Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/343537-25
Datum uitspraak: 8 april 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1957 te [geboorteplaats],
BRP-adres: [adres], [postcode] [woonplaats].
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 25 maart 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Bakker en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. L.E. Buiting naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Kort samengevat wordt de verdachte verweten dat hij vier vrouwen heeft aangerand.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens de verdachte met betrekking tot feit 1 en 2 op het standpunt gesteld dat de verdachte primair vrijgesproken dient te worden van het tenlastegelegde vanwege het ontbreken van opzet op het aanraken van de borsten. Daarnaast ontkent de verdachte de overige ten laste gelegde handelingen van feit 1 en 2, en heeft de raadsman zich met betrekking tot feit 2 op het standpunt gesteld dat er onvoldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is waardoor vrijspraak dient te volgen. Subsidiair heeft de raadsman voor feit 1 en 2 vrijspraak bepleit voor het strafverzwarende element ‘dwang’.
Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman verzocht de verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde handelingen met uitzondering van het beetpakken bij de borsten. Tevens dient de verdachte volgens de raadsman voor dit feit te worden vrijgesproken van de bestanddelen geweld en dreiging met geweld.
Met betrekking tot feit 4 en 5 heeft de raadsman vrijspraak bepleit, omdat het dossier onvoldoende bewijs bevat om tot een bewezenverklaring van de gedragingen en de ten laste gelegde periode te komen.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage II de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank zal eerst stilstaan bij de vraag of er voldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde te komen. Daarna zal de rechtbank ingaan op het door de verdediging gevoerde verweer dat de verdachte bij het aanraken van de borsten niet met opzet zou hebben gehandeld. Tenslotte overweegt de rechtbank of sprake is van opzetaanranding met dwang.
Bewijs in zedenzaken
Zedenzaken worden vaak gekenmerkt door één-op-één-verklaringen; het is het woord van het (vermeende) slachtoffer tegen dat van een verdachte. Getuigen van de gebeurtenis zijn er doorgaans niet. Dit is ook het geval in deze zaak. Het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, kan niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Voor een bewezenverklaring moet er sprake zijn van steunbewijs, afkomstig van een andere bron dan het vermeende slachtoffer. Naast de verklaringen van de aangeefsters is er dus steunbewijs nodig uit een onafhankelijke bron. Hiervoor is niet voldoende dat getuigen verklaren over wat het veronderstelde slachtoffer hen over de gebeurtenissen heeft verteld, omdat de bron van die verklaring dan nog steeds die ene getuige is.
Voornoemde bewijsminimumregel brengt mee dat de verklaringen van de aangeefsters in voldoende mate steun in ander bewijsmateriaal moeten vinden.
Steun voor de tenlastegelegde handelingen
De aangeefsters hebben alle vier in detail beschreven hoe de ten laste gelegde handelingen hebben plaatsgevonden en hoe de situatie waarin de handelingen hebben plaatsgevonden is ontstaan en verlopen. De verklaringen die zijn afgelegd zijn consistent en bevatten geen tegenstrijdigheden. De rechtbank acht alle verklaringen betrouwbaar.
Daarnaast overweegt de rechtbank dat de aangiften elkaar door de grote overeenkomsten ondersteunen. De overeenkomsten zijn als volgt. Er is sprake van eenzelfde modus operandi, namelijk dat de verdachte jongere vrouwen op zijn camping benadert wanneer zij eenzaam zijn. Op een voor hem veilige en overzichtelijke plek gaat hij dichtbij de aangeefsters staan waarna hij ze plotseling een knuffel geeft. Uit alle aangiftes blijkt dat de aangevers niet makkelijk weg konden komen omdat zij in een hoek of achter een bar stonden en dat de knuffel snel overging in een situatie waarbij de verdachte hen bij de billen en borsten aanraakte en de aangeefsters probeerde te zoenen. In samenhang bezien versterken de feiten en omstandigheden het bewijs in alle zaken en zijn zij over en weer redengevend omdat de wijze waarop de onderscheidende feiten zijn begaan op deze essentiële punten overeenkomen.
De rechtbank stelt voorts vast dat de verdachte tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft bekend dat hij bij alle vier de vrouwen aan de borsten heeft gezeten. Ook heeft de verdachte tijdens zijn verklaring bij de rechter-commissaris het aanraken van de borsten in een seksuele context geplaatst, door te verklaren dat hij denkt dat hij aantrekkingskracht naar de aangeefsters voelde en dat hij het misschien gedaan zou hebben door een gebrek aan seksueel contact.
Tussenconclusie
De rechtbank acht de verklaringen van alle vier de aangeefsters betrouwbaar en stelt vast dat deze aangiften elkaar onderling ondersteunen. Bovendien ondersteunt de verklaring van de verdachte bij de rechter-commissaris de aangiften.
Opzet vereiste
Door de raadsman is namens de verdachte vrijspraak bepleit voor feit 1 en 2 omdat de verdachte de borsten van de aangeefsters niet met opzet zou hebben aangeraakt en dat het daarmee geen seksuele handeling betrof. Het aanraken van de borsten zou volgens de verklaring van de verdachte bij de rechter-commissaris namelijk per ongeluk bij het stoeien hebben plaatsgevonden. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte op dit punt niet aannemelijk. Allereerst blijkt uit geen van de aangiften dat er gestoeid is. [aangeefster 1] en [aangeefster 2] verklaren beide over een situatie op de werkvloer, waarbij de verdachte de aangeefsters onverwachts op meerdere manieren heeft betast. De verdachte heeft hierbij ook bewegingen gemaakt die niet anders dan opzettelijk kunnen hebben plaatsgevonden, zoals het maken van draaibewegingen en het onder de kleding aanraken van de borsten van [aangeefster 1]. De rechtbank betrekt hierbij ook de verklaring van de verdachte bij de rechter-commissaris waar hij heeft verklaard dat de handelingen in een seksuele context hebben plaatsgevonden. De rechtbank verwerpt het verweer.
Dwang
Tenslotte staat de rechtbank met betrekking tot feit 1 en 2 voor de vraag of de verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde strafverzwarende variant van opzetaanranding waarbij de handelingen zijn voorafgegaan, vergezeld door en/of gevolgd door dwang, door de handelingen onverhoeds te verrichten en de aangeefsters hiermee te overrompelen. De rechtbank constateert dat de wetsgeschiedenis geen eenduidig antwoord geeft op bovenstaande vraag en dat richtinggevende jurisprudentie over dit vraagstuk op dit moment ontbreekt. Gelet op de bestaande twijfel over de reikwijdte van de strafbepaling, zal de rechtbank deze beperkt toepassen. Dat betekent dat de rechtbank het bestanddeel ‘dwang’ beperkt uitlegt en dat zij als gevolg daarvan het onverhoeds handelen niet daaronder zal scharen. De rechtbank zal de verdachte met betrekking tot feit 1 en 2 daarom vrijspreken van de impliciet primair ten laste gelegde gekwalificeerde opzetaanranding met dwang. Zoals eerder uiteengezet, blijkt uit de bewijsmiddelen echter wél dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de impliciet subsidiair ten laste gelegde opzetaanranding. Het gedrag van de verdachte is dus niet straffeloos.
Conclusie
Concluderend is de rechtbank met betrekking tot feit 1 en 2 van oordeel dat de impliciet subsidiair ten laste gelegde opzetaanranding wettig en overtuigend is bewezen. Voor feit 5 geldt ook dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetaanranding. Met betrekking tot feit 3 en 4 is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Voor feit 4 en 5 geldt dat de verdachte dit feit meermalen heeft gepleegd. Dat de rechtbank voor feit 3 en 4 tot een andere kwalificatie is gekomen, heeft te maken met de nieuwe wetgeving die per 1 juli 2024 in werking is getreden.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1hij op 18 mei 2025 te Haastrecht, met een persoon, te weten [aangeefster 1] seksuele handelingen heeft verricht, te weten- het van achteren slaan van zijn, verdachtes, armen om het bovenlichaam van die [aangeefster 1] en- het over en onder de kleding vastpakken van en knijpen en maken van draaibewegingen in de borsten van die [aangeefster 1] en- het tegen die [aangeefster 1] zeggen dat hij haar een lekker ding vindt en- het geven van een knuffel aan die [aangeefster 1] en- het aanraken van de billen van die [aangeefster 1] en- het zoenen van die [aangeefster 1] op haar mond en in haar nekterwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster 1] daartoe de wil ontbrak;
2hij op 7 augustus 2024 te Haastrecht, met een persoon, te weten [aangeefster 2] seksuele handelingen heeft verricht, te weten- het van achteren slaan van zijn, verdachtes, armen om die [aangeefster 2] en- het vastpakken van de borsten van die [aangeefster 2] en- het drukken van zijn, verdachtes, lichaam tegen het lichaam van die [aangeefster 2] en- het geven van een kus op de wang van die [aangeefster 2]terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster 2] daartoe de wil ontbrak;
3hij op 9 mei 2024 te Haastrecht, door een andere feitelijkheid, te weten het misbruik maken van de uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, [aangeefster 3] heeft gedwongen tot het dulden van meer ontuchtige handelingen, te weten- het onverhoeds van achteren slaan van zijn, verdachtes, armen om die [aangeefster 3] en- het onverhoeds met zijn handen vastpakken en aanraken van de borsten van die [aangeefster 3] en- het onverhoeds met zijn handen aanraken van de buik en heupen en billen van die [aangeefster 3] en- het onverhoeds geven van een kus op de mond van die [aangeefster 3];
4hij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 april 2022 tot en met 31 mei 2024 te Haastrecht, door een andere feitelijkheid, te weten het misbruik maken van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, [aangeefster 4] heeft gedwongen tot het dulden van meer ontuchtige handelingen, te weten- het onverhoeds van achteren slaan van zijn, verdachtes, armen om die [aangeefster 4] en- het onverhoeds over en onder de kleding vastpakken van en heen en weer wrijven over de borsten van die [aangeefster 4] en- het zeggen tegen die [aangeefster 4] dat ze lekkere borsten heeft en- het onverhoeds proberen te zoenen van die [aangeefster 4];
5hij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 juli 2024 tot en met 30 september 2025 te Haastrecht, met een persoon, te weten [aangeefster 4] seksuele handelingen heeft verricht, te weten- het onverhoeds van achteren slaan van zijn, verdachtes, armen om die [aangeefster 4] en- het onverhoeds over en onder de kleding vastpakken van en heen en weer wrijven over de borsten van die [aangeefster 4] en- het zeggen tegen die [aangeefster 4] dat ze lekkere borsten heeft en- het onverhoeds proberen te zoenen van die [aangeefster 4] terwijl hij, verdachte, wist, dat bij die [aangeefster 4] daartoe de wil ontbrak.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling, een contactverbod, een locatieverbod en overige voorwaarden ten aanzien van het gedrag.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om, in het geval van een bewezenverklaring, aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen van 180 dagen met aftrek van het voorarrest waarvan 165 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Daar bovenop wordt verzocht om te volstaan met een oplegging van een taakstraf van 240 uren.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier strafbare feiten, welke voornamelijk zien op de aanranding van het lichaam van een jonge vrouw. Bij een van de vrouwen heeft de verdachte zich gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan het strafbare feit. De verdachte heeft de slachtoffers onder andere van achteren geknuffeld, aan hun borsten gezeten, aan andere lichaamsdelen zoals hun buik, heupen en billen gezeten en hen gekust of geprobeerd te kussen. De verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op hun lichamelijke en seksuele integriteit. De rechtbank betrekt hierbij ook dat de slachtoffers alle vier in een afhankelijkheidsrelatie tot de verdachte stonden, omdat zij werkten of verbleven op de camping waarvan de dochter van de verdachte eigenaar was. Daarnaast was de verdachte veel ouder dan de slachtoffers en was hij ook veel groter en sterker dan hen. Alle feiten hebben plaatsgevonden op het moment dat de slachtoffers alleen waren, op een eenzame en afgelegen plek zoals na sluitingstijd in het restaurant, in een afgesloten caravan of een afgelegen ijscokar. Al met al rekent de rechtbank de verdachte de feiten ten zeerste aan. Alle vier de vrouwen hebben in hun aangifte en slachtofferverklaring aangegeven dat de feiten een grote indruk op hen hebben gemaakt, en dat ze er nadien – allemaal op hun eigen manier – last van hebben (gehad).
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 18 maart 2026, waaruit volgt dat sprake is van problematiek op diverse gebieden. Daarnaast is sprake van een gemiddelde kans op recidive van een zedendelict. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling, een contactverbod, een locatieverbod en overige voorwaarden ten aanzien van het gedrag en deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
De op te leggen straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende een gevangenisstraf van 7 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling, een contactverbod, een locatieverbod en overige voorwaarden ten aanzien van het gedrag.
De rechtbank zal een deel van die straf voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van drie jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van meer personen, te weten opzetaanranding en feitelijke aanranding van de eerbaarheid tegen [aangeefster 1], [aangeefster 2], [aangeefster 3] en [aangeefster 4]. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 14c Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar is.
De opgelegde straf is lager dan de straf die de officier van justitie heeft geëist, omdat de rechtbank tot bewezenverklaring van een ander strafbaar feit komt voor feit 1 en 2 waardoor de straffen die hier doorgaans voor worden opgelegd lager zijn.
Vrijheidsbeperkende maatregel 38v Sr
Ter bescherming van de slachtoffers zal de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr opleggen en bevelen dat de verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met hen opneemt. De rechtbank legt deze vrijheidsbeperkende maatregel op voor de duur van drie jaren. Voor iedere keer dat de verdachte deze maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden toegepast van één week, met een maximum van zes maanden.
Het contactverbod geldt ten aanzien van:
[aangeefster 1], [geboortedatum 2] 2008;
[aangeefster 2], [geboortedatum 3] 2002;
[aangeefster 3], [geboortedatum 4] 2005;
[aangeefster 4], [geboortedatum 5] 1990.
De rechtbank is gelet op de feiten van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en zich belastend zal gedragen tegen bepaalde personen. Daarom beveelt de rechtbank dat de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
Ten aanzien van feit 1:
[aangeefster 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 14.291,35, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 10.291,35 aan materiële schade en € 4000,- aan immateriële schade.
Ten aanzien van feit 2:
[aangeefster 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 3000,-, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Ten aanzien van feit 3:
[aangeefster 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 3040,-, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 40,- aan materiële schade en € 3000,- aan immateriële schade.
Ten aanzien van feit 4 en 5:
[aangeefster 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 21.966,06, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 16.466,06 aan materiële schade en € 5500,- aan immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ten aanzien van alle ingediende vorderingen geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partijen met toewijzing van de wettelijke rente en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.
Ten aanzien van de ter zitting gevraagde verhoging van de vordering tot immateriële schadevergoeding met € 500,- heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om een deel van de materiële posten van de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, omdat niet vastgesteld kan worden dat deze kosten zijn voortgevloeid uit het aan de verdachte ten laste gelegde feit, onvoldoende zijn onderbouwd en/of worden betwist. Voor wat betreft de immateriële schade verzoekt de verdediging om aan alle vier de vorderingen op basis van de Rotterdamse schaal een bedrag toe te kennen tot € 1000,- en de vorderingen voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van feit 1:
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de posten rijlessen (€ 650,-), osteopaat (€ 101,-), natuurgeneeswijze (€ 522,50) en inkomstenverlies (€ 7525,37), de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten [praktijknaam] (€ 340,-), kennismakingssessie (€ 212,50), behandelingen jeugdpsycholoog (€ 850,-) en bh’s (€ 89,98) is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezen verklaarde feit, ter grootte van de gevorderde bedragen.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 1 bewezen verklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1500,-. De rechtbank heeft bij de vaststelling van dit bedrag aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal categorie 15.3.b. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot immateriële schade.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 2992,48, bestaande uit € 1492,48 aan materiële schade en € 1500,- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 18 mei 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2992,48, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 mei 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald; ten behoeve van [aangeefster 1].
Ten aanzien van feit 2:
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 2 bewezen verklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1000,- . De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot immateriële schade.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1000,-, bestaande uit immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 7 augustus 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 augustus 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald; ten behoeve van [aangeefster 2].
Ten aanzien van feit 3:
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post inkomstenverlies (€ 40,-), de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 3 bewezen verklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1000,-. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot immateriële schade.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1000,-, bestaande uit immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 9 mei 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de onder 3 bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 mei 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald; ten behoeve van [aangeefster 3].
Ten aanzien van feit 4 en 5:
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post huur (€ 16.466,06), de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de onder 4 en 5 bewezen verklaarde feiten. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 2000,-. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot immateriële schade.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 2000,-, bestaande uit immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 30 september 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de onder 4 en 5 bewezen verklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 september 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald; ten behoeve van [aangeefster 4].
8. De toepasselijke wetsartikelen
9. De beslissing
De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 57, 241 en 246 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1 impliciet subsidiair:
opzetaanranding;
ten aanzien van feit 2 impliciet subsidiair:
opzetaanranding;
ten aanzien van feit 3:
feitelijke aanranding van de eerbaarheid;
ten aanzien van feit 4:
feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 5:
opzetaanranding, meermalen gepleegd;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 7 (ZEVEN) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 4 (VIER) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;
- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van een de forensische polikliniek de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling is reeds gestart. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op delictpreventie van seksueel overschrijdend gedrag;
- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze contact heeft of laat leggen – direct of indirect – met vrouwelijke campinggasten en met vrouwelijke medewerkers van de camping, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor dit contact. Het contactverbod geldt zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
- zich gedurende de proeftijd niet bevindt in het restaurant van de [camping], zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Indien het noodzakelijk is dat de veroordeelde hier moet zijn dan bespreekt hij dit vooraf met de reclassering en houdt hij zich aan de afspraken die hierover met de reclassering worden gemaakt.
- vrouwelijk personeel en vrouwelijke campinggasten (ook minderjarigen) op geen enkele manier aanraakt;
- zich aan alle veiligheidsafspraken die opgesteld worden in het veiligheidsplan van De Waag houdt. Afspraken kunnen alleen gewijzigd of gestopt worden in overleg met de behandelaar van de Waag en met de toezichthouder van Reclassering Nederland;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het -op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht- uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
38v maatregel
legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van drie jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan;
toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;
omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens bepaalde personen, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
de vorderingen van de benadeelde partij
ten aanzien van feit 1, 2, 3, 4 en 5:
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen deels toe en veroordeelt de verdachte om te betalen:
een bedrag van € 2992,48, aan: [aangeefster 1], vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 18 mei 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald;
een bedrag van € 1000,-, aan: [aangeefster 2], vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 augustus 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald;
een bedrag van € 1000,-, aan: [aangeefster 3], vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 9 mei 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald;
een bedrag van € 2000,-, aan: [aangeefster 4], vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 30 september 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald;
bepaalt dat de benadeelde partijen voor het overige deel niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding en de vorderingen in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
de schadevergoedingsmaatregel
ten aanzien van feit 1, 2, 3, 4 en 5:
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2992,48, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 mei 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 1];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 29 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1000,
vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 augustus 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 2];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 10 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1000,
vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 mei 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 3];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 10 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2000,
vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 september 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 4];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Herfkens, voorzitter,
mr. C.W. de Wit, rechter,
mr. M.R. Aaron, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. V.J.J. van Mierlo, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 april 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
1hij op of omstreeks 18 mei 2025 te Haastrecht, gemeente Krimpenerwaard met een persoon, te weten [aangeefster 1] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten- het van achteren slaan van zijn, verdachtes, armen om het bovenlichaam van die [aangeefster 1] en/of- het over en/of onder de kleding vastpakken van en/of knijpen en/of maken van draaibewegingen in de borsten van die [aangeefster 1] en/of- het tegen die [aangeefster 1] zeggen dat hij haar een lekker ding vindt en/of- het geven van een knuffel aan die [aangeefster 1] en/of- het aanraken van de billen van die [aangeefster 1] en/of- het zoenen van die [aangeefster 1] op haar mond en/of in haar nekterwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster 1] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, door voornoemde seksuele handelingen onverhoeds te verrichten en/of die [aangeefster 1] hiermee te overrompelen;
2hij op of omstreeks 7 augustus 2024 te Haastrecht, gemeente Krimpenerwaard met een persoon, te weten [aangeefster 2] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten- het van achteren slaan van zijn, verdachtes, armen om die [aangeefster 2] en/of- het vastpakken van de borsten van die [aangeefster 2] en/of- het drukken/duwen van zijn, verdachtes, lichaam tegen het lichaam van die [aangeefster 2] en/of- het geven van een kus op de wang van die [aangeefster 2]terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster 2] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, door voornoemde seksuele handelingen onverhoeds te verrichten en/of die [aangeefster 2] hiermee te overrompelen;
3hij op of omstreeks 9 mei 2024 te Haastrecht, gemeente Krimpenerwaard, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten het misbruik maken van de uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, [aangeefster 3] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten- het (onverhoeds) van achteren slaan van zijn, verdachtes, armen om die [aangeefster 3] en/of- het (onverhoeds) met zijn hand(en) vastpakken en/of aanraken van de borst(en) van die [aangeefster 3] en/of- het (onverhoeds) met zijn hand(en) aanraken van de buik en/of heupen en/of billen van die [aangeefster 3] en/of- het (onverhoeds) geven van een kus op de mond van die [aangeefster 3];
4hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2022 tot en met 31 mei 2024 te Haastrecht, gemeente Krimpenerwaard, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten het misbruik maken van de uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, [aangeefster 4] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten- het (onverhoeds) van achteren slaan van zijn, verdachtes, armen om die [aangeefster 4] en/of- het (onverhoeds) over en/of onder de kleding vastpakken van en/of heen en weer wrijven over de borsten van die [aangeefster 4] en/of- het zeggen tegen die [aangeefster 4] dat ze lekkere borsten heeft en/of- het (onverhoeds) drukken/duwen van zijn, verdachtes, lichaam tegen het lichaam van die [aangeefster 4] en/of- het (onverhoeds) proberen te zoenen van die [aangeefster 4];
5hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 1 november 2025 te Haastrecht, gemeente Krimpenerwaard met een persoon, te weten [aangeefster 4] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten- het (onverhoeds) van achteren slaan van zijn, verdachtes, armen om die [aangeefster 4] en/of- het (onverhoeds) over en/of onder de kleding vastpakken van en/of heen en weer wrijven over de borsten van die [aangeefster 4] en/of- het zeggen tegen die [aangeefster 4] dat ze lekkere borsten heeft en/of- het (onverhoeds) drukken/duwen van zijn, verdachtes, lichaam tegen het lichaam van die [aangeefster 4] en/of- het (onverhoeds) proberen te zoenen van die [aangeefster 4] terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [aangeefster 4] daartoe de wil ontbrak.