Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/409805-24
Datum uitspraak: 8 april 2026
Verstek
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 25 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. T. Berger.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 13 september 2024 te 's-Gravenhage als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Erasmusweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,- naast [het slachtoffer] op haar motor voor een rood uitstralend verkeerslicht te staan, en/of- bij een groen uitstralend verkeerslicht op te trekken met zijn voertuig, en/of- onvoldoende aandacht te hebben voor het overige verkeer, en/of- van rijbaan te wisselen zonder zich voldoende te vergewissen van de positie van die [het slachtoffer] , en/of- niet uit te wijken om een confrontatie te voorkomen, ten gevolge waarvan een aanrijding is ontstaan met die [het slachtoffer] , waardoor een ander (genaamd [het slachtoffer] ) werd gedood;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 13 september 2024 te 's-Gravenhage als bestuurder van een voertuig (een Volkswagen Caddy), daarmee rijdende op de weg, de Erasmusweg, hij verdachte, heeft aldaar,- naast het latere slachtoffer [het slachtoffer] op haar motor voor een rood uitstralend verkeerslicht gestaan, en/of- bij een groen uitstralend verkeerslicht opgetrokken met zijn voertuig, en/of- onvoldoende aandacht gehad voor het overige verkeer, en/of- van rijbaan gewisseld zonder zich voldoende te vergewissen van de positie van die [het slachtoffer] , en/of- niet heeft uitgeweken om een confrontatie te voorkomen, ten gevolge waarvan een aanrijding is ontstaan met die [het slachtoffer] door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde, in die zin dat bewezen wordt verklaard dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
Juridisch kader artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994
Voor een bewezenverklaring is vereist dat vast komt te staan dat de verdachte zich zodanig heeft gedragen in het verkeer dat een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling van de vraag of een verdachte schuld heeft aan een ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. In zijn algemeenheid kan niet worden aangegeven of een enkele verkeersfout voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van dit wetsartikel. Van schuld in de zin van dit wetsartikel is pas sprake in geval van (ten minste) een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Een tijdelijke onoplettendheid in het verkeer hoeft nog geen schuld op te leveren in de zin van artikel 6 WVW. Daarnaast is het zo dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van een dergelijke mate van schuld in de zin van artikel 6 WVW.
De mate van schuld in deze zaak
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid (en onoplettendheid).
Uit de bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte op 13 september 2024 te Den Haag, iets na 16.00 uur, als bestuurder in een Volkswagen Caddy op de Erasmusweg voor een rood uitstralend verkeerslicht stond. Op de rijbaan links van de verdachte zat [het slachtoffer] (hierna: [het slachtoffer] ) op een Yamaha-motorfiets eveneens te wachten voor het verkeerslicht. Voor de verdachte stond nog een auto, voor [het slachtoffer] stond een busje. De verdachte zag haar en knikte haar toe omdat hij vond dat ze een mooie motorfiets had. Bij groen licht trok de verdachte vervolgens krachtig op en reed de rijbaan links van hem op om de auto voor hem in te halen. [het slachtoffer] – die op die rijbaan reed en haar hoofd naar de verdachte draaide omdat de auto van de verdachte haar van de zijkant naderde – week uit richting de middenberm (een stoeprand), maar de verdachte bleef opzij schuiven met zijn voertuig. Terwijl de verdachte dit deed, zag de verdachte op enig moment de motor in zijn spiegel en zag en voelde hij dat hij de motorfiets raakte. Hierdoor raakte de motorfiets de stoeprand en verloor [het slachtoffer] de macht over de motorfiets. Zij kwam terecht op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer waar zij in botsing kwam met een Volkswagen Transporter. Zij overleed, ondanks reanimatiepogingen, die middag rond 16.30 uur.
De rechtbank acht het verkeersgedrag van de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, nu hij staand voor het stoplicht zag dat zich naast zijn voertuig een motorrijdster bevond, maar zonder rekening te houden met deze motorrijdster met een behoorlijke snelheid optrok en, zonder zich ervan te vergewissen dat de baan naast hem vrij was, meteen van baan wisselde waardoor hij de motorrijdster raakte en uit balans bracht. Als gevolg daarvan is [het slachtoffer] op de rijbaan van het tegemoetkomende verkeer terechtgekomen, frontaal gebotst tegen een tegemoetkomend voertuig en om het leven gekomen.
Uit deze feiten en omstandigheden volgt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is van meer dan één moment van onoplettendheid en dus, in dit geval van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gedrag. Dit maakt dat het ongeval aan de schuld van de verdachte te wijten is.
De rechtbank zal het primair tenlastegelegde bewezen verklaren.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het primair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 13 september 2024 te 's-Gravenhage als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Erasmusweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend,- naast [het slachtoffer] op haar motor voor een rood uitstralend verkeerslicht te staan, en- bij een groen uitstralend verkeerslicht op te trekken met zijn voertuig, en- onvoldoende aandacht te hebben voor het overige verkeer, en- van rijbaan te wisselen zonder zich voldoende te vergewissen van de positie van die [het slachtoffer] , ten gevolge waarvan een aanrijding is ontstaan met die [het slachtoffer] , waardoor [het slachtoffer] werd gedood.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. Strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van twee jaren.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf en bijkomende straf zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. De verdachte heeft zich als bestuurder van een auto aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gedragen in het verkeer, waardoor een jonge motorrijdster op een tragische wijze om het leven is gekomen. Van dit heftige ongeval zijn meerdere personen getuigen geweest.
Voor de nabestaanden is sprake van een tragisch en onomkeerbaar verlies. De moeder van het slachtoffer heeft ter zitting haar verlies en verdriet, en dat van haar gezin, verwoord in een namens haar voorgelezen verklaring waarin zij onder andere vertelt hoe haar wereld instortte toen zij het vreselijke nieuws over haar jongste dochter vernam. Een dochter die, door haar sociale en zorgzame karakter, een bijzondere plek innam, zowel in het gezin als in de maatschappij.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 16 februari 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten met justitie in aanraking is geweest.
Persoon van de verdachte
De verdachte is niet op de terechtzitting verschenen, terwijl hij wel op de hoogte was van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen hem. Hoewel uit het dossier naar voren komt dat de verdachte het afschuwelijke gevolg van zijn handelen niet heeft gewild en dat het hem emotioneel heeft aangegrepen, heeft de verdachte de kans voorbij laten gaan om hiervan rekenschap te geven en zijn verantwoordelijkheid te nemen.
De op te leggen straffen
De rechtbank heeft bij de straftoemeting acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, waarin is vermeld welke straffen doorgaans worden opgelegd voor overtreding van artikel 6 WVW. Daarin wordt onder meer gedifferentieerd naar de mate van schuld en de gevolgen voor het slachtoffer. In zaken zoals deze, waarbij niemand de dood van het slachtoffer heeft gewild, wordt doorgaans een taakstraf opgelegd. Een taakstraf brengt geen vrijheidsbeneming met zich mee, maar brengt wel tot uitdrukking dat een strafbaar feit is gepleegd. Het uitgangspunt voor het onderhavige geval – waarin sprake is van de ondergrens van culpa (namelijk aanmerkelijke schuld) en het meest vergaande gevolg (de dood) – is een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uren en een onvoorwaardelijke rijontzegging van een jaar. Anders dan de officier van justitie, ziet de rechtbank geen aanleiding om een hogere straf aan de verdachte op te leggen. Van strafverzwarende omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. De rechtbank zal dan ook aan de verdachte opleggen een taakstraf van 240 uren en een rijontzegging van een jaar.
7. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 9, 22 c, 22d van het Wetboek van Strafrecht;
- 6, 175, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
8. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4. bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een taakstraf voor de tijd van 240 (tweehonderdveertig) uren;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 120 (honderdtwintig) dagen;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de
duur van 1 (één) jaar.
Dit vonnis is gewezen door
mr. Y.J. Wijnnobel-van Erp, voorzitter,
mr. C.M.A. de Koning, rechter,
mr. A. Tsjapanova, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Molenaar, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 april 2026.