ECLI:NL:RBDHA:2026:8167

ECLI:NL:RBDHA:2026:8167

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 30-03-2026
Datum publicatie 07-04-2026
Zaaknummer NL25.43419
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag, maar heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico loopt op ernstige schade. Hij heeft namelijk de beschikbare landeninformatie over het niveau van geweld, net als de relevante individuele kenmerken in eisers geval onvoldoende daarbij betrokken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , V-nummer: [#] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.43419 en NL25.43420

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

(gemachtigde: mr. A.W. Eikelboom),

en

(gemachtigde: mr. J. Amakodo).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag, maar heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico loopt op ernstige schade. Hij heeft namelijk de beschikbare landeninformatie over het niveau van geweld, net als de relevante individuele kenmerken in eisers geval onvoldoende daarbij betrokken. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 21 februari 2025 een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 september 2025 de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam 1] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Wat voorafging aan deze procedure

3. Eiser is op 16-jarige leeftijd vertrokken uit Somalië. Sindsdien heeft hij in Europa verbleven. Eerst in Griekenland, daarna in Denemarken waar hem een verblijfsvergunning is verleend. Toen zijn verblijfsvergunning niet is verlengd, is eiser in 2018 naar Duitsland vertrokken. Vervolgens is hij naar Nederland gereisd, waar hij op 10 november 2019 een eerste asielaanvraag ingediend. Aan die aanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat hij Koranlessen bij een geestelijke van Al-Shabaab heeft gevolgd, dat hij is aangehouden en vrijgelaten door de autoriteiten vanwege het bijwonen van Koranlessen en dat hij behoort tot de Jareer-stam. Hij stelt dat hij niet kan terugkeren omdat hij is verwesterd en omdat hij in Somalië behoort tot een risico- of kwetsbare minderheidsgroep. Hij vreest bij terugkeer voor rekrutering door Al-Shabaab. Verweerder heeft de asielaanvraag bij besluit van 6 november 2020 afgewezen als ongegrond. Daarin heeft verweerder zich onder meer op het standpunt gesteld dat niet wordt gevolgd dat eiser bij terugkeer problemen zal krijgen in verband met zijn verwestering. Het beroep tegen die beslissing is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 8 januari 2021 ongegrond verklaard. In hoger beroep is die uitspraak in stand gebleven.

Het asielrelaas

Aan de onderhavige asielaanvraag legt eiser ten grondslag dat hij zich nog verder heeft verwesterd. Ook heeft hij verklaard dat hij zich heeft afgewend van de islam. Hij stelt bij terugkeer te vrezen voor problemen met Al-Shabaab vanwege zijn verwestering, zijn afwending van de islam en het feit dat hij behoort tot de minderheidsclan Bantu-Jareer. Hij beroept zich daarbij op deskundigenberichten van [naam deskundige] van 6 mei 2022 en van [naam deskundige 1] van 27 april 2022. Daaruit blijkt dat personen die geruime tijd in het Westen hebben doorgebracht gemakkelijk herkend worden door Al-Shabaab en daardoor mogelijk als spion kunnen worden beschouwd. Er wordt ook ingegaan op problemen van personen die terugkeren uit het Westen en behoren tot minderheidsclans zonder sociaal netwerk.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

1. de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;2. het bijwonen van Koranlessen bij een geestelijke van Al-Shabaab;3. de aanhouding en vrijlating door autoriteiten vanwege bijwonen Koranlessen;4. discriminatie vanwege behoren bij Jareer-stam;5. verwestering;6. afwending van de islam.

Verweerder acht de eerste vier asielmotieven geloofwaardig. Verweerder acht de verwestering en de afwending van de islam niet geloofwaardig. Eiser is er niet in geslaagd te onderbouwen wat er is veranderd ten opzichte van de vorige asielprocedure en waarom nu wel moet worden geoordeeld dat hij verwesterd is. Nog steeds is geen sprake van niet aangeboren kenmerken die dermate fundamenteel zijn dat niet mag worden geëist dat hij die opgeeft. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser over de afwending van de islam tegenstrijdig heeft verklaard. Verweerder vindt het geloofwaardig dat eiser wordt gediscrimineerd vanwege het behoren tot de Jareer-stam, maar uit de door eiser overgelegde landeninformatie blijkt niet dat het onmogelijk zou zijn voor hem om op maatschappelijk en sociaal vlak te functioneren bij terugkeer naar Somalië. Op grond van het landgebonden asielbeleid voor Somalië wordt voor Mogadishu aangenomen dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeur geweld. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er persoonlijke omstandigheden zijn die maken dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarnaast is aan eiser een inreisverbod van twee jaar opgelegd.

Afwending van de islam

5. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat eiser zich niet heeft afgewend van de islam. Eiser had in eerste instantie in het gehoor opvolgende aanvraag aangegeven dat hij zich had afgewend, maar is daarop later in gehoor teruggekomen. Hij stelt wel dat hij bepaalde islamitische voorschriften, zoals bidden en geen alcohol drinken, niet meer naleeft.

Behoort eiser tot een specifieke sociale groep als bedoeld in het arrest K. en L.?

6. Eiser voert aan dat verweerder in de beschikking op zijn eerste asielaanvraag niet heeft bestreden dat hij is verwesterd, maar dat verweerder zich op het standpunt stelt dat de verwestering niet leidt tot vluchtelingschap omdat het geen uiting is van een religieuze of een politieke overtuiging. Eiser stelt dat die beoordeling inmiddels is achterhaald door jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof), namelijk het arrest K. en L. van 11 juni 2024. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte stelt dat dit arrest alleen op verwesterde vrouwen ziet. Het is ook op hem van toepassing, omdat hij vanwege zijn verwestering behoort tot een sociale groep. Eiser voert verder aan dat niet in geschil is dat er bij hem geen sprake is van aangeboren kenmerken die niet gewijzigd kunnen worden. Eiser stelt echter dat hij wel behoort tot een sociale groep met een gemeenschappelijke achtergrond die niet kan worden gewijzigd, dan wel dat hij een kernmerk bezit dat voor de identiteit of morele integriteit dermate fundamenteel is dat van hem niet kan worden gevergd dat hij dit opgeeft. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat zijn persoonlijke autonomie en de wens om zijn geloof in vrijheid te uiten, fundamentele waarden vormen als bedoeld in het arrest K. en L. Omdat verweerder ten onrechte geen zwaarwegendheidsbeoordeling heeft gemaakt met toepassing van dit arrest, is er sprake van een motiveringsgebrek.

Bij de beoordeling of een vreemdeling een gegronde vrees voor vervolging heeft, kan een rol spelen of een vreemdeling tot een specifieke sociale groep behoort, zoals bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Kwalificatierichtlijn. Uit dit artikel alsook het arrest K. en L. volgt dat een persoon behoort tot een specifieke sociale groep als aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan. “Ten eerste moeten de personen die tot deze groep zouden kunnen behoren ten minste een van de volgende drie identificatiekenmerken delen: een „aangeboren kenmerk”, een „gemeenschappelijke achtergrond die niet kan worden gewijzigd” of een „kenmerk of geloof dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is, dat van de betrokkenen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven”. Ten tweede moet die groep in het land van oorsprong een „eigen identiteit” hebben, omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd” [arrest van 16 januari 2024, Intervyuirasht organ na DAB pri MS (Vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld), C621/21, EU:C:2024:47, punt 40].”In het arrest K. en L. is geoordeeld dat vrouwen, onder omstandigheden, als specifieke sociale groep kunnen worden aangemerkt.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder in het bestreden besluit de verwestering van eiser ongeloofwaardig heeft geacht. Volgens verweerder behoort eiser niet tot een sociale groep als bedoeld in het arrest K. en L. omdat de omstandigheden dat eiser qua uiterlijk afwijkt van Somaliërs, gelet op zijn haar en kleding, en dat hij daarnaast drinkt en rookt, geen aangeboren kenmerken zijn die niet gewijzigd kunnen worden en daarmee niet dermate fundamenteel zijn dat niet mag worden geëist dat hij die opgeeft. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat er daarom geen sprake is van verwestering die leidt tot vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder heeft echter, ook desgevraagd, niet toegelicht of wel van de westerse kenmerken van eiser wordt uitgegaan. Nu verweerder de westerse kenmerken van eiser niet heeft bestreden en verweerder zich in het eerdere afwijzende besluit van 6 november 2020 op het standpunt heeft gesteld dat niet wordt ontkend dat eiser verwesterd is omdat hij al lange tijd in Europa verblijft, neemt de rechtbank aan dat van de westerse kenmerken van eiser moet worden uitgegaan.

Ten aanzien van de vraag of de verwestering van eiser tot vluchtelingschap moet leiden, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het arrest K. en L. alleen ziet op vrouwen en daarom niet van toepassing is op eiser. Subsidiair stelt verweerder dat de aspecten die eiser noemt, waaronder het drinken van alcohol, roken, niet meedoen met de ramadan, niet zijn te herleiden tot een fundamentele waarde die wordt gehecht aan de gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Verweerder meent dat eiser geen kenmerk heeft dat voor zijn identiteit dermate fundamenteel is dat niet kan worden geëist dat hij dit opgeeft.

De rechtbank is van oordeel dat uit het arrest K. en L. niet volgt dat uitsluitend vrouwen als sociale groep in de zin van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Kwalificatierichtlijn kunnen worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich echter terecht op het (ter zitting ingenomen) subsidiaire standpunt gesteld dat eiser niet heeft aangetoond dat hij tot een specifieke sociale groep als bedoeld in voornoemd artikel. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eisers wens om zijn geloof in vrijheid uit te oefenen dermate fundamenteel is dat niet kan worden verlangd dat hij van die wens afstand doet, nu eiser heeft verklaard dat hij nog steeds moslim is en in beperkte mate de islamitische regels niet meer naleeft. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt en is van oordeel dat niet is gebleken dat eisers wens om zijn geloof op zijn manier te uiten een onderdeel van zijn identiteit vormt. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser in zijn gehoor wisselend heeft verklaard over of hij nu wel of niet afstand heeft gedaan van de islam en ook over hoe hij hiermee in de toekomst wil omgaan. De rechtbank volgt verweerder ook in het standpunt dat niet is gebleken dat eisers behoefte aan persoonlijke autonomie, waaronder moet worden verstaan het aangaan van relaties met vrouwen zonder met hen te trouwen, voldoende is om hem als sociale groep aan te merken. Uit hetgeen eiser hierover heeft verklaard in het gehoor, blijkt onvoldoende dat sprake is van een kenmerk dat voor de identiteit van eiser dermate fundamenteel is dat van hem niet mag worden geëist dat hij dit opgeeft. Eiser heeft in het gehoor bijvoorbeeld niet uitgelegd waarom hij zoveel waarde hecht aan vrije relaties met vrouwen. Dat eiser al geruime tijd in Europa leeft en zelf wil bepalen hoe hij zich kleedt en leeft, betekent niet dat hij aan de voorwaarden van het arrest K. en L. voldoet. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Loopt eiser bij terugkeer risico op discriminatie in de zin van het Vluchtelingenverdrag?

7. Eiser voert aan dat hij tot een gemarginaliseerde minderheidsclan, de Bantu-Jareer, behoort. Hij verwijst naar de EUAA Guidelines van oktober 2025 en voert aan dat hij vervolging vreest vanwege discriminatie. Ter zitting heeft eiser in dit verband ook gewezen op de deskundigenberichten van Lehman en Burns.

In geschil is de vraag of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer vanwege het behoren tot de Bantu-Jareer een risico loopt op discriminatie die aangemerkt moet worden als vervolging. Hiervan is volgens paragraaf C2/3.2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) sprake als hij vanwege deze discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. Verweerder moet daartoe beoordelen of de discriminatie door de autoriteiten én door medeburgers/familieleden in onderlinge samenhang bezien ertoe leiden dat eiser zo ernstig in zijn bestaansmogelijkheden wordt beperkt dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren.

De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging vanwege het behoren tot de minderheidsclan Bantu-Jareer. Verweerder heeft gemotiveerd dat het enkel behoren tot een minderheidsclan onvoldoende is om als vluchteling te worden aangemerkt. In het beleid is het behoren tot een minderheidsclan niet als risicoprofiel aangemerkt. Dat betekent dat het aan eiser is om zijn vrees voor vervolging in dit kader te concretiseren. Dat heeft eiser onvoldoende gedaan. Weliswaar volgt uit de door eiser overgelegde informatie dat er sprake is van discriminatie en uitsluiting van personen die behoren tot de Bantu-Jareer, maar daaruit blijkt geen onmogelijkheid om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Met de verwijzing naar het EUAA-rapport, waarin wordt vermeld dat sommige daden jegens personen die behoren tot een minderheidsclan als daden van vervolging kunnen worden aangemerkt, heeft eiser zijn gestelde persoonlijke vrees ook onvoldoende geconcretiseerd. In deze passage wordt met name gedoeld op seksueel geweld en misbruik van vrouwen die behoren tot deze minderheidsclan. De beroepsgrond slaagt niet.

Loopt eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade?

8. Eiser voert aan dat hij vanwege het feit dat hij lange tijd in Europa heeft doorgebracht, hij er westers uitziet, zich anders gedraagt en hij daardoor herkenbaar zal zijn bij terugkeer naar Somalië. Hij wijst op het algemeen ambtsbericht Somalië van april 2025 (hierna: het ambtsbericht) waaruit volgt dat iemand die lange tijd in het buitenland heeft verbleven, gebrekkig Somalisch spreekt en niet typisch Somalisch gekleed is, verdacht kan worden van spionage door Al-Shabaab. Eiser wijst ook op de EUAA Guidelines van oktober 2025 waarin wordt beschreven dat Al-Shabaab in Somalië een zeer strenge vorm van de Sharia oplegt en handhaaft, zodanig dat er sprake kan zijn van een risico op ernstige schade of vervolging. Eiser stelt dat hij hier ook in Mogadishu mee te maken kan krijgen. Uit informatie van ECOI blijkt dat Al-Shabaab ook buiten het gebied waar zij volledige controle hebben in de praktijk straffen uitvoeren. Eiser wijst op de bijlage van VluchtelingenWerk Nederland waaruit volgt dat het van belang is om een netwerk te hebben in Somalië. Eiser heeft dat niet en behoort daarnaast ook nog tot een minderheidsclan. Verweerder heeft dat niet bestreden. Bij problemen zal hij geen bescherming kunnen krijgen. Eiser stelt ook dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een laag niveau van willekeurig geweld. Volgens de EUAA Guidelines van oktober 2025 is sprake van een hoger niveau van willekeurig geweld, waardoor een lager niveau van individuele elementen vereist is om te voldoen aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom hij hiervan afwijkt in zijn landenbeleid.

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico loopt op ernstige schade en overweegt daartoe als volgt.

Niveau van willekeurig geweld

Eiser is afkomstig uit Mogadishu, dat onder controle staat van de Somalische overheid. Verweerder neemt voor de administratieve regio Benadir (inclusief de hoofdstad Mogadishu) aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. In de EUAA Guidelines van oktober 2025 wordt ten aanzien van Benadir/Mogadishu uitgegaan van een hoog niveau van willekeurig geweld, zodat een lager niveau van individuele elementen nodig is om aan te tonen dat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat een teruggekeerde burger een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Verwezen wordt naar het aantal veiligheidsincidenten in de periode van 1 april 2023 tot 31 juli 2025. Daarbij wordt genoemd dat Al-Shabaab in die periode verantwoordelijk was voor het merendeel van de incidenten, waarvan meer dan 160 aanvallen op burgers. De EUAA concludeert daarover als volgt: “Given the number of security incidents and fatalities, the persistent presence of Al Shabaab in the region and the nature of the attacks (e.g. attacks in public spaces), it can be concluded that indiscriminate violence is taking place in Benadir/Mogadishu at a high level”.

Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat nog steeds kan worden uitgegaan van een lager niveau van willekeurig geweld. In het verweerschrift heeft verweerder verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 8 januari 2026. Daarin overweegt de Afdeling dat er geen reden is om aan te nemen dat de algemene veiligheidssituatie in Mogadishu wezenlijk anders is dan in het landgebonden beleid van verweerder is vastgelegd. De rechtbank is van oordeel dat deze verwijzing geen doel treft nu uit deze uitspraak, noch uit de onderliggende uitspraak, duidelijk wordt dat de EUAA Guidelines van oktober 2025 zijn betrokken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder, gelet op voornoemde EUAA Guidelines die van na het ambtsbericht 2025 dateren, onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet van een hoger niveau van willekeurig geweld moet worden uitgegaan in Mogadishu.

Individuele omstandigheden

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat, ook als wordt uitgegaan van een lager niveau van willekeurig geweld, verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de door eiser aangevoerde individuele elementen, die verweerder niet heeft bestreden, onvoldoende in onderlinge samenhang heeft betrokken. Verweerder heeft onvoldoende betrokken dat eiser op jonge leeftijd (16 jaar) Somalië heeft verlaten en in Europa verblijft, hij geen netwerk meer heeft in Somalië en behoort tot een minderheidsclan waarvan de leden volgens algemene bronnen worden gediscrimineerd. Eiser is ongeveer twintig jaar niet meer in Somalië geweest en is verwesterd. Uit het algemeen ambtsbericht 2023 en uit het algemeen ambtsbericht 2025 volgt dat terugkeerders uit westerse landen, in het bijzonder indien zij vanaf jonge leeftijd buiten Somalië hebben verbleven, doorgaans eenvoudig herkenbaar zullen zijn. Zij worden bijvoorbeeld herkend vanwege een afwijkend accent, manier van kleden, manier van lopen, gesticuleren of hun houding. Zij hebben vaak moeite om zich de dagelijkse gewoontes eigen te maken, zijn kwetsbaar voor afpersingen en overvallen, en kunnen met discriminatie en uitsluiting te maken krijgen. Ook meldt het ambtsbericht 2025 dat de perceptie in de Somalische samenleving wijdverbreid is dat als personen gedwongen waren teruggekeerd, dit het gevolg moest zijn van ‘slecht’ gedrag (bijvoorbeeld alcohol- of drugsgebruik, afvalligheid, buitenechtelijke relaties, homoseksualiteit). Dit had gevolgen voor de mate waarin de clan zich over zo iemand zou ontfermen, en vaak konden deze personen geen werk vinden. Het standpunt van verweerder dat eiser niet verplicht is om zich in bepaalde districten op te houden en naar veiligere districten kan gaan, omdat hij niet gebonden is aan een sociaal netwerk, acht de rechtbank in het licht van deze informatie dan ook onvoldoende gemotiveerd. Daarmee miskent verweerder dat uit de door eiser aangehaalde bronnen juist blijkt dat het van belang is om een sociaal netwerk te hebben bij terugkeer om ernstige schade te voorkomen.

10. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet van een hoger niveau van willekeurig geweld moet worden uitgegaan in Mogadishu. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer wegens zijn specifieke persoonlijke omstandigheden een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Somalië. Verweerder heeft in de besluitvorming de door eiser aangevoerde omstandigheden, met name de lange verblijfsduur buiten Somalië, de discriminatie vanwege het behoren tot de Bantu-Jareer en het ontbreken van een sociaal netwerk en bescherming van zijn clan in Mogadishu, onvoldoende kenbaar in onderlinge samenhang betrokken. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Dit is in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft de aanvraag van eiser ten onrechte afgewezen. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Gelet op de aard van de gebreken ziet de rechtbank geen mogelijkheid om het geschil finaal te beslechten. Het is aan verweerder om de geconstateerde gebreken te herstellen.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.

Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 2 september 2025;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder tot een betaling van € 934,- aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aden, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor wat betreft het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. F. Aden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?