[eiseres] ,
geboren op [geboortedag 1] 1989, van Sri Lankaanse nationaliteit, eiseres/verzoekster (eiseres)
[eiser 1] ,
geboren op [geboortedag 2] 1988, van Sri Lankaanse nationaliteit, eiser/verzoeker (eiser)
mede namens hun minderjarige kind:
[eiser 2] ,
geboren op [geboortedag 3] 2025, van onbekende nationaliteit, eiser/verzoeker (het kind)
hierna samen te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. S.S.H. Orsel).
Inleiding
1. Bij besluiten van 13 februari 2026 (de bestreden besluiten) heeft de minister de aanvragen van eisers tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Daarnaast hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de overdracht aan Frankrijk te verbieden totdat op de beroepen is beslist.
De rechtbank/voorzieningenrechter (de rechtbank) heeft de zaken op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, A.P. Shantan als tolk in de taal Tamil en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt in deze zaken het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers en hun verzoeken om een voorlopige voorziening. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
3. De rechtbank is van oordeel dat de besluiten gegrond zijn en vernietigt de bestreden besluiten, maar laat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand. Dat betekent dat de besluiten tot het niet in behandeling nemen van hun asielaanvraag in stand blijven. De verzoeken worden afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De bestreden besluiten
4. Op 1 september 2025 hebben eisers een asielaanvraag ingediend in Nederland. De minister heeft de bestreden besluiten gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. Daarin staat dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit Eurodac is gebleken dat eisers een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend in Frankrijk. Nederland heeft daarom op 29 oktober 2025 de autoriteiten van Frankrijk verzocht om eisers terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening. Op 11 november 2025 zijn de autoriteiten van Frankrijk hiermee akkoord gegaan op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening.
Effectieve rechtsbijstand en het zorgvuldigheidsbeginsel
5. Eisers stellen zich allereerst op het standpunt dat er sprake is van een schending van artikel 27 van de Dublinverordening, artikel 47 van het Handvest en het zorgvuldigheidsbeginsel. Eisers zijn feitelijk niet in staat geweest om het aanmeldgehoor en het voornemen te bespreken en een zienswijze op te stellen, waardoor de effectiviteit van de rechtsbijstand wezenlijk is aangetast. Eisers beschikken over zeer beperkt leefgeld en kunnen de reiskosten naar hun gemachtigde zelf niet dragen. De gemachtigde van eisers heeft de uitnodigingen voor de bespreking op haar kantoor per post en e-mail verstuurd naar eisers, maar op vertoon hiervan werd hun door het COA geen reiskaart verstrekt. Op de zitting heeft de gemachtigde van eisers verder toegelicht dat zij zelf, alsmede Vluchtelingenwerk Nederland, contact heeft opgenomen met het COA maar dat het beide niet is gelukt om reiskaarten te verkrijgen voor eisers. Het COA geeft steeds andere redenen op om geen reiskosten te vergoeden. De gemachtigde heeft vervolgens de IND gebeld met de vraag of zij contact met het COA willen opnemen maar de IND heeft niet aan dit verzoek voldaan. Het bereik in Ter Apel is zo slecht dat de gemachtigde het voornemen ook niet via Teams met eisers heeft kunnen bespreken. Op de minister rust op grond van artikel 3:2 van de Awb de verplichting het besluit zorgvuldig voor te bereiden. Bovendien ontslaat de verwijzing van de minister naar het COA hem niet van zijn verantwoordelijkheid om een zorgvuldig besluit te nemen.
De minister stelt zich op het standpunt dat niet de IND maar het COA verantwoordelijk is voor vergoedingen voor reizen die gemaakt worden met het openbaar vervoer in verband met de asielprocedure. Het COA bepaalt ook of de vreemdeling recht heeft op een reisvergoeding. Eisers dienen zich daarvoor dus te wenden tot het COA. De minister weet ook niet anders dan dat de reiskosten worden vergoed. Als eisers het niet eens zijn met het COA over een beslissing met betrekking tot de reiskosten dan dienen zij zich met hun klachten daarover te wenden tot het COA. Eisers hebben immers een gemachtigde toegewezen gekregen en kunnen bezwaar indienen tegen besluiten waarbij de reiskosten zijn geweigerd.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. Op grond van artikel 9 van de Rva hebben eisers recht op openbaar vervoerskaarten voor reizen van en naar de rechtsbijstandverlener in verband met de asielprocedure. Hoewel het juist is dat niet de minister, maar het COA hiervoor verantwoordelijk is, ontslaat dit de minister niet van zijn verantwoordelijkheid als hij van de rechtsbijstandverlener signalen ontvangt dat het COA zijn verplichtingen op dit punt niet nakomt. Zoals uit de verklaring van de gemachtigde van eisers op de zitting en uit de overgelegde stukken volgt, heeft het COA telkens verschillende redenen verteld waarom eisers geen reiskaarten konden verkrijgen. Een voorbeeld van een reden is dat eisers maar één keer hun reis vergoed konden krijgen, terwijl niet is gebleken dat eisers in hun asielprocedure al eerder een reiskostenvergoeding hadden ontvangen. Een ander voorbeeld is dat eisers hun reis moesten onderbouwen met een uitnodiging van hun gemachtigde. De gemachtigde heeft echter toegelicht dat zij deze uitnodigingen wel degelijk aan eisers had gestuurd. De rechtbank ziet geen reden om aan de verklaringen van de gemachtigde van eisers te twijfelen. De gemachtigde heeft vervolgens de IND gevraagd om contact op te nemen met het COA om te achterhalen wat er misgaat, aangezien zij ook medewerkers op de COA-locatie heeft, maar aan dit verzoek heeft de IND niet voldaan. De rechtbank is van oordeel dat in deze omstandigheden niet kan worden gezegd dat het besluit voldoende zorgvuldig is voorbereid. Aan eisers kan niet worden tegengeworpen dat zij bezwaar hadden kunnen maken bij het COA, omdat de termijnen van de algemene asielprocedure daar geen ruimte voor laten.
De beroepsgrond slaagt. De gemachtigde van eisers heeft op de zitting desgevraagd verklaard dat zij in beroep alles inhoudelijk naar voren heeft kunnen brengen. De rechtbank zal daarom ook de overige beroepsgronden bespreken.
Belang van het kind en het interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Daarnaast stellen eisers dat de minister ten onrechte de belangen van hun kind niet bij zijn beoordeling heeft betrokken nu hun kind niet in de bestreden besluiten wordt genoemd. Uit het AIDA Country Report France, update 2024, blijkt dat opvangvoorzieningen in Frankrijk kunnen worden geweigerd in geval van een opvolgende asielaanvraag. Tegen die achtergrond bestaat een reëel risico dat eisers en hun kind bij overdracht aan Frankrijk geen toegang zullen krijgen tot opvangvoorzieningen. Dat was ook de eerdere ervaring van eisers in Frankrijk: ondanks hun verzoeken daartoe hebben zij geen opvang gekregen.
De rechtbank stelt voorop dat het belang van het kind allereerst vereist dat het kind in het bijzijn van beide ouders kan opgroeien. Dat belang is echter niet in geding. Op grond van artikel 20, derde lid, van de Dublinverordening is de situatie van het kind onlosmakelijk verbonden met die van zijn ouders.
De rechtbank begrijpt het standpunt van eisers zo dat zij, met hun kind, geen opvang zullen krijgen in Frankrijk en dat ook daar het belang van hun kind in gelegen ligt. De rechtbank oordeelt dat de Franse autoriteiten met het claimakkoord in beginsel verantwoordelijk zijn voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eisers. Dit is alleen anders als moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest, waarbij een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid geldt. In de uitspraken van 4 september 2024 heeft de Afdeling geoordeeld dat het in de eerste plaats aan de vreemdeling is om het vermoeden te weerleggen dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
De rechtbank stelt voorop dat volgens Afdelingsrechtspraak ten aanzien van Frankijk nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In deze uitspraken heeft de Afdeling geoordeeld dat alhoewel er wel kan worden aangenomen dat sprake was van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in Frankijk, niet is gebleken dat die problemen dusdanig structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Frankrijk op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Het beroep van eisers op het meest recente AIDA-rapport, update 2024 van juni 2025 maakt dat niet anders. De Afdeling heeft bij uitspraak van 31 juli 2025 geoordeeld dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld schetst dan de landeninformatie die de Afdeling bij de uitspraak van 30 augustus 2024 heeft betrokken. De rechtbank ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen reden om hier anders over te oordelen. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij na overdracht geen opvang zullen krijgen. De eerdere ervaring van eisers acht de rechtbank in het licht van de landeninformatie onvoldoende. Als eisers en hun kind toch problemen ervaren in het kader van de opvangvoorzieningen, dan ligt het op hun weg om daarover de Franse autoriteiten te benaderen. Niet is gebleken dat klagen of het vragen van hulp bij de Franse autoriteiten voor eisers niet mogelijk is of dat dit bij voorbaat zinloos zal zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Verantwoordelijkheid Nederland omdat aanvraag inhoudelijk in behandeling is genomen
7. Eisers voeren verder aan dat de minister op 23 november 2025 een verklaring als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de Dublinverordening aan hen heeft voorgelegd en dat zij deze hebben ondertekend. De gemachtigde van eisers heeft op de zitting desgevraagd verklaard dat zij hiermee geen beroep doet op het vertrouwensbeginsel, maar dat de minister aldus is aangevangen met de inhoudelijke behandeling van de asielverzoeken, zodat er geen mogelijkheid meer bestond om een andere lidstaat verantwoordelijk te houden.
De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat de minister is aangevangen met de inhoudelijke behandeling van de asielaanvragen. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat niet snel wordt aangenomen dat Nederland is aangevangen met de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek, zolang de procedure waarbij wordt bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek nog niet is afgerond. In een van deze zaken was er een nader gehoor en aanvullend gehoor afgenomen en een inhoudelijk voornemen tot afwijzing van de aanvraag uitgebracht voordat de Dublinclaim werd gelegd. Desondanks oordeelde de Afdeling dat de procedure waarbij wordt bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is nog niet was afgerond en dat een andere lidstaat verantwoordelijk kon worden gehouden. In een andere zaak oordeelde de Afdeling dat het houden van een nader gehoor de Nederlandse autoriteiten niet de bevoegdheid ontneemt om na dat gehoor alsnog te beslissen dat een ander land voor de behandeling van het asielverzoek van de vreemdeling verantwoordelijk is. Dat eisers een verklaring hebben ondertekend als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de Dublinverordening acht de rechtbank gelet op voorgaande uitspraken dan ook onvoldoende. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister nog het recht had om Frankrijk verantwoordelijk te houden voor de behandeling van de asielverzoeken. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek in de bestreden besluiten. Wegens dit gebrek verklaart de rechtbank de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten. De rechtbank ziet echter aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven omdat eisers in de beroepsfase alsnog al hun inhoudelijke standpunten naar voren hebben kunnen brengen en door het zorgvuldigheidsgebrek dus niet in hun belangen zijn geschaad. Het niet in behandeling nemen van de aanvragen van eisers blijft daarmee in stand.
9. Omdat de rechtbank nu beslist over de beroepen van eisers en deze beroepen gegrond verklaart, is er geen reden meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken daarom af.
10. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in samenhangende zaken € 2.802,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het indienen van de verzoeken om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1, waarbij de zaken van eiser en eiseres als één zaak worden aangemerkt omdat de gronden van beroep gelijkluidend zijn en één zitting heeft plaatsgevonden).
Beslissing
De rechtbank, in de zaken geregistreerd onder zaaknummers: NL26.8361 en NL26.8363,
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand blijven, en
- bepaalt dat de minister de proceskosten van eisers moet vergoeden tot een bedrag van € 1.868,-.
De voorzieningenrechter, in de zaken geregistreerd onder zaaknummers: NL26.8362 en NL26.8364,
- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. K. Mertens, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en de uitspraak is verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met de uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De datum van verzending van de uitspraak ziet u hierboven. Tegen de uitspraak op een verzoek om een voorlopige voorziening is geen hoger beroep of verzet mogelijk.