RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam] , verzoeker,
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3151
geboren op [geboortedatum] ,
van Iraakse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. S.A.S. Jansen),
en
Procesverloop
1. Bij besluit van 10 november 2025 heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het beroep is bij uitspraak van 8 januari 2026 kennelijk ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. Hij heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat hij niet wordt overgedragen aan Zweden en het verzet in Nederland mag afwachten. De minister heeft aan verzoeker laten weten dat hij op 22 januari 2026 zal worden overgedragen aan Zweden.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 20 januari 2026 gesloten.
Overwegingen
2. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist en kan, als partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, ook uitspraak doen zonder dat een zitting plaatsvindt. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
3. De voorzieningenrechter stelt vast dat op het door verzoeker ingestelde verzetschrift nog niet is beslist. De minister heeft bij kennisgeving van 15 januari 2026 aan de gemachtigde van verzoeker meegedeeld dat verzoeker op 22 januari 2026 zal worden overgedragen aan Zweden. Verzoeker heeft daarom een spoedeisend belang bij de verzochte voorlopige voorziening.
Oordeel van de voorzieningenrechter
4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het bij verzet uitsluitend gaat over de vraag of de rechtbank terecht uitspraak heeft gedaan zonder verzoeker op zitting te horen. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht, die bij een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Als dat het geval is, dan wordt het verzet gegrond verklaard zodat nader onderzoek kan plaatsvinden. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen reden om verzoeker toe te staan de behandeling van zijn verzetprocedure in persoon bij te wonen en de uitspraak hierop in Nederland af te wachten. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
De voorzieningenrechter merkt nog op dat de verantwoordelijkheid van Zweden voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming is vastgesteld op grond van de Dublinverordening en dat de overdrachtstermijn op 7 februari 2026 verstrijkt. De overdracht van verzoeker aan Zweden heeft geen onomkeerbare gevolgen. Mocht uiteindelijk blijken dat Nederland verantwoordelijk moet worden geacht voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, dan kan verzoeker vanuit Zweden worden teruggeleid naar Nederland.
Conclusie en gevolgen
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
6. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.