ECLI:NL:RBDHA:2026:8182

ECLI:NL:RBDHA:2026:8182

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-04-2026
Datum publicatie 08-04-2026
Zaaknummer NL24.52052
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Beroep gegrond. Visum kort verblijf. Schending hoorplicht. Verweerder heeft onvoldoende gewicht toegekend aan het feit dat eiser vrouw en kind heeft in Marokko. Economische en sociale binding zijn communicerende vaten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.52052

[v nummer]

(gemachtigde: mr. S. Petkovic),

en

(gemachtigde: mr. B.E.M. Goossens).

Procesverloop

Eiser is geboren op [geboortedag] 1997 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Op 14 juni 2024 heeft eiser verzocht om de afgifte van een visum kort verblijf, om op bezoek te gaan in Nederland bij [referent] (referent). Referent is de zwager van eiser.

Met het primaire besluit van 8 juli 2024 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Volgens verweerder heeft eiser het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende aangetoond en kon het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaat te verlaten vóór het verstrijken van het visum niet worden vastgesteld.

Met het bestreden besluit van 4 december 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaat te verlaten vóór het verstrijken van het visum niet kon worden vastgesteld, omdat de sociale en economische binding van eiser met het land van herkomst onvoldoende is aangetoond, dan wel gering is gebleken.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben referent, mr. L. Hu als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Schending hoorplicht

Eiser voert aan dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden.

Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan. Een relevante omstandigheid is onder meer de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.

De rechtbank is van oordeel dat in het geval van eiser niet gezegd kan worden dat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kon leiden dan het standpunt in het primaire besluit. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Verweerder heeft eiser in de herstelverzuimbrief van 19 november 2024 gevraagd om een leesbare geboorteakte van zijnkind, bankafschriften van juni, juli, augustus, september en oktober 2024, en indien mogelijk een definitieve belastingaangifte van 2023 en 2024 over te leggen. Eiser heeft de geboorteakte en de bankafschriften overgelegd. Eiser heeft de definitieve belastingaangiftes niet over kunnen leggen, omdat hij niet belastingplichtig is. Hieruit blijkt dat eiser wel inspanningen heeft verricht om de door verweerder verzochte informatie aan te leveren. Verweerder heeft eiser niet gevraagd om stukken over te leggen waaruit de zorg voor zijn gezin blijkt en heeft ook niet expliciet gevraagd om meer stukken over te leggen waaruit zijn werkzaamheden als monteur blijken. In het bestreden besluit wordt eiser echter wel tegengeworpen dat hij zijn werkzaamheden als monteur onvoldoende heeft onderbouwd en dat hij niet heeft onderbouwd dat hij kostwinner is en de financiële zorg draagt voor zijn gezin. Gelet op het specifieke verzoek van verweerder in de herstelverzuimbrief en het feit dat eiser de specifiek verzochte stukken wel heeft aangeleverd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder dit eiser niet in redelijkheid tegen heeft kunnen werpen. Naar het oordeel van de rechtbank had het hier juist op de weg van verweerder gelegen om een hoorzitting te houden. Op een hoorzitting had verweerder eiser kunnen vragen naar een nadere onderbouwing van de zorg voor zijn gezin en zijn werkzaamheden als monteur.

De rechtbank neemt in dit kader ook mee dat verweerder in de bezwaarfase een vragenlijst aan eiser heeft toegezonden om nadere informatie te verkrijgen. De rechtbank is van oordeel dat ook uit het toesturen van de vragenlijst blijkt dat verweerder in de bezwaarfase nog geen volledig beeld had van de situatie van eiser en onderzoek nodig vond. Het toesturen van een vragenlijst met verzoek om stellingen te onderbouwen is een vorm van onderzoek. Als verweerder dit soort onderzoek in de bezwaarfase nodig vindt en in gang zet, en de vragenlijst komt gedetailleerd ingevuld en met onderbouwing bij verweerder retour, valt moeilijk in te zien dat dan nog sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar. Eiser heeft in zijn bezwaarschrift bovendien expliciet verzocht om gehoord te worden.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder het bezwaar in het geval van eiser niet kennelijk ongegrond had mogen verklaren en een hoorzitting had moeten houden.

Redelijke twijfel over tijdige terugkeer

In het kader van de finale geschilbeslechting merkt de rechtbank over de economische en sociale binding het volgende op.

Een visumaanvraag voor kort verblijf wordt onder andere afgewezen als de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond, niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken of indien redelijke twijfel bestaat over zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum (oftewel het vestigingsgevaar). Bij de beoordeling hiervan heeft verweerder een ruime beoordelingsmarge.

Voor de beoordeling van het vestigingsgevaar betrekt verweerder de sociale en economische binding van de aanvrager met het land van herkomst. Daarbij betrekt verweerder welke omstandigheden in het voordeel en welke in het nadeel van de aanvrager uitvallen. Op basis daarvan komt verweerder tot een conclusie over de vraag of redelijke twijfel bestaat over tijdige terugkeer naar het land van herkomst. De rechter kan dit oordeel van verweerder slechts terughoudend toetsen.

Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de economische binding van eiser met zijn land van herkomst niet zodanig is dat tijdige terugkeer naar dat land redelijkerwijs gewaarborgd is. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet heeft aangetoond dat hij een regelmatig en substantieel inkomen heeft. Verweerder mist bewijsstukken dat eiser daadwerkelijk salaris ontvangt en bij verweerder zijn vragen gerezen bij de hoge stortingen op de bankafschriften, die volgens verweerder niet in verhouding staan tot het salaris van eiser. Met betrekking tot de sociale binding heeft verweerder overwogen dat eiser weliswaar enige sociale binding met het land van herkomst heeft, omdat hij een vrouw en een kind heeft in Marokko. Volgens verweerder is dit echter, gezien hetgeen is overwogen met betrekking tot de economische binding, onvoldoende garantie voor een tijdige terugkeer.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom aan het feit dat het gezin van eiser in het land van herkomst achterblijft geen zwaarder gewicht toekomt, dan hij daaraan in het bestreden besluit heeft toegekend. De rechtbank ziet niet in waarom verweerder de omstandigheid dat eiser een vrouw en een kind heeft in Marokko niet zwaar in zijn voordeel heeft meegewogen met betrekking tot de sociale binding. De rechtbank betrekt hierin dat het in beginsel aannemelijk is dat eiser, als vader van een jong gezin, mede zorg draagt. Ook in deze beroepsprocedure heeft verweerder niet gemotiveerd dat sprake is van contra-indicaties die maken dat in dit geval van dat uitgangspunt moet worden afgeweken.

Verder heeft eiser een werkgeversverklaring overgelegd, waarin uitgebreid is verklaard over de aard en de duur van zijn dienstverband. Ook heeft eiser een ‘Attestation d’inscription dans le Registre National de l’Artisanat pour les artisans’ overgelegd, waaruit volgt dat hij staat geregistreerd in het nationaal register voor ambachtslieden. Op verzoek van verweerder heeft eiser bankafschriften van juni, juli, augustus, september en oktober 2024 overgelegd. Voor zover verweerder heeft aangegeven twijfels te hebben bij de hoge stortingen op de bankafschriften, heeft eiser uitgelegd dat deze hoge stortingen komen doordat hij zijn salaris contant krijgt uitbetaald en hij één keer in de zoveel tijd het salaris op zijn rekening stort. De rechtbank kan deze toelichting van eiser volgen.

De rechtbank concludeert dat, de sociale en economische binding in onderlinge samenhang bezien, verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze niet voldoende aanwezig zijn in het geval van eiser. Hierbij heeft verweerder onvoldoende gewicht toegekend aan het feit dat eiser een vrouw en een minderjarig kind heeft in Marokko. Anders dan verweerder stelt, brengt dit naar het oordeel van de rechtbank niet ‘enige’ mate van sociale binding met zich, maar kan ervan worden uitgegaan dat dit de solide basis vormt van het leven van een persoon. Tegenover deze sociale binding heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom de economische binding dusdanig in het nadeel van eiser weegt dat tijdige terugkeer van eiser naar Marokko niet gewaarborgd zou zijn. Hierbij is het dus van belang dat eiser wel een bepaalde mate van sociale binding met Marokko heeft laten zien. Verweerder heeft hierbij onvoldoende gekeken naar het complete beeld van de gestelde sociale en economische binding. Sociale en economische binding moet namelijk worden gezien als communicerende vaten. Daarmee wordt bedoeld: hoe geringer de ene binding is, hoe sterker de andere binding moet zijn. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder de sociale en economische binding meer in onderlinge samenhang in de afweging moeten betrekken.

Bestuurlijke dwangsom

Eiser voert aan dat verweerder hem een bestuurlijke dwangsom is verschuldigd, omdat verweerder het besluit op bezwaar niet op tijd heeft genomen. Omdat geen sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar, heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Verweerder heeft in het bestreden besluit erkend dat niet op tijd is beslist op het bezwaarschrift en dat de ingebrekestelling terecht is geweest. Omdat de rechtbank oordeelt dat verweerder het bezwaar niet kennelijk ongegrond had mogen verklaren, is artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Awb niet van toepassing. Verweerder was daarom wel een dwangsom verschuldigd aan eiser.

Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom nog niet vastgesteld. De rechtbank doet dit nu op grond van artikel 8:55c van de Awb en stelt de hoogte van de dwangsom vast op een bedrag van € 1.442,-, omdat er meer dan 42 dagen zijn verstreken sinds verweerder in gebreke was.

Conclusie

Het beroep is gegrond, omdat in de bezwaarfase ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.

Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en de proceskostenvergoeding betalen. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het beroepschrift ingediend en is op de zitting verschenen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. Omdat de zaak een gemiddeld gewicht heeft, is op deze waarde de factor 1 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Omdat het bezwaar niet kennelijk ongegrond had mogen worden verklaard, heeft eiser recht op een dwangsom. Deze dwangsom is vastgesteld op € 1.442,-.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R. Hirzalla

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?