ECLI:NL:RBDHA:2026:8221

ECLI:NL:RBDHA:2026:8221

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-04-2026
Datum publicatie 08-04-2026
Zaaknummer NL25.28410 en NL25.28416
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Beroepen tegen afwijzing opvolgende asielaanvragen. De beroepen zijn gegrond. De minister moet opnieuw op de aanvragen beslissen. De minister heeft niet voldaan aan de eerdere uitspraak van 11 maart 2025. De minister heeft de nieuwe verklaringen en overgelegde documenten wederom onvoldoende in samenhang met de gegevens uit de eerste asielprocedures van eisers beoordeeld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer 1], eiser en

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.28410 en NL25.28416

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer 2], eiseres,

mede namens haar minderjarige dochter,

[minderjarige], V-nummer: [V-nummer 3]

(gemachtigde: mr. M.H. van der Linden),

en

(gemachtigde: mr. W. Epema).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van de Vw. De aanvraag van eiseres geldt mede als eerste asielaanvraag ten behoeve van haar dochter. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen niet in stand kan blijven. De minister heeft niet voldaan aan de opdracht van deze rechtbank en zittingsplaats, in de uitspraak van 11 maart 2025. De minister heeft de nieuwe verklaringen en overgelegde documenten wederom onvoldoende in samenhang met de gegevens uit de eerste asielprocedures van eisers beoordeeld. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben opvolgende aanvragen tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stellen van Colombiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2001 en [geboortedatum 2] 1996. De minister heeft met de bestreden besluiten van 3 juli 2024 deze aanvragen in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Deze beroepen zijn met de in 1.1 genoemde uitspraak van 11 maart 2025, gegrond verklaard. De rechtbank heeft de minister opgedragen nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen, waarbij rekening moest worden gehouden met die uitspraak.

De minister heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 26 juni 2025 in de algemene procedure opnieuw afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eisers hebben tegen die besluiten beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de beroepen op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, N.E. Ramirez als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Hoe zijn de eerste asielprocedures van eisers verlopen?

3. Eisers hebben eerder aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvragen bij besluiten van 22 februari 2021 afgewezen. Met de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats, van 30 november 2021, zijn de hiertegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is door de Afdeling bevestigd op 20 april 2022. Daarbij is vastgesteld dat de verklaringen van eisers over problemen met guerrillastrijders en bedreigingen van hun moeder geloofwaardig waren, maar is geoordeeld dat niet geloofwaardig is dat eisers individueel door het [organisatie] worden gezocht en bedreigd.

Welk asielrelaas leggen eisers aan hun opvolgende asielaanvragen ten grondslag?

4. Eisers leggen aan hun opvolgende asielaanvragen ten grondslag dat hun broer [naam 1] in 2022 in Colombia is beschoten door de guerrillabeweging [organisatie]. Hij is samen met hun moeder daarna gevlucht naar Spanje. Eisers vrezen dat hen bij terugkeer hetzelfde zal overkomen als hun broer.

Als onderbouwing hebben ze de volgende documenten overgelegd:

-een verzoek van hun broer [naam 1] aan het Openbaar Ministerie om vervolging te starten, van 10 maart 2022;

-een medisch verslag betreffende hun broer [naam 1], van 10 maart 2022;

-een psychologisch rapport betreffende hun broer [naam 1], van 12 maart 2022;

-een brief van [naam 2] van Refugee Project Maastricht, van 24 juni 2022, met bijlagen, waaronder verklaringen afgelegd bij de notaris door hun buurvrouw, hun oom en hun tante, van 11 december 2021;

-delen uit het algemeen ambtsbericht betreffende Colombia, van juni 2024;

-verklaringen van de Unidad para las Victimas (Slachtofferinstituut) uit Colombia, betreffende eisers, van 17 juli 2024;

-een brief van een Nederlandse journalist, de heer [naam 3], van 15 februari 2026;

-een rapport van Defence for Children, van 4 februari 2006.

Wat is de kern van het standpunt van de minister in de bestreden besluiten?

5. Het asielrelaas van eisers bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

- identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers;

- beschieting van hun broer door de [organisatie].

De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig zijn. De minister vindt echter niet geloofwaardig dat de broer is beschoten door de [organisatie]. De overgelegde documenten tonen dit niet aan, eisers hebben oppervlakkig verklaard over de reden waarom hun broer is beschoten door de [organisatie] en hebben niet inzichtelijk gemaakt hoe de [organisatie] zou weten waar hun broer was. De minister concludeert daarom en omdat het opvolgende aanvragen betreft dat de asielaanvragen worden afgewezen als kennelijk ongegrond.

Heeft de minister in de besluitvorming voldoende rekening gehouden met de uitspraak van 11 maart 2025?

Wat is het standpunt van de minister?

6. De minister stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat al in de eerste asielprocedure in rechte vast is komen te staan dat ongeloofwaardig is dat eisers zijn bedreigd. De minister ziet daarom geen aanleiding om de, in de eerste procedure overgelegde, aangifte uit 2019 opnieuw te beoordelen. Op zitting heeft de minister dit standpunt bevestigd door te verklaren dat de gebeurtenissen in 2018 en 2019 niet worden gezien als eerdere gebeurtenissen omdat deze gebeurtenissen al in de eerste asielprocedures ongeloofwaardig zijn bevonden.

Wat is het betoog van eisers?

Eisers stellen dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de uitspraak van 11 maart 2025. De minister heeft ook in de nieuwe besluiten de nieuwe verklaringen en documenten niet in samenhang beoordeeld met de in de eerste procedure afgelegde verklaringen en de aangifte uit 2019. De minister geloofde wat hun moeder is overkomen en eisers hebben in hun eerste asielprocedure al verklaard dat ze zijn lastiggevallen door de [organisatie]. Dat hun broer in 2022 is beschoten bevestigt dat ze een reden hebben zich onveilig te voelen. Eisers hebben gelijkluidende en duidelijke verklaringen afgelegd. De minister had de objectief verifieerbare documenten moeten laten onderzoeken en/of een individueel ambtsbericht moeten aanvragen.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

De rechtbank heeft in de uitspraak van 11 maart 2025, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2022, geoordeeld dat de minister heeft miskend dat nieuwe feiten en omstandigheden invloed kunnen hebben op de wijze waarop de gegevens uit de vorige procedure moeten worden beoordeeld. Daarbij vond de rechtbank van belang dat een deel van het relaas in die procedure geloofwaardig is geacht en dat die beoordeling het uitgangspunt is in de opvolgende procedure. Er heeft volgens de rechtbank dus een onvoldoende beoordeling plaatsgevonden van het nieuwe samenstel van gegevens dat wordt gevormd door de combinatie van de gegevens uit de eerste asielprocedure met de nieuwe elementen en bevindingen die aan de huidige asielprocedure ten grondslag zijn gelegd.

De minister heeft zich in het besluit van 22 februari 2021, in de eerste asielprocedures van eisers, op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eisers over de problemen in de periode 2009 t/m 2012 vanwege guerrillastrijders en over de bedreigingen van hun moeder geloofwaardig zijn. De minister geloofde echter niet dat eisers in 2018 en 2019 ook zelf zijn bedreigd. De verklaringen van eisers dat er een verband is tussen hun vrees en de eerdere problemen was volgens de minister alleen gebaseerd op veronderstellingen.

Naar het oordeel van de rechtbank is alles wat eisers in hun opvolgende procedures hebben aangevoerd een verdere onderbouwing van dat verband. Dit kan niet losgezien worden van elkaar. Eisers hebben onder meer objectief verifieerbare documenten overgelegd die zijn opgesteld door het Openbaar Ministerie, een arts, een psycholoog en een notaris. De inhoud van deze verklaringen is niet tegenstrijdig aan de verklaringen van eisers. Dat de inhoud van de verklaring van de psycholoog volgens de minister wat vragen oproept is onvoldoende om geen waarde aan dit document te hechten. Het is daarbij niet op voorhand onaannemelijk dat er in (dit ziekenhuis in) Colombia een protocol bestaat op grond waarvan er meteen een psycholoog komt in het geval van gewelddadig incident, waarbij iemand gewond is geraakt. Weliswaar zijn het verzoek van de broer van eisers aan het Openbaar Minister van 10 maart 2022 en de notarisverklaringen een weergave van wat de betreffende personen zelf hebben verklaard, maar ze kunnen wel de andere documenten en de verklaringen van eisers ondersteunen. Dat meer familieleden van eisers problemen zouden hebben ondervonden zou van invloed kunnen zijn op de beoordeling van de verklaringen van eisers over hun gestelde problemen in 2018 en 2019.

De rechtbank is van oordeel dat de minister de nieuwe elementen en bevindingen wederom onvoldoende in samenhang met de gegevens uit de eerste asielprocedures van eisers heeft beoordeeld. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

7. De minister heeft de aanvragen ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. De beroepen zijn gegrond omdat de bestreden besluiten in strijd zijn met het zorgvuldigheidsbeginsel en de motiveringsplicht. Dit betekent dat de bestreden besluiten niet in stand kunnen blijven. De rechtbank vernietigt daarom deze besluiten. De overige beroepsgronden van eisers hoeven dus niet te worden beoordeeld. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten of zelf een beslissing op de asielaanvragen te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of andere besluiten (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaken af te doen.

De rechtbank bepaalt dat de minister nieuwe besluiten moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.

Omdat de beroepen gegrond zijn krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers beroepschriften heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen en omdat sprake is van samenhangende zaken. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten van 26 juni 2025;

- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Korporaal-Wisman, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. K. Ides

Griffier

  • mr. A. Korporaal-Wisman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?