[naam],
V-nummer: [nummer]
[naam]
V-nummer: [nummer],
[naam],
V-nummer: [nummer]
[naam],
V-nummer: [nummer],
[naam],
V-nummer: [nummer],
[naam],
V-nummer: [nummer]
[naam],
V-nummer: [nummer],
[naam],
V-nummer: [nummer],
[naam]
V-nummer: [nummer],
[naam],
V-nummer: [nummer],
gezamenlijk: eisers,
(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het opvolgende beroep dat eisers hebben ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. In een eerdere beroepsprocedure niet tijdig beslissen (NL25.20944) heeft de rechtbank de minister opgedragen om binnen acht weken alsnog een beslissing op de aanvraag te nemen. De minister heeft dit niet gedaan.
3. De minister stelt in het verweerschrift dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat de dwangsom nog niet was volgelopen op het moment dat onderhavig beroep werd ingediend. Volgens de minister kunnen eisers door het voeren van deze procedure niet in een gunstigere positie komen. De minister stelt dat de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 november 2024 niet van toepassing is op het vreemdelingenrecht.
4. De rechtbank volgt de minister hierin niet. Het is juist dat de uitspraak van de Afdeling is gewezen in een zaak over de Wet open overheid (Woo), maar daarin staat niet dat die beperkt is tot de Woo en niet zou zien op andere wetten zoals de Vreemdelingenwet 2000. In deze uitspraak staat ook niet dat procesbelang wordt aangenomen in verband met de rechtszekerheid, zoals de minister stelt. De rechtszekerheid komt pas aan de orde bij de vraag binnen welke nadere termijn de minister alsnog dient te beslissen. Dat de minister vermijdt toezeggingen te doen en stelt geen extra prikkel nodig te hebben laat onverlet dat eisers procesbelang hebben zolang niet is beslist op de aanvraag. Eisers kunnen bovendien wel degelijk een relevant resultaat bereiken en dus in een gunstigere positie komen met het aanwenden van het opvolgende beroep niet tijdig beslissen, namelijk een additionele dwangsom aansluitend aan de eerdere rechterlijke dwangsom. Van stapelen van dwangsommen is geen sprake, want uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat de rechtbank bij het bepalen van een tweede rechtelijke dwangsom rekening moet houden met de eerder opgelegde dwangsom. Dit kan betekenen dat de rechtbank de tweede rechterlijke dwangsom pas laat ingaan nadat de eerste is volgelopen, waardoor dwangsommen niet gelijktijdig lopen en het stapelen van dwangsommen wordt voorkomen. De rechter doet bij een opvolgend beroep niet tijdig beslissen geen tweede maal uitspraak over het geschil, maar stelt op een later moment opnieuw vast dat nog steeds niet op een aanvraag is beslist. Het tijdsverloop is inherent een relevante factor aan een beroep niet tijdig beslissen. Voorts wijst de rechtbank erop dat thans de volledige rechterlijke dwangsom alsnog is volgelopen, zodat hetgeen de minister stelt over het procesbelang, de rechtszekerheid, onnodige extra prikkels en stapeling van dwangsommen reeds om die reden niet kan worden gevolgd. De rechtbank stelt vast dat de minister geen besluit heeft genomen. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.
5. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond.
6. De rechtbank stelt vast dat het dossier (mogelijk) nog niet compleet is, omdat de minister de bij de aanvraag ingediende documenten nog moet beoordelen, van plan is een herstelverzuim te sturen voor nadere documenten of informatie, of in afwachting is van een reactie op die herstelverzuimbrief. Dit betekent dat de minister in principe binnen acht weken een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Echter, het gaat in deze zaak om een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen. Mede gelet op de beslistermijn die de rechtbank in een eerdere procedure heeft opgelegd en het tijdsverloop sindsdien, bepaalt de rechtbank daarom dat de minister binnen vier weken een beslissing op de aanvraag moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
7. Eisers hebben gevraagd om een dwangsom op te leggen als de minister niet op tijd beslist. De rechtbank bepaalt dat de minister opnieuw een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt opnieuw een maximum van € 15.000,-. De rechtbank overweegt dat deze dwangsom redelijk is. In het feit dat de eerder opgelegde dwangsom niet heeft geleid tot het nemen van een besluit ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding voor een verhoging van de dwangsom.
8. De minister moet het betaalde griffierecht en de door eisers gemaakte proceskosten vergoeden. De rechtbank stelt de wegingsfactor die gebruikt wordt bij het bepalen van de hoogte van die proceskostenvergoeding op 0,25. Hiertoe ziet zij aanleiding omdat de omvang van de werkzaamheden die redelijkerwijs nodig zijn voor een opvolgend beroep wegens niet tijdig beslissen in beginsel beperkter zijn dan voor een eerste beroep. Dat betekent dat de proceskostenvergoeding zal worden vastgesteld op € 233,50.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.