[naam], eiser,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. A.J. Rossingh).
Inleiding
1. De minister heeft op 12 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 3 april 2026 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is op het detentiecentrum Rotterdam verschenen. Zijn gemachtigde is op de rechtbank in Groningen verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden) 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
(lichte gronden) 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Voorts heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring.
Voortraject
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
4. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Aan eiser is op
16 april 2025 een terugkeerbesluit en zwaar inreisverbod opgelegd. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag gelegd.
Gronden
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de aan de maatregel ten grondslag gelegde zware en lichte gronden niet heeft betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen.
Lichter middel
6. Eiser stelt dat een lichter middel, zoals een meldplicht, volstaat. Daarbij is van belang dat eiser een relatie heeft in Nederland en zes kinderen. Voor twee van deze kinderen draagt eiser dagelijkse zorgtaken, zoals het naar school brengen. Eiser is elke dag bij deze kinderen, zijn banden met zijn familie zijn erg sterk. Daarnaast loopt er volgens eiser een zogenoemde Chavez-aanvraag, het wachten is op een DNA-test. Eiser betwist tot slot dat hij zich eerder niet aan de meldplicht zou hebben gehouden.
7. De beroepsgronden slagen niet. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de verklaringen van eiser, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstaat niet om de uitzetting van eiser te verzekeren. De minister heeft eiser daarbij zwaar aan mogen rekenen dat hij al sinds 2000 geen rechtmatig verblijf in Nederland meer heeft en dat aan hem op 16 april 2025 een terugkeerbesluit naar Suriname en een zwaar inreisverbod is opgelegd.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de minister terecht heeft overwogen dat eiser de familierechtelijke band met zijn kinderen niet heeft onderbouwd. In de maatregel is daarnaast voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van een schending van artikel 8 EVRM. Verder is zowel in de maatregel als op zitting aangegeven dat bij de minister geen Chavez-aanvraag van eiser bekend is. De rechtbank stelt tot slot vast dat de minister de medische omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel van bewaring. De minister heeft eiser erop gewezen dat medische behandeling in het detentiecentrum beschikbaar is en dat die gelijkwaardig is met de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.
Voortvarendheid
8. De rechtbank stelt vast dat de minister ter zitting heeft aangegeven dat op
16 maart 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft plaatsgevonden. Ook is er ter zitting aangegeven dat er al op 7 juni 2022 is door de Surinaamse autoriteiten goedkeuring is gegeven voor de afgifte van een noodpaspoort. Eiser is op 5 juli 2024 in persoon opnieuw gepresenteerd aan de Surinaamse vertegenwoordiging. Door de Surinaamse vertegenwoordiging is in het verslag van de presentatie het volgende bevestigd over de nationaliteit: ”De nationaliteit was al bevestigd en is al toegevoegd aan het dossier.” Er is een nieuwe lp-aanvraag opgestart. De rechtbank ziet in dit alles geen reden om te oordelen dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser.
Zicht op uitzetting
9. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat uit de bewaringsmaatregel niet blijkt dat een inhoudelijke beoordeling van het refoulementrisico en/of de belangen zoals genoemd in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn heeft plaatsgevonden. Eiser heeft in het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring verklaard geen vrees te hebben voor de Surinaamse autoriteiten. Deze verklaring is echter niet meegenomen in de motivering van de maatregel. De minister heeft daarmee niet voldaan aan de verplichting om in de maatregel van bewaring te motiveren dat hij een beoordeling heeft gemaakt zoals is uiteengezet in het arrest Adrar en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026.
Anders dan de minister stelt, kan het bevragen van eiser in het gehoor en zijn daaropvolgende antwoord geen vrees te hebben, niet volstaan als refoulementtoets. De rechtbank stelt daarbij vast dat de maatregel ook geen overweging bevat die impliceert dat de beoordeling heeft plaatsgevonden. Evenmin is in de maatregel verwezen naar eisers verklaringen uit het gehoor. De maatregel bevat dus geen overweging op grond waarvan de beoordeling alsnog kan worden gelezen, zoals bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026.
Conclusie en gevolgen
10. Omdat de minister in de maatregel van bewaring niet heeft gemotiveerd dat het beginsel van non-refoulement zich niet verzet tegen de uitzetting van eiser, verklaart de rechtbank het beroep gegrond. De maatregel van bewaring was vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag (7 april 2026).
11. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 27 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 1 x € 160,00 (verblijf politiecel) en 26 x € 120,00 (verblijf detentiecentrum) = € 3.280,00.
12. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
E.S. Tiggelaar, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.