ECLI:NL:RBDHA:2026:8181

ECLI:NL:RBDHA:2026:8181

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-04-2026
Datum publicatie 08-04-2026
Zaaknummer NL24.41684
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Beroep gegrond. Mvv mocht niet worden geweigerd op grond van inburgeringsvereiste, want strijd met discriminatieverbod. Overwegingen MK-uitspraak van deze rechtbank van 16 april 2024 overgenomen. Ook ingegaan op overige beroepsgronden, met het oog op finale geschilbeslechting en onzekerheid uitkomst gestelde prejudiciële vragen. Schending hoorplicht. Onvoldoende rekening gehouden met persoonlijke situatie eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.41684

[v nummer]

(gemachtigde: mr. M. Berg),

en

(gemachtigde: mr. B.E.M. Goossens).

Procesverloop

Eiseres is geboren op [geboortedag] 1969 en heeft de Marokkaanse nationaliteit.

Eiseres heeft in 2009 een adviesaanvraag tot afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ingediend. Op 18 september 2009 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen, omdat eiseres niet voldeed aan het inburgeringsvereiste.

Eiseres heeft op 7 december 2023 opnieuw een aanvraag ingediend voor een mvv voor het verblijfsdoel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon] (referent)’. Referent is de echtgenoot van eiseres.

Met het primaire besluit van 19 maart 2024 heeft verweerder de aanvraag voor een mvv afgewezen, omdat eiseres niet voldoet aan het inburgeringsvereiste.

Met het bestreden besluit van 18 oktober 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van de mvv gebleven. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het onderscheid door het inburgeringsexamen gerechtvaardigd is en niet in strijd is met het discriminatieverbod, omdat het onderkend is door de wetgever. Verweerder verwijst naar Kamerstukken en Kamervragen. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor ontheffing van het inburgeringsvereiste op grond van persoonlijke individuele omstandigheden. Niet is gebleken dat eiseres alles heeft gedaan wat in redelijkheid van haar verwacht mag worden om het examen te halen. Verweerder ziet ook geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden afgeweken van de beleidsregels.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben referent, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht is overgegaan tot afwijzing van de mvv.

Strijdigheid met het discriminatieverbod

Eiseres voert aan dat het inburgeringsvereiste in strijd is met het discriminatieverbod, zoals dat is neergelegd in artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in een uitspraak van 16 april 2024 geoordeeld dat het onderscheid dat verweerder maakt bij het bepalen wie wel en niet inburgeringsplichtig is in strijd is met de internationale discriminatieverboden, neergelegd in onder andere het EVRM. Verweerder heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Dit hoger beroep heeft ertoe geleid dat de Afdeling op 11 juni 2025 prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). Het Hof moet zich nog uitspreken over deze prejudiciële vragen. Omdat dit doorgaans enige tijd in beslag neemt en de Afdeling nog geen einduitspraak heeft gedaan, zal de rechtbank in deze zaak in lijn met de hiervoor genoemde rechtbankuitspraak oordelen. De rechtbank neemt de rechtsoverwegingen van die uitspraak over, in het bijzonder rechtsoverweging 30.

Dit brengt mee dat verweerder de door eiseres aangevraagde mvv niet heeft mogen weigeren op grond van het inburgeringsvereiste, aangezien de wijze waarop dit vereiste op dit moment is ingekleed volgens de hiervoor genoemde rechtbankuitspraak niet in overeenstemming is met onder andere de Gezinsherenigingsrichtlijn en het EVRM. Het beroep is reeds daarom gegrond. De rechtbank zal aan het einde van deze uitspraak terugkomen op de gevolgen van de gegrondverklaring.

Nu het beroep reeds gegrond is omdat het besluit in strijd is met de internationale discriminatieverboden neergelegd in onder andere het EVRM en met de Gezinsherenigingsrichtlijn, hoeft de rechtbank de overige gronden niet meer te bespreken. De rechtbank zal echter, met het oog op het mogelijke hoger beroep, de onzekerheid van de uitkomst van de gestelde prejudiciële vragen en in het kader van finale geschilbeslechting, toch inhoudelijk ingaan op de overige beroepsgronden.

Schending hoorplicht

Eiseres voert aan dat sprake is van schending van de hoorplicht. Verweerder had het bezwaar niet kennelijk ongegrond mogen verklaren. Op een hoorzitting had referent de geleverde inspanningen en beperkingen van eiseres nader kunnen toelichten.

Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan, ook gelet op de verschillende functies van de hoorzitting, zoals het in onderling overleg komen tot een oplossing. Naarmate de in een zaak spelende omstandigheden meer individueel en persoonlijk van aard zijn ligt horen des te meer in de rede en dient van het houden van een hoorzitting niet te snel te worden afgezien.

De rechtbank is met eiseres van oordeel dat verweerder niet had mogen afzien van het houden van een hoorzitting. Op de zitting is gebleken dat er bij verweerder nog vragen waren over de dagtekening van de brief van de [school] . Op de zitting is verder gebleken dat voor verweerder uit de brief van de [school] onvoldoende blijkt hoe eiseres is begeleid. Naar het oordeel van de rechtbank was een hoorzitting de aangewezen plek geweest om eiseres hiernaar te vragen en een nadere onderbouwing hierover op te vragen. Dit klemt te meer, nu eiseres in bezwaar nadrukkelijk heeft aangegeven dat referent bereid is het bezwaar en de inspanningen van eiseres in persoon nader toe te lichten. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, op voorhand niet gezegd kon worden dat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kon leiden dan in het primaire besluit.

Verrichte inspanningen

Eiseres voert aan dat het voor haar onmogelijk is om aan het inburgeringsvereiste te voldoen. Zij is analfabete, beheerst alleen de Berberse taal en heeft nog nooit op school gezeten. Zij heeft al veel inspanningen verricht om het examen te halen, maar het lukt haar niet om te slagen. Zo heeft zij al drie keer een examen afgelegd, jarenlang cursus gevolgd met in totaal 720 lesuren en heeft zij gebruik gemaakt van het zelfstudiepakket ‘Naar Nederland’. In het geval van eiseres maakt de verplichting van het inburgeringsexamen de gezinshereniging onmogelijk of uiterst moeilijk.

De rechtbank overweegt als volgt. Het Hof heeft in het arrest van 9 juli 2015 geoordeeld dat het vooraf stellen van bepaalde integratievoorwaarden is toegestaan, maar alleen als deze voorwaarden de integratie vergemakkelijken. Het Hof heeft er daarbij op gewezen dat de integratievoorwaarden van artikel 7, lid 2, eerste alinea, van Richtlijn 2003/86 niet tot doel mogen hebben de personen te selecteren die hun recht op gezinshereniging zullen kunnen uitoefenen, maar dat deze hun integratie in de lidstaten dienen te vergemakkelijken.

In Werkinstructie 2021/21 ‘Inburgering in het buitenland’ heeft verweerder onder andere opgenomen dat het basisexamen in het buitenland is bedoeld om gezinsmigranten een betere startpositie in Nederland te geven. Met het afleggen van het examen kan de integratie in Nederland worden vergemakkelijkt. Het inburgeringsproces wordt in Nederland gecontinueerd. Daarbij acht verweerder het van belang dat gezinsmigranten serieuze pogingen en voorbereidingen ondernemen om kennis te nemen van de Nederlandse taal en samenleving. De inspanningen (pogingen en voorbereidingen) van de gezinsmigrant mogen echter niet zo lang duren dat uitoefening van het recht op gezinshereniging onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt. Er kan ontheffing worden verleend indien zich bijzondere individuele omstandigheden voordoen. Daarbij kunnen volgens verweerder een rol spelen; de verrichte inspanningen, de reeds gemaakte kosten ter voorbereiding en/of het afleggen van het basisexamen, het opleidingsniveau en het tijdsverloop sinds de start van de inspanningen tot gezinshereniging.

De rechtbank stelt op grond van het dossier vast dat eiseres al aanzienlijke inspanningen heeft verricht om het examen te behalen. Zij krijgt sinds 1 januari 2022 les en volgde toen vier dagen per week les, waarvan zij per dag twee uur intensief les had. In totaal heeft zij meer dan 720 lesuren gevolgd. Dit wordt ondersteund door de verklaringen van de [school] van 2 juni 2023 en de verklaring van de docent van eisers van 5 november 2025. Eiseres heeft ook drie pogingen gedaan om het examen te halen, namelijk op 19 januari 2023, op 23 mei 2023 en op 15 september 2023. Eiseres werd geholpen door referent. De inspanningen hebben er niet toe geleid dat eiseres het basisexamen inburgering heeft gehaald. Eiseres is analfabete, spreekt alleen de Berberse taal en is nooit naar school geweest. Uit het dossier is ook gebleken dat zij verschillende medicijnen gebruikt voor haar medische aandoeningen, waaronder antipsychotica en antidepressiva. Gelet op dit samenstel van persoonlijke omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres zich onvoldoende heeft ingespannen om te slagen voor het inburgeringsexamen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende kenbaar rekening heeft gehouden met de persoonlijke situatie van eiseres. De motivering in het bestreden besluit is ook op dit punt niet deugdelijk.

Conclusie

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, gelet op hetgeen in overwegingen 3.2 en 3.3 is overwogen. Met verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 16 april 2024 is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit discriminatoir is, omdat het in strijd is met artikel 2, eerste lid, onder a, van het IVUR, artikel 14 van het EVRM, artikel 1, eerste lid van het 12e Protocol bij het EVRM en artikel 21, eerste lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Daarnaast is het bestreden besluit in strijd met artikel 7, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn als ook onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij moet verweerder rekening houden met wat er in deze uitspraak is geoordeeld, en alle gegevens in de beoordeling betrekken die op dat moment bekend zijn. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van tien weken.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R. Hirzalla

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?