ECLI:NL:RBDHA:2026:8184

ECLI:NL:RBDHA:2026:8184

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 08-04-2026
Datum publicatie 08-04-2026
Zaaknummer NL25.4674, NL25.60848, NL24.47434, NL24.47428
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Afwijzing verblijfsdocument EU/EER en aanpassing van eisers verblijfsaantekening in zijn paspoort 'arbeid niet toegestaan.' Niet aangetoond dat sprake is van feitelijke samenwoning, geen schending van de hoorplicht, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser en verzoeker (hierna: eiser)

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers:

NL25.4674

NL25.60848

NL24.47434

NL24.47428

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S.L. Soedamah),

en

(gemachtigde: mr. J.P. Arts).

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verblijfsdocument EU/EER en de afwijzing van de aanpassing van zijn verblijfsaantekening in zijn paspoort ‘arbeid niet toegestaan’. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser voor een verblijfsdocument EU/EER terecht heeft afgewezen. Ook heeft verweerder de aanpassing van zijn verblijfsaantekening ‘arbeid niet toegestaan’ in zijn paspoort terecht afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Eiser is geboren op [geboortedag] 1998 en heeft de Ghanese nationaliteit. Hij heeft op 21 juni 2023 een aanvraag ingediend tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER voor verblijf bij zijn partner [persoon 1] (referente). Zij heeft de Belgische nationaliteit.

Verweerder heeft eiser met een brief van 11 december 2023 gevraagd zijn aanvraag met ontbrekende stukken aan te vullen. Op 28 december 2023 verweerder eiser zijn stukken ontvangen.

Met het primaire besluit van 30 januari 2024 heeft verweerder de aanvraag afgewezen en aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.

Met het bestreden besluit 1 van 31 oktober 2024 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1 (NL24.47428) en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen (NL24.47434).

Met het besluit van 2 december 2024 heeft verweerder besloten dat eiser recht heeft op een verblijfsaantekening met de beperking dat arbeid niet is toegestaan. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de beperking dat arbeid niet is toegestaan en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL25.4674). Met het bestreden besluit 2 van 13 november 2025 is verweerder bij de beperking gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld het bestreden besluit 2 (NL25.60848)

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de beroepen en verzoeken op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, referente, de gemachtigde van eiser en K. Mensah als tolk in de taal Twi deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Toetsingskader duurzame relatie

3. Aan een ongehuwde partner van een Unieburger kan een EU/EER document worden verstrekt als zij een deugdelijk bewezen duurzame relatie hebben. Verweerder gaat ervan uit dat de ongehuwde partner en de Unieburger een duurzame relatie hebben, als zij voorafgaand aan het moment van de aanvraag of op het moment van beslissen gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding voeren, waarbij in ieder geval gedurende die termijn feitelijk is samengewoond. Op grond van de persoonlijke omstandigheden van het geval kan een relatie als duurzaam worden aangemerkt als de Unieburger en de ongehuwde partner nog geen zes maanden feitelijk hebben samengewoond en zij gedurende tenminste zes maanden een duurzame relatie onderhouden. Verweerder kan daarbij in ieder geval de volgende relevante aspecten betrekken die aan kunnen tonen dat er emotionele en affectieve banden zijn aangegaan, die maken dat sprake is van een duurzame relatie: de duur van de gezamenlijke huishouding, het dragen van zorg voor elkaar, het hebben van een gezamenlijk kind en daar de gezamenlijke zorg voor dragen, het hebben van gezamenlijke financiële verplichtingen of banden, samenwoning in het verleden en/of de frequentie van het contact en elkaar zien. In alle gevallen moet het gaan om een bestaande duurzame relatie.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank overweegt allereerst dat eiser en referente ten tijde van het bestreden besluit meer dan zes maanden stonden ingeschreven op hetzelfde adres, namelijk sinds24 november 2023. Tussen partijen is in geschil of gedurende deze zes maanden sprake was van feitelijke samenwoning.

Eiser voert aan dat hij sinds 2022 samenwoont met referente en dat zij een duurzame relatie hebben. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser de volgende bewijsstukken overgelegd:

Relatieverklaring van 20 juni 2023 (verklaring gezamenlijke huishouding sinds 20 november 2020);

BRP-gegevens van eiser en referente;

Foto’s (verschillende plekken, verschillende data);

Whatsappberichten tussen 14 augustus 2022 en 20 december 2023

Rekeningafschriften van twee bankpassen van ING, waarvan één op naam van eiser en één op naam van eiser en referent;

Diverse brieven van o.a. de Belastingdienst, de gemeente Diemen, De GGD en het Pensioenfonds;

Kassabonnen;

Salarisspecificaties;

Arbeidscontract.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser en referente er niet in zijn geslaagd aan te tonen dat zij gedurende zes maanden feitelijk hebben samengewoond. De stukken die eiser heeft overgelegd zijn daarvoor onvoldoende. Verweerder heeft verder gesteld dat geen sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM.

Eiser is van mening dat hij voldoende stukken heeft overgelegd die aantonen dat er sprake is van feitelijke samenwoning tussen hem en referente. Verweerder had de stukken binnen de context van de gezamenlijke huishouding moeten plaatsen en in combinatie met elkaar moeten beoordelen. Verweerder hanteert een te strikte uitleg van het begrip ‘duurzame relatie’, die niet in lijn is met de Verblijfsrichtlijn en de jurisprudentie. Als verweerder de stukken in het licht van de Verblijfsrichtlijn had beoordeeld, was verweerder volgens eiser tot de conclusie gekomen dat er sprake is van feitelijke samenwoning. Eiser is het ook niet eens met het feit dat hij niet mag werken. Daarnaast voert eiser aan dat artikel 8 van het EVRM wordt geschonden nu hij geen verblijfsdocument krijgt. Tot slot vindt eiser dat verweerder ten onrechte geen hoorzitting gehouden.

Hoorplicht

De rechtbank overweegt dat van horen mag worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. Naar het oordeel van de rechtbank was daarvan in dit geval sprake. Hiertoe is van belang dat verweerder eiser meerdere malen in de gelegenheid heeft gesteld om (aanvullende) stukken te overleggen ter onderbouwing van de gestelde duurzame relatie en opheldering te geven over de geconstateerde onvolledigheden. Eiser heeft op 11 december 2023 een herstelverzuimbrief ontvangen waarin verweerder hem verzoekt om nadere stukken. Eiser heeft in reactie hierop de volgende stukken overgelegd:

Schriftelijke verklaring van eisers gemachtigde over middelen van bestaan en relatie van eiser en referent;

Foto’s van eiser en referent;

Uitdraai van WhatsApp conversatie tussen “ [persoon 2] ” 10/8/1987 en [persoon 3] . (14 augustus 2022 - 20 december 2023);

Foto van 2 bankpassen ING (een pas op naam van eiser en een pas op naam van referente);

Foto’s van kassabonnen.

Ten aanzien van deze stukken heeft verweerder in het primaire besluit van 30 januari 2024 overwogen dat deze stukken onvoldoende zijn om aan te tonen dat eiser en referente gedurende zes maanden feitelijk hebben samengewoond en/of een duurzame relatie hebt onderhouden. De rechtbank kan dit standpunt volgen, nu uit de kassabonnen, foto’s en bankrekeningen niet kan worden afgeleid dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Eiser heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt. De rechtbank constateert dat eiser in bezwaar geen nieuwe en/of recente stukken heeft overgelegd. Nu de bewijslast bij eiser ligt en het de rechtbank ook niet duidelijk is geworden waarom eiser in bezwaar geen nieuwe/recente stukken heeft overgelegd, heeft verweerder terecht afgezien van het horen van eiser.

Duurzame relatie

Eiser benadrukt dat hij sinds 2022 met referente samenwoont. Hij wijst ter onderbouwing op de aanslag inkomstenbelasting 2024 en de gezamenlijke bankrekening waarvan ter zitting afschriften zijn overgelegd. Eiser stelt niet dat hij en referente op een andere wijze samenleven en dat sprake is van een duurzame relatie terwijl zij niet samenwonen. Nu het geschil tussen partijen beperkt is tot de vraag of eiser wel of niet samenwoont met referente, kan de rechtbank eiser niet volgen in het standpunt dat verweerder het begrip duurzame relatie te beperkt uitlegt.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat gedurende zes maanden sprake is geweest van feitelijke samenwoning. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht gesteld dat de door eiser overgelegde stukken onvoldoende bewijs ter onderbouwing van dit standpunt. Zoals in 4.1. is overwogen, is het niet in geschil dat eiser en referente op hetzelfde adres staan ingeschreven. Als gevolg van de BRP-inschrijving ontvangen zij gezamenlijke post van bijvoorbeeld de gemeente en overige overheidsinstanties. Om die reden komen de poststukken die eiser heeft overgelegd in deze procedure weinig bewijswaarde toe. De poststukken zijn immers het gevolg van de inschrijving in de BRP en zeggen niets over de feitelijke samenwoning van eiser en referente. Ook de bankafschriften die ter zitting zijn besproken, zijn voor de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is van een duurzame relatie. Hoewel eiser en referente hebben aangetoond dat zij over een gezamenlijke rekening beschikken en uit de afschriften blijkt dat deze rekening regelmatig wordt gebruikt, kan hieruit niet worden afgeleid dat zij feitelijk samenwonen. Eiser en referente kunnen de gezamenlijke rekening namelijk ook apart gebruiken. Ten slotte is er ter zitting door eiser aangevoerd dat uit de premie van de zorgverzekering blijkt dat eiser en referente samenwonen. Dit standpunt is onvoldoende onderbouwd. De rechtbank heeft, los van het bankafschrift van de zorgverzekering dat ter zitting is overgelegd, geen stukken gezien ter onderbouwing van dit standpunt. Het is de rechtbank ook niet duidelijk waarom uit de aanslag inkomstenbelasting 2024 zou volgen dat eiser en referente feitelijk hebben samengewoond. Ten aanzien van de overlegde whatsappgesprekken overweegt de rechtbank dat op de zitting niet duidelijk is geworden wie degene is die in de gesprekken met ‘ [persoon 2] ’ wordt aangeduid. Volgens referente is dat eiser, maar op de bijbehorende profielfoto staat niet eiser maar haar broer met een overleden vriend. Desgevraagd hebben eiser en referente op de zitting ook aangegeven dat zij niet beschikken over privépost. Dit betekent dat zij geen enkel poststuk dat aan hen persoonlijk gericht is kunnen overleggen. De rechtbank overweegt dat het denkbaar is dat eiser en referente geen persoonlijke post uit Ghana ontvangen, maar juist bewijsstukken als persoonlijke post zouden de feitelijke samenwoning aannemelijk kunnen maken. Het ligt op de weg van eiser om bij gebrek aan persoonlijke post dat bewijs op een andere manier te leveren. Het is aan eiser om zijn situatie tijdens de aanvraag en gedurende het proces voldoende te onderbouwen. Dit heeft hij onvoldoende gedaan.

Artikel 8 van het EVRM

7. Eiser stelt dat sprake is van gezinsleven met referente omdat zij een duurzame relatie hebben. Nu eiser de duurzame relatie onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, komt hem ook geen bescherming van het gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM toe. De rechtbank overweegt dat eiser ten aanzien van deze beroepsgrond ook geen persoonlijke omstandigheden ter onderbouwing heeft aangevoerd. Dit geldt ook voor zijn beroep op het recht op privéleven van artikel 8 van het EVRM. Het is de rechtbank niet gebleken op welke wijze de afwijzing van eisers aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER zijn recht op privé- en/of gezinsleven heeft geschonden.

Verblijfsaantekening

8. Ter zitting is door de gemachtigde van eiser bevestigd dat het beroep tegen de verblijfsaantekening afhankelijk is van de rechtmatigheid van het verblijf. Omdat eisers aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER terecht door verweerder is afgewezen, betekent dit dat verweerder hem ook de verblijfsaantekening met de beperking ‘arbeid niet toegestaan’ heeft mogen opleggen.

Conclusie en gevolgen

9. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag van eiser voor een verblijfsdocument EU/EER en het verzoek tot wijziging van de verblijfsaantekening terecht heeft afgewezen. Omdat de beroepen ongegrond zijn, bestaat er geen aanleiding om de voorlopige voorzieningen te treffen. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

in de zaken NL24.47428 en NL25.60848;

- verklaart het beroep ongegrond;

in de zaken NL24.47434 en NL25.4674;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. W.L. van der Pijl, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?