ECLI:NL:RBDHA:2026:8151

ECLI:NL:RBDHA:2026:8151

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-04-2026
Datum publicatie 07-04-2026
Zaaknummer NL25.63512 NL25.63514
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvragen in stand kan blijven, omdat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom eisers bij terugkeer naar Roemenië geen reëel risico op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM2 of artikel 4 van het EU-Handvest lopen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

zaaknummers: NL25.63512 en NL25.63514

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

en

[naam] , V-nummer: [nummer], eiseres

samen: eisers

mede namens hun minderjarige kinderen:

[naam] , V-nummer: [nummer]

[naam] , V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),

en

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvragen van eisers. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij hebben daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvragen in stand kan blijven, omdat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom eisers bij terugkeer naar Roemenië geen reëel risico op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU-Handvest lopen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 2 april 2024 aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvragen met de bestreden besluiten van 22 december 2025 in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard, omdat eisers internationale bescherming hebben in Roemenië.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.

3. De rechtbank heeft het beroep op 30 maart 2026 op zitting behandeld, samen met de verzoeken van eisers om voorlopige voorziening en de beroepen van de meerderjarige kinderen van eisers. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, hun kinderen, de gemachtigde van eisers, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit

4. De minister heeft de asielaanvragen niet-ontvankelijk verklaard, omdat uit informatie van de Roemeense autoriteiten blijkt dat eisers sinds 28 oktober 2019 internationale bescherming hebben in Roemenië. Dit blijkt ook uit de verklaringen van eisers. Eisers hebben volgens de minister door die verblijfsvergunning een zodanige band met Roemenië dat het voor hen redelijk is om naar dat land te gaan. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat Roemenië de internationale verplichtingen tegenover hen niet nakomt. Eisers hadden toegang tot huisvesting, werk en zorg. Eiser heeft een maand gewerkt en zijn zoon heeft ook kunnen werken. Eisers hebben niet geklaagd over de omstandigheid dat hun oudste, destijds minderjarige, dochter niet naar school mocht en volgens de minister had van hen verwacht mogen worden dat zij via overheidsinstanties of hun advocaat aan informatie probeerden te komen over de toegang tot het onderwijs. Eisers hebben als statushouders dezelfde rechten als Roemeense burgers en het is aan hen om die rechten te effectueren.

Hebben eisers een zodanige band met Roemenië dat van hen verwacht kan worden dat zij naar dat land terugkeren?

5. Eisers voeren aan dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat zij een zodanige band met Roemenië hebben dat het voor hen redelijk is om naar dat land te gaan. Eisers hebben op de zitting naar voren gebracht dat de band die zij met Nederland hebben sterker is dan de band met Roemenië. In Nederland krijgen de kinderen namelijk taalles en volgen een opleiding.

6. De beroepsgrond slaagt niet. De minister kan een asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaren als de vreemdeling in een andere lidstaat van de EU internationale bescherming heeft en een zodanige band heeft met dat land dat het voor hem redelijk zou zijn om naar dat land te gaan. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat alleen al omdat een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet, sprake is van een zodanige band met die lidstaat dat het voor hem redelijk zou zijn om naar dat land te gaan.

De rechtbank stelt vast dat tussen eisers en de minister niet in geschil is dat de Roemeense autoriteiten eisers internationale bescherming hebben verleend en dat eisers deze internationale beschermingsstatus nog steeds hebben. Daarom is sprake van een band met Roemenië zoals hiervoor bedoeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden waardoor redelijkerwijs niet van eisers kan worden verwacht dat zij daar naartoe teruggaan. Dat de kinderen in Nederland taalles krijgen en een opleiding volgen, is daarvoor niet voldoende.

Kan de minister ten aanzien van Roemenië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?

7. Eisers voeren aan dat ten aanzien van Roemenië niet meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser hebben niet alleen verwezen naar het AIDA-rapport van augustus 2025 (update 2024), maar ook duidelijk verklaard over de gebrekkige opvang in Roemenië en de onmogelijkheid om inkomsten te verwerven. Eisers hebben in Roemenië drie jaar lang geprobeerd om onderwijs voor de kinderen te krijgen en om werk te vinden. De vader heeft slechts een maand kunnen werken en de oudste zoon was de enige die werk vond. Daardoor moesten eisers noodgedwongen met zes personen rondkomen van enkele honderden euro’s per maand en met het hele gezin in een tweekamerappartement wonen. De minister stelt volgens eisers verder ten onrechte dat zij niet hebben geklaagd over het feit dat de dochter niet naar school kon. Zij hebben daarover wel degelijk geklaagd toen zij in de opvang zaten. Uit het gehoor van de oudste dochter blijkt bovendien dat zij bij meerdere personen heeft geïnformeerd naar de onderwijsmogelijkheden. Zij heeft ook verklaard dat zij heeft geklaagd bij de ‘hoogste baas’ van de opvang en dat zij bij de politie is geweest. De minister verwacht volgens eisers teveel van hen. Door de taalbarrière en het feit dat eisers analfabeet zijn, is het voor hen niet mogelijk om nog meer te doen. Eisers voeren tot slot aan dat niet valt in te zien waarom statushouders uit Griekenland niet worden teruggestuurd en statushouders uit Roemenië wel. De situatie in beide landen is volgens eisers vergelijkbaar.

8. De beroepsgrond slaag niet. De rechtbank overweegt allereerst dat Roemenië op grond van de Procedurerichtlijn en internationale (mensenrechten)verdragen zoals het EVRM verplicht is om statushouders op het gebied van werk, gezondheidszorg, huisvesting en sociale voorzieningen dezelfde rechten toe te kennen als staatsburgers. Als uitgangspunt geldt dat de minister er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit mag gaan dat Roemenië deze verplichtingen tegenover statushouders nakomt. Het ligt op de weg van eisers om aannemelijk te maken dat Roemenië dit niet doet en dat zij bij terugkeer naar Roemenië een reëel risico lopen op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU-Handvest. De drempel hiervoor is bijzonder hoog en wordt bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van de betrokken lidstaat ertoe leidt dat iemand die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn eigen wil en keuzes om, terechtkomt in een ‘toestand van zeer verregaande materiële deprivatie’, waardoor hij niet kan voorzien in zijn belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen, en waardoor zijn lichamelijke of geestelijke gezondheid zou worden geschaad of zijn leefomstandigheden mensonwaardig zouden worden.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij terugkeer naar Roemenië een reëel risico lopen op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU-Handvest. De minister heeft allereerst kunnen overwegen dat uit het AIDA-rapport van augustus 2025 (update 2024) blijkt dat statushouders recht hebben op toegang tot werk, gezondheidszorg en onderwijs onder dezelfde voorwaarden als Roemeense staatsburgers. Hoewel volgens het rapport sprake is van obstakels, blijkt er niet uit dat er geen mogelijkheden voor statushouders zijn om hun rechten te effectueren.

De minister heeft verder kunnen overwegen dat uit de verklaringen van eisers blijkt dat zij toegang hadden tot huisvesting, werk en zorg. Eisers hebben namelijk verklaard dat zij een tweekamerappartement huurden, dat eiser een maand heeft gewerkt en dat de oudste zoon drie jaar heeft gewerkt. Verder heeft eiser verklaard dat hij wel medicatie kon krijgen, maar dat hij dat zelf moest betalen. De rechtbank begrijpt uit de verklaringen van eisers dat de situatie voor eisers en hun kinderen als statushouders in Roemenië moeilijk was. Dat het moeilijk is en dat de levensomstandigheden in Roemenië niet gelijk zijn aan die in Nederland, betekent echter niet dat de minister voor Roemenië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan en dat eisers bij terugkeer in een situatie komen die in strijd is met de verdragsverplichtingen. Van eisers mag worden verwacht dat zij bij de (hogere) autoriteiten klagen als zij problemen ondervinden en om hun rechten te effectueren. Niet is gebleken dat eisers dat in voldoende mate hebben gedaan of dat het op voorhand zinloos is om hulp van de autoriteiten te vragen. Dat eisers stellen dat zij hebben geklaagd bij medewerkers van de opvang, waaronder de hoogste baas, heeft de minister onvoldoende kunnen vinden. De minister heeft er daarbij ook op kunnen wijzen dat eisers eventueel hulp van NGO’s kunnen inroepen om hun rechten te effectueren.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het feit dat van statushouders uit Griekenland niet wordt verwacht dat zij terugkeren naar Griekenland geen aanleiding hoeven zien om ten aanzien van Roemenië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan. Eisers hebben hun stelling dat de situatie in Roemenië vergelijkbaar is met de situatie in Griekenland niet nader onderbouwd of concreet gemaakt. De minister is in het bestreden besluit bovendien gemotiveerd ingegaan op de door eisers ingebrachte informatie over de situatie van statushouders in Roemenië en op de verklaringen van eisers en heeft zich, zoals de rechtbank onder 8.1 en 8.2 heeft geoordeeld, op het standpunt kunnen stellen dat eisers daarmee niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij terugkeer naar Roemenië een reëel risico lopen op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU-Handvest. Naar het oordeel van de rechtbank is de minister bij deze beoordeling niet gehouden om een vergelijking te maken met de situatie in Griekenland of andere lidstaten.

Conclusie en gevolgen

9. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgt geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Drenten-Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Deze datum staat hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?