ECLI:NL:RBDHA:2026:8136

ECLI:NL:RBDHA:2026:8136

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-04-2026
Datum publicatie 07-04-2026
Zaaknummer NL25.33490
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

MK, bijzonder ernstig misdrijf. De rechtbank is van oordeel dat de minister kenbaar en deugdelijk heeft gemotiveerd, conform het arrest van het Hof van Justitie in de zaak M.A en de uitspraak van de Afdeling, dat en waarom het door eiser gepleegde misdrijf als bijzonder ernstig wordt aangemerkt. Het betoog van eiser dat alleen misdrijven als terrorisme en moord bijzonder ernstige misdrijven zijn, zonder in te gaan op de hiervoor genoemde criteria, biedt de rechtbank geen aanknopingspunt voor een ander oordeel. Daartoe overweegt de rechtbank dat op grond van het geheel van feiten en omstandigheden, ook andere misdrijven als bijzonder ernstig kunnen worden aangemerkt. Dat een gepleegd misdrijf een bepaalde kwalificatie heeft, zoals terrorisme, moord of verkrachting, is gelet op het voorgaande dan ook niet allesbepalend voor de vraag of sprake is van een bijzonder ernstig misdrijf. De minister moet deugdelijk motiveren waarom het gepleegde misdrijf hoort tot een van de misdrijven die de rechtsorde van de samenleving het meest aantasten. De minister heeft dat in deze zaak gedaan en de kwalificatie van het hier aan de orde zijnde misdrijf tezamen met andere relevante feiten en omstandigheden terecht betrokken in die beoordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.33490

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. M.R. Verdoner),

en

(gemachtigde: mr. W.J. Poot).

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van eisers verblijfsvergunning asiel. Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de intrekking van de verblijfsvergunning in stand kan blijven.

Procesverloop

2. Bij besluit van 26 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister eisers verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht ingetrokken vanaf 18 mei 2016. Eiser krijgt geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en hij krijgt geen uitstel van vertrek om medische redenen. De minister heeft aan eiser geen terugkeerbesluit en ook geen inreisverbod opgelegd, maar eiser heeft wel een vertrekplicht. Ook heeft de minister de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd afgewezen. Tot slot heeft de minister een besluit tot signalering voor tien jaar genomen.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser is met kennisgeving niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de minister de verblijfsvergunning asiel van eiser heeft mogen intrekken en of de minister de aanvraag om verlening heeft mogen afwijzen. Zij doet dat mede aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de intrekking van de asielvergunning en de afwijzing van de aanvraag tot verlening in stand kunnen blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Achtergrond

4. Eiser heeft op 20 juni 2014 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 25 september 2014 is de aanvraag ingewilligd en is een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw, met ingang van 20 juni 2014, geldig tot 20 juni 2019.

Op 20 maart 2019 heeft eiser een aanvraag ingediend om verlenging van zijn verblijfsvergunning. Op 26 augustus 2019 heeft de minister een voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunning uitgebracht. Bij besluit van 22 maart 2022 is de aanvraag tot verlenging ingewilligd en is de verblijfsvergunning verlengd tot 20 juni 2024.

Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 4 november 2022 blijkt dat eiser door het gerechtshof op 23 september 2021 onherroepelijk is veroordeeld tot veertig maanden gevangenisstraf wegens een gewelddadige verkrachting gepleegd op 18 mei 2016.

Op 17 november 2022 heeft de minister opnieuw een voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunning uitgebracht. Bij besluit van 2 oktober 2024 heeft de minister de verblijfsvergunning van eiser verlengd tot 20 juni 2029 en daarbij opgemerkt dat de intrekkingsprocedure blijft lopen.

De minister heeft op 14 april 2025 een aanvullend voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunning uitgebracht. Op 26 juni 2025 heeft de minister besloten eisers verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht in te trekken vanaf 18 mei 2016.

Het bestreden besluit

5. De verblijfsvergunning van eiser wordt door de minister ingetrokken, omdat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Deze bevoegdheid volgt uit artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Ook heeft de minister de glijdende schaal zoals weergegeven in artikel 3.86 van het Vb toegepast.

In het aanvullende voornemen heeft de minister aangegeven dat de vergunning wordt ingetrokken, omdat eiser een bijzonder ernstig misdrijf heeft gepleegd. Dat is een misdrijf dat gezien de specifieke kenmerken ervan van uitzonderlijke ernst is, in die zin dat het behoort tot de misdrijven die de rechtsorde van de betrokken samenleving het meest aantasten. De minister wijst op het arrest M.A van het Hof van Justitie. Bij het bepalen of er sprake is van een gevaar voor de gemeenschap moet de minister kijken of het gepleegde misdrijf naar zijn aard een gevaar voor de gemeenschap vormt. Verder moet het persoonlijk gedrag van betrokkene een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormen die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Dit is het Unierechtelijke openbare-ordecriterium. De minister wijst in dit verband op het arrest XXX van het Hof van Justitie van 6 juli 2023 en een uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2016. De minister wijst in dit verband ook op artikel 3.105d, tweede lid, aanhef en onder b, van het Vb en paragraaf C2/7.10.1 van de Vc.

Bij de beoordeling of sprake is van een bijzonder ernstig misdrijf heeft de minister aangegeven rekening te hebben gehouden met het soort misdrijf, de mate van aantasting van de rechtsorde, de maximale straf voor het misdrijf en de straf die eiser heeft gekregen, eventuele verzwarende of verzachtende omstandigheden, de vraag of het misdrijf opzettelijk is gepleegd, de aard en de omvang van de door het misdrijf veroorzaakte schade en de aard van de gevolgde strafprocedure.

Het oordeel van de rechtbank

Toetsingskader bijzonder ernstig misdrijf

6. Op grond van artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn kunnen de lidstaten van de Europese Unie een vluchtelingenstatus intrekken wanneer een vluchteling een gevaar vormt voor de samenleving van die lidstaat omdat hij definitief is veroordeeld voor een bijzonder ernstig misdrijf. Het Hof van Justitie heeft in het arrest van 6 juli 2023, in de zaak M.A. uitleg gegeven aan het begrip ‘bijzonder ernstig misdrijf’.

Vervolgens heeft de Afdeling in haar uitspraak van 19 maart 2025 uiteengezet hoe dit arrest in de Nederlandse context moet worden toegepast. De Afdeling heeft overwogen dat het begrip ‘bijzonder ernstig misdrijf’ gaat over misdrijven van buitengewone ernst en daarom strikt moet worden uitgelegd. De toepassing van deze bepaling vereist een volledig onderzoek naar alle omstandigheden van het specifieke geval. Bij de beoordeling van de ernst van het misdrijf moet de minister rekening houden met alle omstandigheden van het betrokken geval. Daarbij is de beoordeling van het gedrag van de vreemdeling door de strafrechter van aanzienlijk belang. Daarnaast zijn de aard van het misdrijf, de hoogte van de op het misdrijf gestelde straf en de hoogte van de opgelegde straf van essentieel belang. Dit betekent dat alleen misdrijven waarvoor een straf is opgelegd die in het licht van de in de lidstaat gebruikelijke strafmaat bijzonder zwaar is, bijzonder ernstig zijn. Ook moet de minister nagaan in welke mate het gepleegde misdrijf de rechtsorde van de samenleving heeft aangetast. De minister moet rekening houden met alle omstandigheden rond het plegen van het misdrijf, waaronder de vraag of het misdrijf opzettelijk is gepleegd, of er verzachtende of verzwarende omstandigheden zijn en wat de aard en omvang van de veroorzaakte schade is. Met media-aandacht of de publieke opinie mag bij de beoordeling geen rekening worden gehouden. Een lidstaat mag bij de toepassing van de bepaling minimumdrempels vaststellen, maar deze moeten in overeenstemming zijn met de in het arrest bedoelde mate van ernst en mogen het niet mogelijk maken dat een misdrijf zonder individuele beoordeling als ‘bijzonder ernstig’ wordt aangemerkt.

Standpunt minister

7. De minister heeft over het soort misdrijf en de straf aangegeven dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting en daarbij geweld heeft gepleegd. Het slachtoffer heeft daarbij letsel opgelopen. Uit het arrest van het gerechtshof blijkt dat het intimiderende en agressieve handelen van eiser een ernstige inbreuk op de lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer vormde. Hiermee heeft eiser de rechtsorde aangetast omdat hij een gevaar vormde voor een kwetsbare vrouw die zich veilig waande. De strafrechter is uitgegaan van de strafbedreiging die gold op de pleegdatum en heeft daarnaast ook gekeken naar de uitgangspunten die worden genoemd in de oriëntatiepunten van het LOVS. Daarbij gaat men bij verkrachting uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden. De strafrechter heeft eiser echter veroordeeld tot een fors hogere gevangenisstraf van 36 maanden en heeft daarbij betrokken dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan een brute verkrachting en alleen oog had voor zijn eigen lustgevoelens. Eiser heeft zich op geen enkele manier bekommerd om de schade die hij bij het slachtoffer heeft aangericht. Dit wordt bevestigd door het aangetroffen letsel bij het slachtoffer. Ze heeft zelfs voor haar leven gevreesd. In hoger beroep is de straf nog hoger uitgevallen en is eiser veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden. Dit alles laat volgens de minister zien dat ook de strafrechters vinden dat eiser een zeer ernstig misdrijf heeft gepleegd.

Als verzachtende omstandigheden heeft het gerechtshof bij de strafbepaling rekening gehouden met de lange duur van de procedure in hoger beroep, maar dit heeft enkel een strafvermindering van 2 maanden opgeleverd. Verder blijkt uit het vonnis en het arrest dat de verkrachting gepaard is gegaan met veel geweld tegen het slachtoffer en dat eiser het misdrijf opzettelijk heeft gepleegd. Ten aanzien van de aard en de omvang van de door het misdrijf veroorzaakte schade heeft de minister aangegeven dat seksuele delicten voor slachtoffers vaak ernstige en langdurige psychische gevolgen hebben. Volgens de strafrechter is dat in deze zaak zeker ook het geval. Het gerechtshof heeft het misdrijf eiser zeer ernstig aangerekend, zoals ook blijkt uit de bepaling van de schadevergoeding. Wat betreft de aard van de gevolgde strafprocedure heeft de minister aangegeven dat sprake was van een uitgebreid vonnis en een uitgebreid arrest. Hieruit blijkt dat de rechters rekening hebben gehouden met straffen die in soortgelijke zedenmisdrijven worden opgelegd, maar ook met de persoonlijke omstandigheden van eiser.

Wat vindt eiser

8. Eiser heeft niet betwist dat de minister op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw de aan eiser verleende vergunning kan intrekken. Eiser heeft evenmin betwist dat de minister de glijdende schaal, zoals neergelegd in artikel 3.86 van het Vb, juist heeft toegepast. Eiser bestrijdt het standpunt van de minister dat hij een bijzonder ernstig misdrijf heeft gepleegd. Volgens eiser zijn misdrijven als terrorisme en moord bijzonder ernstige misdrijven. Onder verwijzing naar het arrest XXX van het Hof van Justitie van 6 juli 2023 mogen bij de beoordeling of sprake is van een bijzonder ernstig misdrijf de keren dat eiser in aanraking is geweest met politie niet bij elkaar worden opgeteld.

Wat oordeelt de rechtbank

9. De rechtbank stelt vast dat de minister bij de beoordeling of sprake is van een bijzonder ernstig misdrijf heeft betrokken dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan een gewelddadige verkrachting en dat het slachtoffer daarbij letsel heeft opgelopen. Ook heeft de minister bij die beoordeling betrokken dat het intimiderende en agressieve handelen van eiser een ernstige inbreuk op de lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer vormde. Eiser heeft volgens de minister de rechtsorde aangetast, omdat hij een gevaar vormde voor een kwetsbare vrouw die zich veilig waande. In zoverre heeft de minister wat betreft de aard en ernst van het misdrijf gemotiveerd dat sprake is van een misdrijf van buitengewone ernst die de rechtsorde heeft aangetast.

De rechtbank stelt verder vast dat de minister ook de andere criteria zoals die zijn genoemd in de uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2025 bij de beoordeling heeft betrokken. Zo heeft de minister bij de beoordeling betrokken dat de strafrechters vinden dat eiser een zeer ernstig misdrijf heeft gepleegd. Ook heeft de minister de strafbedreiging en de uiteindelijke veroordeling bij de beoordeling betrokken. De minister heeft in dit verband naar het oordeel van de rechtbank terecht gewezen op de omstandigheid dat men bij verkrachting uitgaat van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden, terwijl eiser is veroordeeld tot een fors hogere gevangenisstraf van 36 maanden en in hoger beroep zelfs is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden.

Voorts stelt de rechtbank vast dat de minister bij de beoordeling heeft betrokken dat het gerechtshof rekening heeft gehouden met de lange duur van de procedure in hoger beroep, maar dit enkel een strafvermindering van 2 maanden heeft opgeleverd, dat eiser het misdrijf opzettelijk heeft gepleegd en dat de aard en de omvang van de door het misdrijf veroorzaakte schade ernstige en langdurige psychische gevolgen heeft. Over de aard van de gevolgde strafprocedure heeft de minister terecht aangegeven dat sprake was van een uitgebreid vonnis en een uitgebreid arrest, dat rekening is gehouden met straffen die in soortgelijke zedenmisdrijven worden opgelegd, maar ook met de persoonlijke omstandigheden van eiser.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister kenbaar en deugdelijk heeft gemotiveerd, conform het arrest van het Hof van Justitie in de zaak M.A en de uitspraak van de Afdeling, dat en waarom het door eiser gepleegde misdrijf als bijzonder ernstig wordt aangemerkt. Het betoog van eiser dat alleen misdrijven als terrorisme en moord bijzonder ernstige misdrijven zijn, zonder in te gaan op de hiervoor genoemde criteria, biedt de rechtbank geen aanknopingspunt voor een ander oordeel. Daartoe overweegt de rechtbank dat op grond van het geheel van feiten en omstandigheden, ook andere misdrijven als bijzonder ernstig kunnen worden aangemerkt. Dat een gepleegd misdrijf een bepaalde kwalificatie heeft, zoals terrorisme, moord of verkrachting, is gelet op het voorgaande dan ook niet allesbepalend voor de vraag of sprake is van een bijzonder ernstig misdrijf. De minister moet deugdelijk motiveren waarom het gepleegde misdrijf hoort tot een van de misdrijven die de rechtsorde van de samenleving het meest aantasten. De minister heeft dat in deze zaak gedaan en de kwalificatie van het hier aan de orde zijnde misdrijf tezamen met andere relevante feiten en omstandigheden terecht betrokken in die beoordeling. De beroepsgrond van eiser slaagt dus niet.

Het betoog van eiser dat de keren dat hij met politie en justitie in aanraking is geweest niet bij elkaar mogen worden opgeteld treft geen doel. De minister heeft alleen de onherroepelijke veroordeling van de door eiser gepleegde gewelddadige verkrachting ten grondslag gelegd aan de beoordeling of sprake is van een bijzonder ernstig misdrijf. De omstandigheid dat eiser in 2024 nog is veroordeeld tot 10 dagen vervangende hechtenis vanwege schuldheling en is gedagvaard vanwege rijden onder invloed, gepleegd in 2024, heeft de minister enkel betrokken bij de beoordeling van het actualiteitsvereiste, zie hierna onder 11.2.

Toetsingskader bedreiging voor de samenleving

10. De Afdeling heeft in de uitspraak van 19 maart 2025 onder verwijzing naar het arrest XXX van het Hof van Justitie overwogen dat naast de vaststelling dat iemand is veroordeeld voor een bijzonder ernstig misdrijf, ook moet worden aangetoond dat hij een bedreiging vormt voor de samenleving van de lidstaat waarin hij zich bevindt. Het tweede vereiste voor de toepassing van artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn is dat moet worden vastgesteld of een vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging is voor een fundamenteel belang van de samenleving. De autoriteiten moeten nagaan of de vreemdeling geneigd is om zijn gedrag in de toekomst te herhalen. Maar het is ook mogelijk dat alleen het gedrag in het verleden al een bedreiging voor de samenleving oplevert. Hoe meer tijd is verstreken tussen de definitieve veroordeling en het besluit om de vluchtelingenstatus te weigeren of in te trekken, hoe meer de autoriteiten rekening moeten houden met ontwikkelingen van na het plegen van het misdrijf. Daarbij moet het evenredigheidsbeginsel in acht worden genomen. De bedreiging die de vreemdeling vormt, moet worden afgewogen tegen de rechten van een vluchteling.

Standpunt minister

11. In de besluitvorming stelt de minister zich op het standpunt dat eiser op dit moment door zijn persoonlijk gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Zo heeft de minister aangegeven dat eiser een gewelddadige verkrachting heeft gepleegd wat maakt dat zijn persoonlijk gedrag een voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Gelet op de (in eerste instantie) ontkennende houding en het geringe besef van wat de gevolgen van zijn handelen zijn geweest, bestaat de kans dat eiser dit opnieuw doet. Hij is daarmee een gevaar voor andere vrouwen in Nederland.

Ook vormt eiser een actuele bedreiging. Bij ernstige misdrijven ziet de minister een vreemdeling langer als een gevaar dan bij minder ernstige misdrijven. Als iemand een ernstig misdrijf pleegt, beschadigt hij de slachtoffers namelijk langer. Ook schokt hij daardoor de maatschappij langer. De minister vindt verder dat eiser geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Zo heeft eiser zich tijdens de strafzaak eerst (voornamelijk) op zijn zwijgrecht beroepen, heeft hij wisselende verklaringen afgelegd over wat er zou hebben plaatsgevonden, heeft eiser verklaard dat het een gebeurtenis is die hem is overkomen, dat hij is verraden en dat hij eigenlijk het slachtoffer is.

Verder heeft eiser nog geen lange periode van goed gedrag in de Nederlandse samenleving laten zien. Eiser heeft tot 28 november 2022 in detentie gezeten. Hij verblijft ten tijde van het bestreden besluit dus nog maar een betrekkelijk korte periode van tweeëneenhalf jaar in vrijheid. Daarna is hij in 2024 nog veroordeeld tot 10 dagen vervangende hechtenis vanwege schuldheling. Bovendien is hij gedagvaard vanwege rijden onder invloed, gepleegd in 2024. Hoewel eiser niet opnieuw is veroordeeld voor nieuwe zedenmisdrijven, vindt de minister dat er nog altijd dreiging van eiser uitgaat en heeft eiser nog geen goed gedrag laten zien.

Tot slot stelt de minister zich op het standpunt dat eiser geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij geen actuele bedreiging meer vormt.

Wat vindt eiser

12. Eiser bestrijdt het standpunt van de minister dat hij een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde zou vormen. Hij wijst op het arrest Z. Zh. en I.O. van het Hof van Justitie van 11 juni 2015. Volgens eiser is sprake van een groot tijdsverloop sinds het plegen van het strafbare feit en heeft de minister de zaak heel lang laten liggen. Ook is eiser een zogenaamde ‘first offender’ en heeft hij zijn straf zonder problemen uitgezeten. Er is volgens eiser geen recidivegevaar en er is sprake van een positieve gedragsverandering en zelfreflectie. Ook voert eiser aan dat het ontkennen van betrokkenheid bij een strafbaar feit geen indicatie is voor het aannemen van actueel gevaar, zoals verweerder ten onrechte doet. Ten aanzien van het actualiteitsvereiste voert eiser aan dat de minister een onjuist toetsingskader hanteert. Zoals niet ter discussie staat, is niet bepalend dat eiser is veroordeeld voor een misdrijf. De nadruk ligt op de mogelijkheid dat hij dit in de toekomst weer doet. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat die mogelijkheid aannemelijk is. Eiser wijst er verder op dat hij de afgelopen periode na zijn vrijlating een opleiding heeft gevolgd en dat hij een netwerk heeft opgebouwd met de Nederlandse gemeenschap, zoals met de moeder van zijn kind. Hij verzorgt en voedt dit kind mede op.

Wat oordeelt de rechtbank

13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat eiser een bedreiging vormt voor de samenleving en hij een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. De rechtbank legt hierna uit waarom de rechtbank tot dat oordeel komt.

Het Unierechtelijk openbare-ordebegrip is uitgelegd in de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2015. Daarin heeft de Afdeling geoordeeld dat uit het arrest Z. Zh. en I.O. kan worden afgeleid dat de minister bij zijn beoordeling of sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, alle feitelijke en juridische gegevens moet betrekken die zien op de situatie van een vreemdeling in relatie tot het door hem gepleegde strafbare feit, zoals onder meer de aard en ernst van dat strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. De minister moet het resultaat van dit onderzoek laten blijken uit de motivering van een besluit.

De rechtbank stelt vast dat eiser het standpunt van de minister over de aard en de ernst van het door hem gepleegde misdrijf niet heeft bestreden. Eiser bestrijdt het actualiteitsvereiste met de stelling dat sprake is van een groot tijdsverloop sinds het plegen van het strafbare feit en dat de minister de zaak heel lang heeft laten liggen. De rechtbank ziet in het gevoerde betoog geen aanleiding te oordelen dat de minister de vraag of eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt niet goed heeft beoordeeld. Zo heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat bij ernstige misdrijven, zoals in dit geval, de vreemdeling langer wordt gezien als een gevaar dan bij minder ernstige misdrijven. Ook heeft de minister eiser terecht tegengeworpen dat hij geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen, dat eiser nog geen lange periode van goed gedrag in de Nederlandse samenleving heeft laten zien, dat eiser in 2024 is veroordeeld tot 10 dagen vervangende hechtenis vanwege schuldheling en is gedagvaard vanwege rijden onder invloed. Hoewel eiser niet opnieuw is veroordeeld voor zedenmisdrijven is de rechtbank met de minister van oordeel dat er nog altijd dreiging van eiser uitgaat. Het enkele tijdsverloop sinds het plegen van het misdrijf doet niets af aan de omstandigheid dat eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor de samenleving vormt. Daarbij komt dat het tijdsverloop ook te maken heeft met de omstandigheid dat de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn alleen kan worden ingetrokken in het geval een vreemdeling definitief is veroordeeld voor een bijzonder ernstig misdrijf.

Het betoog van eiser ten aanzien van het recidiverisico faalt gelet op het voorgaande ook, te meer omdat eiser geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij geen actueel gevaar meer is. De enkele stellingen van eiser dat hij een ‘first offender’ is en hij zijn straf zonder problemen heeft uitgezeten zijn onvoldoende voor het oordeel dat van eiser geen actuele dreiging meer uitgaat. Anders dan eiser stelt is niet gebleken van een positieve gedragsverandering en zelfreflectie.

Het betoog van eiser dat het ontkennen van betrokkenheid bij een strafbaar feit geen indicatie is voor het aannemen van actueel gevaar, volgt de rechtbank niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser een gewelddadige verkrachting heeft gepleegd wat maakt dat zijn persoonlijk gedrag een voldoende ernstige bedreiging vormt en dat gelet op de (in eerste instantie) ontkennende houding en het geringe besef van wat de gevolgen van zijn handelen zijn geweest, de kans bestaat dat eiser dit opnieuw doet.

Het betoog van eiser dat de minister ten aanzien van het actualiteitsvereiste een onjuist toetsingskader hanteert, omdat niet bepalend is dat eiser is veroordeeld voor een misdrijf, maar dat de nadruk ligt op de mogelijkheid dat hij dit in de toekomst weer doet, treft gelet op het voorgaande geen doel.

Voor zover eiser stelt dat hij de afgelopen periode na zijn vrijlating een opleiding heeft gevolgd, dat hij een netwerk heeft opgebouwd met de Nederlandse gemeenschap zoals met de moeder van zijn kind en dat hij dit kind mede opvoedt, is de rechtbank van oordeel dat deze omstandigheden niet maken dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij een bedreiging voor de samenleving vormt.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat de minister conform voornoemde jurisprudentie deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser, naast de vaststelling dat hij is veroordeeld voor een bijzonder ernstig misdrijf, een bedreiging vormt voor de samenleving en dat hij een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.

Evenredigheid van de intrekking

14. Uit de uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2025 volgt ook dat bij de intrekking van de verblijfsvergunning het evenredigheidsbeginsel in acht moet worden genomen.

Standpunt van de minister

De minister vindt dat de intrekking van de verblijfsvergunning evenredig is. Het belang van de Staat om te handhaven en om de verblijfsvergunning in te trekken weegt zwaarder dan het belang van eiser om hier rechtmatig verblijf te houden. De minister heeft het doel, de geschiktheid en noodzakelijkheid van de intrekking bij zijn oordeel betrokken. Het doel is om de samenleving te beschermen. Het is een geschikt middel, omdat op eiser een vertrekplicht rust. Het is noodzakelijk, omdat er geen middelen zijn die de samenleving net zo goed beschermen. Daarnaast rechtvaardigt het gevaar dat eiser vormt, dat hij niet (meer) alle rechten en voordelen heeft die bij de vluchtelingenstatus horen. Ook is de intrekking evenwichtig. De minister volgt eiser niet in zijn stelling dat de intrekking in strijd is met het evenredigheidsbeginsel omdat hij nergens naartoe kan. Daartoe geeft de minister aan dat de situatie van eiser niet uniek is. De situatie van eiser verschilt niet van vreemdelingen van wie de verblijfsvergunning ook is ingetrokken op grond van de openbare orde. Eiser heeft deze situatie zelf veroorzaakt door het plegen van een bijzonder ernstig misdrijf. Tot slot vindt de minister dat de intrekking niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

Wat voert eiser aan

Eiser voert aan dat niet in geschil is dat sprake is van een refoulement risico als hij zou moeten terugkeren naar zijn land van herkomst. Om die reden stelt de minister dat eiser dan maar een leven elders moet opbouwen. Volgens eiser is hij zonder enig verblijfsrecht niet in staat om elders een leven op te bouwen. Het standpunt van de minister dat uit niets zou blijken dat eiser Nederland niet kan verlaten en er geen land is buiten Nederland waar eiser duurzaam kan verblijven, is volgens eiser strijdig met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De minister heeft dit niet onderzocht en heeft nagelaten om dit standpunt nader te motiveren. Voorts was de minister gehouden om in het kader van de evenredigheid, de grote, negatieve gevolgen voor eiser te betrekken bij zijn besluitvorming. Het bestreden besluit komt er feitelijk op neer dat eiser illegaal in Nederland zal verblijven dan wel in andere lidstaten. Ook vindt eiser dat de minister het doel, de geschiktheid en noodzakelijkheid van de intrekking onvoldoende heeft gemotiveerd. Volgens eiser laat de minister na om dit standpunt te motiveren en blijft onduidelijk hoe een intrekking en een zelfstandige vertrekplicht zou leiden tot de bescherming van de samenleving. De minister heeft een lichter middel ten onrechte niet bij de beoordeling betrokken.

Wat oordeelt de rechtbank

De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de minister eraan voorbij gaat dat eiser niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst. Anders dan eiser stelt heeft de minister wel bij zijn oordeel betrokken dat eiser niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst, maar vindt de minister dat het belang van de Staat zwaarder weegt dan het belang van eiser om hier rechtmatig verblijf te houden. Het betoog dat de minister ten onrechte niet heeft gemotiveerd dat eiser zich elders kan vestigen treft ook geen doel, omdat op eiser een zelfstandige vertrekplicht rust en het in dit verband niet op de weg van de minister ligt om te motiveren waar eiser naar toe zou moeten. Voor zover eiser stelt dat het besluit onevenredig is omdat hij in feite in de illegaliteit terecht komt, is de rechtbank van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser deze situatie zelf heeft veroorzaakt door het plegen van een bijzonder ernstig misdrijf. Daarbij betrekt de rechtbank dat de minister verder heeft aangegeven dat eiser weliswaar niet (meer) alle rechten en voordelen heeft die bij de vluchtelingenstatus horen, maar hij op grond van het Vluchtelingenverdrag ook zonder verblijfsvergunning nog een aantal rechten houdt.

Het betoog van eiser dat niet duidelijk is waarom een intrekking en een zelfstandige vertrekplicht zouden leiden tot bescherming van de samenleving treft eveneens geen doel. Daartoe overweegt de rechtbank, zoals hiervoor is overwogen, dat eiser een gevaar vormt voor de samenleving. Om die reden wil de minister het verblijfsrecht van eiser beëindigen en rust op hem een vertrekplicht. Aan het noodzakelijkheidsvereiste is voldaan. De enkele stelling van eiser dat de minister een lichter middel ten onrechte niet bij de beoordeling heeft betrokken, zonder aan te geven welk lichter middel de samenleving net zo goed beschermt, biedt de rechtbank geen aanknopingspunt voor een ander oordeel.

Omdat eiser verder geen andere (medische) belangen heeft gesteld is de rechtbank van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen zoals weergegeven onder 14.1. Van een onzorgvuldige voorbereiding en een ondeugdelijke motivering van het besluit is geen sprake. Eisers beroepsgronden slagen niet.

Artikel 8 van het EVRM

15. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet de rechter toetsen of de minister alle relevante feiten en omstandigheden bij zijn belangenafweging heeft betrokken en, als dit het geval is, of hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familieleven dan wel het privéleven van de vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid.

Bij een belangenafweging waarin openbare-ordeaspecten een rol spelen, moeten de in de arresten van het EHRM van 2 augustus 2001, Boultif t. Zwitserland, en 18 oktober 2006, Üner t. Nederland, benoemde criteria worden betrokken. Hiertoe behoren onder meer de aard en de ernst van het gepleegde misdrijf, de gedragingen van de betrokken vreemdeling gedurende die tijd en de hechtheid van de sociale, culturele en familiebanden van de betrokken vreemdeling met het gastland en het land van herkomst.

Standpunt minister

De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen familieleven heeft met de door eiser gestelde zoon, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij de biologische vader is of dat hij het kind heeft erkend. Ook heeft eiser geen familieleven met zijn moeder. Tussen een meerderjarig kind en de ouder kan familieleven bestaan. Dit is alleen het geval als er tussen hen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Daarbij zijn een aantal elementen relevant waaruit dit zou kunnen blijken. Eén van die factoren is samenwoning, maar dat is slechts een van de elementen. Volgens de minister heeft eiser geen enkel document of bewijs overgelegd waaruit blijkt dat aan de relevante elementen wordt voldaan. Met de enkele verklaring van eiser dat sprake is van familieleven met zijn moeder omdat hij met haar samenwoont heeft eiser niet aangetoond dat tussen hem en zijn moeder bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan.

Volgens de minister heeft eiser privéleven in Nederland opgebouwd, maar is inmenging toegestaan. De minister heeft de inmenging getoetst aan de regels zoals die staan in de arresten in de zaken Boultif en Üner. Zo heeft de minister in het bestreden besluit onder meer aangegeven dat eiser meer dan elf jaar in Nederland verblijft. Dat is volgens de minister een relatief korte periode. En van deze elf jaar heeft eiser bijna twee jaar in de gevangenis doorgebracht. Dat is een behoorlijk lange tijd van de tijd die eiser (rechtmatig) in Nederland woont. Aan de in detentie opgebouwde banden komt volgens de minister beperkte betekenis toe.

Ook heeft de minister zich op het standpunt gesteld, hoewel er enkele familieleden van eiser in Nederland wonen, dat niet is gebleken dat eiser sterke banden heeft met Nederland. Daarbij heeft de minister betrokken dat eiser enige tijd een uitkering heeft gehad en dat eiser voor korte periodes verschillende werkzaamheden heeft verricht in de scheepvaart. Eiser heeft geen sterke banden met Nederland opgebouwd door het werk en de werkrelaties die hij hier heeft. Dit weegt zwaar in het nadeel van eiser.

Standpunt eiser

Eiser stelt dat hij wel familieleven heeft met zijn zoon. Hij verzorgt zijn zoon elke dag. Ter onderbouwing van de stelling dat hij de vader is heeft eiser foto’s overgelegd van rondom de geboorte, een bijzonder moment dat alleen voor een vader is weggelegd. Ten aanzien van zijn privéleven voert eiser aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Eiser voert in dit verband verder aan dat hij al geruime tijd in Nederland verblijft, dat hij een opleiding heeft gevolgd, dat hij werkt als matroos en een netwerk heeft opgebouwd.

Wat oordeelt de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht en op juiste gronden op het standpunt gesteld dat eiser geen familieleven heeft met de door eiser gestelde zoon. De enkele stelling van eiser en de door hem overgelegde foto’s maken niet dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij de vader is van het kind. De enkele en niet onderbouwde stelling dat hij zijn zoon verzorgt biedt de rechtbank geen aanknopingspunt voor een ander oordeel. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat tussen hem en zijn moeder bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Ook in zoverre heeft de minister tussen eiser en zijn moeder terecht geen familieleven aangenomen.

Ten aanzien van het privéleven van eiser stelt de rechtbank vast dat de minister de inmenging in het privéleven heeft getoetst aan de regels zoals die staan in de arresten in de zaken Boultif en Üner. Wat betreft het standpunt van eiser dat hij geen werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, wijst de rechtbank op overweging 13 en verder. Dat betoog treft daarom geen doel. Het standpunt van eiser dat hij al geruime tijd in Nederland verblijft treft ook geen doel. Daartoe overweegt de rechtbank dat de minister niet ten onrechte heeft aangegeven dat elf jaar een relatief korte periode is, dat eiser bijna twee jaar daarvan in de gevangenis heeft doorgebracht en dat aan de in detentie opgebouwde banden beperkte betekenis toekomt. Ook de betogen van eiser dat hij een opleiding heeft gevolgd, hij werkt als matroos en een netwerk heeft opgebouwd treffen geen doel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich in dit verband terecht op het standpunt gesteld dat eiser enige tijd een uitkering heeft gehad en dat eiser voor korte periodes verschillende werkzaamheden heeft verricht in de scheepvaart. Hieruit heeft de minister mogen afleiden dat eiser geen sterke banden met Nederland heeft opgebouwd door zijn werk en werkrelaties.

De rechtbank concludeert dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser een bedreiging vormt voor de openbare orde en dat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eiser uitvalt.

De aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd

16. De minister heeft de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd afgewezen, omdat eiser een gevaar is voor de openbare orde. De minister wijst op artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Gelet op het voorgaande en omdat eiser geen gronden specifiek gericht tegen de afwijzing heeft ingediend, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat dit besluit niet in stand kan blijven.

Het besluit tot signalering

17. De minister heeft aan eiser een besluit tot signalering voor de duur van tien jaar opgelegd. Zoals de gemachtigde van eiser ter zitting heeft aangegeven beperkt zij de beroepsgrond tot de vraag of de minister bevoegd was een besluit tot signalering te nemen. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat de minister op grond van artikel 67a van de Vw en artikel 24 tweede lid, van de verordening 2018/1861 bevoegd is tot het nemen van het besluit tot signalering. De beroepsgrond faalt.

Conclusie en gevolgen

18. De minister heeft terecht en op goede gronden de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht ingetrokken en de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd afgewezen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de besluiten, waaronder het besluit tot signalering, in stand blijven. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Meesters - van Luijk, voorzitter, en mr. N.M. van Waterschoot en mr. A.G.D. Overmars, rechters, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?