevoerd. Uit de verklaringen blijkt namelijk dat de dreigementen uitsluitend online hebben plaatsgevonden en niet fysiek zijn uitgevoerd. De stelling van eiseres dat deze dreigementen in de toekomst wel zullen worden uitgevoerd is gebaseerd op aannames. Ook blijkt volgens de minister niet dat eiseres als alleenstaande vrouw slachtoffer zal worden van eerwraak, huiselijk geweld of femicide. De door eiseres overgelegde landeninformatie over huiselijk geweld maken het standpunt niet anders, omdat dit niet op eiseres persoonlijk ziet.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
In het licht van het betoog van de minister dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij risico loopt op ernstige schade, wijst de rechtbank allereerst op artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn, waaruit volgt dat het feit dat de verzoeker in het verleden reeds is bloot gesteld aan vervolging of aan ernstige schade, of dat hij rechtstreeks is bedreigd met dergelijke vervolging of dergelijke schade, een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is en het risico op het lijden van ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.
De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres geen risico loopt op ernstige schade wegens eerwraak, huiselijk geweld en femicide. De tegenwerping dat de dreigementen uitsluitend online hebben plaatsgevonden en niet fysiek zijn uitgevoerd, kan geen stand houden omdat ook een bedreiging met ernstige schade een aanwijzing is dat de vrees van eiseres reëel is. De minister heeft zich bovendien ten onrechte op het standpunt gesteld dat deze vrees alleen is gebaseerd op aannames van eiseres dat de dreigementen in de toekomst zullen worden uitgevoerd. Daarbij heeft de minister immers niet kenbaar betrokken hetgeen door eiseres aan stukken is overgelegd, ter onderbouwing van huiselijk geweld wat in Libië en Nederland reeds heeft plaatsgevonden. Dat is gelet op hetgeen hierover in de Kwalificatierichtlijn is bepaald een duidelijke aanwijzing om aan te nemen dat eiseres een reëel risico op het lijden van ernstige schade in de toekomst loopt. Daarbij is van belang dat eiseres op zitting heeft verklaard dat haar voormalige echtgenoot aan de deur van de opvanglocatie heeft gestaan en dat zij drie maanden op een locatie van Fier heeft moeten verblijven, omdat zij gevaar liep vanwege hem.
De minister heeft voorts niet voldoende gemotiveerd welke goede redenen er zijn om aan te nemen dat ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Voor zover de minister in het voornemen heeft gesteld dat eiseres zich voor bescherming tot de Algerijnse autoriteiten kan wenden, geldt immers dat de minister in de bestreden beschikking niet heeft betwist dat eerwraak, huiselijk geweld en femicide een probleem zijn in Algerije, en voor het overige niet is ingegaan op de bronnen die eiseres heeft aangedragen ter onderbouwing van haar betoog dat zij geen bescherming zal kunnen krijgen. Deze beroepsgrond slaagt.
Heeft de minister de belangen van de kinderen, zoals verwoord in artikel 3 van het IVRK , voldoende meegewogen in de besluitvorming?
Wat is het betoog van eiseres?
7. Eiseres voert aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de kinderen. Bij de kinderen speelt veel problematiek. De zorgen over de kinderen worden bevestigd door de Raad voor de Kinderbescherming, wat blijkt uit een uitspraak van de civiele kamer van de rechtbank Noord-Nederland van 1 december 2025. De Raad voor de Kinderbescherming zal vanwege deze zorgen onderzoek doen en daarover rapporten uitbrengen. Deze zorgen zijn echter niet door de minister meegenomen in de besluitvorming. Daar komt bij dat de kinderen nooit in Algerije hebben gewoond en de taal niet spreken. In Nederland gaan de kinderen naar school en spreken zij de Nederlandse taal.
Wat is het standpunt van de minister?
De minister stelt zich op het standpunt dat de belangen van de kinderen voldoende zijn meegewogen bij de beoordeling van de asielaanvraag. De minister onderkent dat de kinderen niet eerder in Algerije hebben gewoond. Volgens de minister hebben de kinderen, gezien hun jonge leeftijd en relatief korte tijd in Nederland, echter nog geen zodanig sterke banden met Nederland opgebouwd dat niet van hen mag worden verwacht dat zij terugkeren naar een land waarvan zij de nationaliteit bezitten. Dat de kinderen inmiddels enkele jaren in Nederland verblijven, hier naar school gaan en de taal spreken, maakt volgens de minister de terugkeer naar Algerije niet onaanvaardbaar. De minister stelt dat niet aannemelijk is gemaakt dat terugkeer naar Algerije leidt tot een ernstige schending van de belangen van de kinderen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
De rechtbank is van oordeel dat de minister de belangen van de kinderen onvoldoende inzichtelijk heeft meegewogen. Het standpunt dat de kinderen geen sterke banden met Nederland hebben opgebouwd vanwege hun jonge leeftijd en relatief korte tijd in Nederland is daarvoor onvoldoende. Het is de rechtbank namelijk ook gebleken dat de beslissing in de familierechtelijke procedure is aangehouden tot mei 2026 en de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek doet naar de veiligheid en situatie van de kinderen. De Raad voor de Kinderbescherming zal uiterlijk in mei de rapporten uitbrengen. Het is van belang dat de minister de inhoud van deze rapporten betrekt bij de besluitvorming, zeker omdat eiseres op zitting heeft aangegeven dat de zorgen over de kinderen er al waren voor het besluit en dit ook blijkt uit de door eiseres overgelegde rapporten. Deze beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
8. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De overige beroepsgronden hoeven daarom niet nader te worden besproken. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag te nemen, aangezien het aan de minister is om eiseres aanvullend te horen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen, gelet op de aard en de hoeveelheid van de geconstateerde gebreken.
De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zestien weken.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 9 mei 2025;
- draagt de minister op binnen zestien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Tijssen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.