RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.23256
(gemachtigde: mr. M. Pals),
en
de minister van Asiel en Migratie ,
(gemachtigde: mr. M. van der Lubbe).
Procesverloop
Eiser heeft op 13 juni 2022 een asielaanvraag gedaan.
Omdat eiser in het kader van de Dublinprocedure niet tijdig is overgedragen aan Malta, heeft de minister hem op 13 februari 2023 bericht dat de asielaanvraag verder behandeld zal worden in de nationale procedure.
Op 19 mei 2024 heeft eiser de minister in gebreke gesteld, omdat er niet tijdig op zijn aanvraag is beslist.
Op 4 juni 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen.
De minister heeft de asielaanvraag bij besluit van 23 augustus 2024 (bestreden besluit) afgewezen als ongegrond.
Het beroep van 4 juni 2024 wordt op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht geacht gericht te zijn tegen het besluit van 23 augustus 2024.
Op 10 september 2024 heeft eiser beroepsgronden ingediend.
De minister heeft de rechtbank op 10 januari 2025 bericht dat er aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft met betrekking tot de algemene veiligheidssituatie in Zuid-Sudan en daarom aanleiding ziet om een aanvullend besluit te nemen. De minister heeft de rechtbank daarbij verzocht om de zaak aan te houden voor een periode van vier weken.
Op 15 januari 2025 heeft de rechtbank het verzoek om aanhouding toegewezen.
De minister heeft bij brief van 5 februari 2025 het bestreden besluit aanvullend gemotiveerd.
Eiser heeft op 28 januari 2026 aanvullende beroepsgronden ingediend.
De rechtbank heeft de minister bij bericht van 3 februari 2026, in aanloop naar een geplande zitting op 12 februari 2026, verzocht om naar aanleiding van de aanvullende beroepsgronden een verweerschrift uit te brengen en met name in te gaan op de meer recente informatie over de situatie in Zuid-Sudan.
De minister heeft de rechtbank op 6 februari 2026 bericht dat de zorgvuldigheid gebiedt om de uitgebreide nieuwe informatie inzake de veiligheidssituatie in Zuid-Sudan, met name in de provincie Jonglei, voor te leggen aan het Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT) en in samenspraak met de beleidsafdeling van de IND te bezien of deze nieuw informatie aanleiding geeft om de inschaling van het risico op ernstige schade, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, aan te passen. De minister heeft de rechtbank daarom gevraagd om aanhouding van de behandeling ter zitting voor een termijn van (minimaal) zes weken.
Hierop heeft de rechtbank op 9 februari 2026 partijen bericht dat het verzoek om aanhouding wordt gehonoreerd en de minister tot en met 26 maart 2026 de gelegenheid krijgt om met betrekking tot de regio Jonglei (Zuid-Sudan) zijn standpunt te bepalen inzake artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en de (overige) beroepsgronden van eiser. Partijen is daarbij te kennen gegeven dat de behandeling van de zaak op de zitting van 12 februari 2026 dus niet doorgaat.
De minister heeft vervolgens op 26 maart 2026 de rechtbank en de gemachtigde van eiser bericht dat het bestreden besluit is ingetrokken en dat er zo snel mogelijk opnieuw op de asielaanvraag zal worden beslist. Eiser mag deze beslissing in Nederland afwachten. De minister laat verder aan de gemachtigde van eiser weten dat hij bereid is de kosten van de door haar verleende rechtsbijstand te vergoeden tot een bedrag van € 934,-.
De rechtbank heeft op 26 maart 2026 de gemachtigde van eiser verzocht om binnen twee weken aan te geven of zij op basis van voornoemd bericht van de minister het beroep nog wil handhaven.
De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank op 30 maart 2026 – kort gezegd – bericht het beroep te handhaven dan wel om te klappen naar een beroep niet tijdig beslissen.
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Gemachtigde van eiser heeft in haar reactie van 30 maart 2026 de rechtbank laten weten dat zij het beroep handhaaft. Zij verzoekt primair, onder verwijzing naar de uitspraken van de rechtbank, zittingsplaats Roermond van 28 juli 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:13748) en zittingsplaats Zwolle van 4 juli 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:11958), om het intrekkingsbesluit te vernietigen en de minister een termijn op te leggen voor een reactie op haar brief van 28 januari 2026 (de aanvullende beroepsgronden), en een nieuwe datum voor de zitting te plannen. Subsidiair heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank verzocht om het beroep om te klappen naar een beroep niet tijdig beslissen, zo spoedig mogelijk uitspraak te doen, en de minister op te dragen binnen vier weken een nieuw besluit te nemen en te veroordelen tot een dwangsom van €100,- per dag dat deze termijn wordt overschreden.
Beoordeling van het beroep niet tijdig
3. Nu de minister het bestreden besluit heeft ingetrokken en geen nieuw besluit op de aanvraag heeft genomen, heeft eiser alsnog belang bij een beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag.
4. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over beroep met een besluit gelijkgesteld.
5. Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
6. In artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien het beroep gegrond is en nog geen besluit bekendgemaakt is, de bestuursrechter bepaalt dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. Volgens het derde lid kan de bestuursrechter in bijzondere gevallen of als naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen.
7. In artikel 42, zesde lid, van de Vw 2000 is bepaald dat, indien in het kader van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van deze wet wordt onderzocht of de aanvraag op grond van artikel 30 niet in behandeling dient te worden genomen, de termijn, bedoeld in het eerste lid, aanvangt op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.
8. Op 15 juli 2022 hebben de Nederlandse autoriteiten aan de Maltese autoriteiten gevraagd om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening. De Maltese autoriteiten zijn op 20 juli 2022 akkoord gegaan met dit verzoek. Eiser is vervolgens niet tijdig overgedragen aan Malta. Nederland is daarom met ingang van 21 januari 2023 verantwoordelijk geworden voor de asielaanvraag van eiser. Dat betekent dat op dat moment de termijn van zes maanden uit artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000 is aangevangen.
9. Voor zover de minister zich op het standpunt stelt dat door middel van WBV 2023/32 de beslistermijn rechtsgeldig met negen maanden is verlengd op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, volgt de rechtbank dit niet. Naar het oordeel van de rechtbank is er, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 mei 2025, geen sprake van een rechtsgeldige verlenging van de beslistermijn.
10. De beslistermijn voor de asielaanvraag van eiser is dus verstreken op 21 juli 2023. Eiser heeft de minister op 19 mei 2024 in gebreke gesteld, de ingebrekestelling is daarmee geldig. Vervolgens heeft eiser meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Er is daarmee voldaan aan de voorwaarden voor het indienen van een beroep wegens niet tijdig beslissen, zoals opgenomen in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Het beroep wegens het niet tijdig beslissen is terecht ingediend. Het beroep is daarom gegrond en het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van besluit op de aanvraag wordt daarom vernietigd.
11. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank daarnaast met toepassing van artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb bepalen dat de minister alsnog binnen een te stellen termijn een besluit bekend dient te maken op de aanvraag van eiser.
12. De bovengrens van 21 maanden, waarbinnen de minister de asielaanvraag moet hebben behandeld, is ruimschoots overschreden. Daarom acht de rechtbank een totale termijn van twee weken niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort.
13. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb te bepalen dat de minister een dwangsom verbeurt als hij de gestelde termijn van twee weken overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op € 100,00 per dag, met een maximum van € 7.500,00 overeenkomstig de vaste, in uitspraken neergelegde, praktijk.
Beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit en het intrekkingsbesluit
14. De rechtbank stelt vast dat ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb het beroep tegen het niet tijdig beslissen van rechtswege mede betrekking heeft op het bestreden besluit. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep tegen het bestreden besluit van rechtswege mede betrekking op het besluit tot intrekking, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
15. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit en het besluit tot intrekking hiervan. Het bestreden besluit is immers ingetrokken. De minister heeft hiermee al erkend dat het bestreden besluit geen stand kan houden en dus onrechtmatig is. Niet is gebleken dat eiser schade heeft geleden als gevolg van het bestreden besluit. Uit wat eiser aanvoert tegen het intrekkingsbesluit, leidt de rechtbank af dat eiser hiermee beoogt een inhoudelijke reactie te krijgen op zijn asielaanvraag. De rechtbank leidt hieruit dus af dat eisers belang bij een beoordeling van het intrekkingsbesluit en het bestreden besluit hierin is gelegen. Gezien wat hiervoor is overwogen over het beroep tegen het niet tijdig beslissen, ziet de rechtbank dit belang niet. De rechtbank zal, zoals hiervoor is overwogen, de minister immers opdragen om binnen twee weken een nieuwe beslissing op de aanvraag te nemen op straffe van een dwangsom. Hiermee is al tegemoet gekomen aan het door eiser beoogde doel. De rechtbank ziet verder niet in wat eiser met deze procedure nog meer kan bereiken. Dit volgt ook niet uit de reactie van eiser op het besluit tot intrekking van het bestreden besluit. Hoewel de rechtbank goed begrijpt dat eiser zo snel als mogelijk duidelijkheid wenst, valt er voor de rechtbank niets te toetsen zonder een beslissing van de minister op de aanvraag.
16. Het voorgaande betekent dat het beroep tegen het bestreden besluit niet van rechtswege mede betrekking heeft op het besluit tot intrekking van het bestreden besluit en dat het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit, niet-ontvankelijk is.
Proceskostenveroordeling
17. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.401,-. Dit legt de rechtbank hierna uit.
18. In deze zaak is formeel één beroepschrift ingediend. In eerste instantie een beroep niet tijdig beslissen dat ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb mede van rechtswege betrekking heeft op het bestreden besluit. In het kader van dit omgeklapte beroep heeft de gemachtigde van eiser tot tweemaal toe aanvullende gronden ingediend, onder meer als gevolg van een toegewezen uitstelverzoek van de minister. De rechtbank ziet hierin aanleiding om hiervoor 1 punt, met een wegingsfactor van 1 toe te kennen. Omdat het beroep wegens het niet tijdig beslissen gegrond is, ziet de rechtbank ook aanleiding om 1 punt toe te kennen voor het indienen van het inleidende beroepschrift, met een wegingsfactor 0,5. Deze punten hebben een waarde van € 934,- per punt.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover dat is gericht tegen het ingetrokken besluit van 23 augustus 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van eiser gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag van eiser;
- draagt de minister op om binnen twee weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de asielaanvraag van eiser bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.401,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A.M.J. Smulders, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet de datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.