ECLI:NL:RBDHA:2026:8220

ECLI:NL:RBDHA:2026:8220

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 08-04-2026
Datum publicatie 08-04-2026
Zaaknummer NL26.17713
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Vervolgberoep bewaring - ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.17713

V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. D. Schaap),

en

(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).

Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2025 heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.

Verweerder heeft op 20 maart 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.

Eiser heeft op 30 maart 2026 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring tot aan de opheffing daarvan beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

Op verzoek van de rechtbank heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 7 april 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1981 en de Ghanese nationaliteit te hebben.

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of het tenuitvoerleggen van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 augustus 2025. Vervolgens zijn er vervolgberoepen ingesteld. Uit de laatste uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 26 februari 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom ziet de beoordeling nu op het voortduren van de maatregel van bewaring sinds de sluiting van voornoemd onderzoek op 26 februari 2026.

4. Eiser voert aan dat de bewaring ten onrechte pas op 20 maart 2026 is opgeheven. Volgens eiser blijkt uit de voortgangsrapportage dat op 13 maart 2026 in het kader van de lp-aanvraag een reactie is ontvangen inhoudende 'Onvoldoende info om nationaliteit te bevestigen.' Eiser stelt dat vanaf dat moment het zicht op uitzetting is komen te ontbreken. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de maatregel daarna nog een week heeft voortgeduurd en wat in die periode nog is ondernomen. Daarnaast wijst eiser erop dat het onderliggende stuk waarop deze mededeling is gebaseerd ontbreekt in het dossier en alsnog moet worden overgelegd. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2025 stelt eiser dat de bewaring niet langer dan uiterlijk twee dagen had mogen voortduren.

5. Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld is er in het algemeen zicht op uitzetting naar Ghana. In beginsel rust op eiser de verplichting om zijn volledige medewerking te verlenen aan zijn uitzetting uit Nederland. De rechtbank stelt vast dat eiser op 8 oktober 2025 in de gelegenheid is gesteld om te worden gepresenteerd bij de Ghanese autoriteiten, maar heeft geweigerd daaraan mee te werken. Daarmee heeft eiser het onderzoek naar de afgifte van een vervangend reisdocument belemmerd. Ook blijkt uit het dossier dat eiser meermalen is verzocht om informatie en documenten te verstrekken ter vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit, zonder dat hij daaraan gehoor heeft gegeven. Verder volgt uit de verslagen van de vertrekgesprekken, waaronder dat van 4 maart 2026, dat eiser heeft verklaard niet naar Ghana te willen terugkeren en niets te zullen ondernemen om zijn vertrek mogelijk te maken. Onder deze omstandigheden heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij, binnen zijn mogelijkheden, voldoende inspanning heeft verricht om zijn vertrek te realiseren. Niet is gebleken dat verweerder zich onvoldoende heeft ingespannen om de uitzetting van eiser te realiseren. Ook is niet gebleken dat uitzetting naar Ghana in het geval van eiser bij volledige medewerking niet mogelijk zou zijn geweest.

6. De Ghanese autoriteiten hebben op 13 maart 2026 meegedeeld dat er onvoldoende informatie beschikbaar was om eisers nationaliteit te bevestigen. Anders dan eiser stelt, volgt daaruit niet zonder meer dat vanaf dat moment geen zicht op uitzetting meer bestond. Gelet op de beperkte medewerking van eiser heeft verweerder zich in redelijkheid mogen beraden op de betekenis van deze mededeling voor het verdere uitzettingstraject van eiser. De rechtbank acht het niet onredelijk dat verweerder daarvoor een termijn van een week heeft genomen en vervolgens op 20 maart 2026 de maatregel heeft opgeheven na een belangenafweging.

7. Voor zover eiser aanvoert dat verweerder gehouden is het onderliggende bericht van de Ghanese autoriteiten over te leggen, volgt de rechtbank hem daarin niet. De voortgangsrapportage biedt voldoende inzicht in de inhoud van dat bericht. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten aangevoerd die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid of volledigheid daarvan. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding om verweerder op te dragen het bericht alsnog over te leggen.

8. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tot 20 maart 2026 onrechtmatig heeft voortgeduurd. De door eiser gemaakte vergelijking met de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2025 leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat in zijn geval geen sprake is van een omzetting van de wettelijke grondslag van de maatregel.

9. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor de conclusie dat de maatregel van bewaring tot het moment van opheffing daarvan op enig moment onrechtmatig was.

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 8 april 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. K.M. de Jager

Griffier

  • mr. S. Mohandes

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?