Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/081584-21
Datum uitspraak: 24 maart 2026
Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de veroordeelde:
[de veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] ( [land] ),
BRP-adres: [adres] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 10 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie mr. B. Verheesen op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door de veroordeelde en zijn raadsman mr. G.S.J. van Gestel op de terechtzitting naar voren is gebracht.
2. De inhoud van de vordering
De inleidende schriftelijke vordering van het openbaar ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 184.162,59 en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
3. De grondslag voor ontneming
De veroordeelde is bij apart vonnis van heden door deze rechtbank veroordeeld wegens de volgende strafbare feiten:
1) medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
2) medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
3) opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
4) medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Uit het onderzoek leidt de rechtbank af dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van deze bewezen verklaarde strafbare feiten. De grondslag voor ontneming van dat voordeel is daarom een veroordeling wegens strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
4. De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de vordering ter terechtzitting gewijzigd in die zin, dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 122.493,67. De berekening van de officier van justitie is ter terechtzitting overgelegd en als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de veroordeelde heeft zich op het standpunt gesteld dat, in geval van een veroordeling, het wederrechtelijk verkregen voordeel op een lager bedrag moet worden geschat, omdat de uitgangspunten voor de berekening niet juist zijn.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten, maar kan zich niet verenigen met de berekening die door de officier van justitie is gehanteerd. De rechtbank baseert zich bij haar schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de bewijsvoering in het vandaag gewezen vonnis van deze rechtbank in de strafzaak tegen de veroordeelde, dat als bijlage II aan dit vonnis is gehecht, dan wel op de inhoud van in de voetnoten vermelde wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bij de bewijsmiddelen genoemde pagina’s betreffen de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2020259289, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 893). Ter aanvulling hierop overweegt de rechtbank het volgende.
Hoeveelheid verdovende middelen
De rechtbank heeft bij het apart vonnis van heden in de strafzaak tegen de veroordeelde onder de feiten 1 en 3 bewezen verklaard dat de veroordeelde een totaal van 2.405,6 gram heroïne en 1.728,2 gram cocaïne heeft verstrekt dan wel aanwezig heeft gehad, omdat dat hetgeen is wat het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft vastgesteld. Andere aangetroffen (vermoedelijk verdovende) middelen zijn niet door het NFI getest, waardoor de rechtbank niet met zekerheid kan vaststellen dat deze daadwerkelijk verdovende middelen zijn. De rechtbank zal dan ook bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van 2.405,6 gram heroïne en 1.728,2 gram cocaïne uitgaan.
Marktwaarde per gram
Door de raadsman is aangevoerd dat bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een lagere marktwaarde per gram dient worden uitgegaan dan de officier van justitie heeft gehanteerd. De officier van justitie is bij zijn berekening uitgegaan van de marktwaarde per gram in 2018, terwijl de bewezen verklaarde feiten op 2021 betrekking hebben en de marktwaarde van de verdovende middelen in 2021 lager was dan de marktwaarde in 2018.
Vast staat dat de officier van justitie uitgaat van een inkoopprijs voor verdachte van € 28,30 euro per gram voor cocaïne en € 16,50 euro per gram heroïne. De rechtbank overweegt hierover dat het mogelijk is dat de inkoopprijs van verdovende middelen in 2021 lager was dan in 2018, maar houdt er ook rekening mee dat het strafdossier tapgesprekken bevat waarin prijzen worden genoemd die hoger liggen dan de door de officier van justitie genoemde prijzen. In de tapgesprekken wordt bijvoorbeeld gesproken over prijzen van 33 of 32 euro, waarop wordt gereageerd dat bij die laatste prijs slechts één euro winst wordt gemaakt.
Al met al ziet de rechtbank in de door de officier van justitie genoemde prijzen een billijk uitgangspunt voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de rechtbank zal deze dan ook hanteren.
Verpakkingsgewicht
De officier van justitie heeft bij zijn berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel een vermindering van 10% gehanteerd, omdat onder de in zijn berekening genoemde gewichten van de verdovende middelen ook de verpakkingsgewichten van de verdovende middelen zijn opgenomen. De rechtbank zal deze vermindering niet hanteren, omdat uit wordt gegaan van de door het NFI vastgestelde netto gewichten.
Contant geld
Gebleken is dat een contant geldbedrag van € 15.267,50 in beslag is genomen waar de verdachte de beschikking over had. De verdachte heeft geen verklaring over een mogelijke legale herkomst van het geld gegeven. De rechtbank gaat er daarom, gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, van uit dat het geld geen legale herkomst heeft en merkt het als wederrechtelijk verkregen voordeel aan.
Conclusie
Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel de volgende berekening zal hanteren:
2.405,6 gram heroïne x marktwaarde van € 16,50 per gram = € 39.692,40;
+
1.728,2 gram cocaïne x marktwaarde van € 28,30 per gram = € 48.908,06;
+
contant geldbedrag van € 15.267,50;
=
€ 103.867,96.
Conclusie schatting wederrechtelijk verkregen voordeel
Op grond van het voorgaande schat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 103.867,96.
5. De vaststelling van de betalingsverplichting
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op hetzelfde bedrag als het door de officier van justitie geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, namelijk € 122.493,67, met een eventuele vermindering van ten hoogste € 5.000,- in het geval de rechtbank dat wegens de overschrijding van de redelijke termijn passend acht.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft betoogd dat de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op een lager bedrag dan het wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast is verzocht om, gelet op de draagkracht van de veroordeelde, van de oplegging van een betalingsverplichting af te zien.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat de ontnemingsmaatregel een reparatoir karakter heeft en beoogt de veroordeelde in de vermogenspositie te brengen waarin hij verkeerde voor het plegen van de strafbare feiten waaruit hij in de concrete omstandigheden daadwerkelijk voordeel heeft verkregen. Omdat de verdovende middelen in beslag zijn genomen, heeft de verdachte deze niet verkocht en hier dus ook niet financieel profijt van gehad. In andere woorden, de verdachte heeft de verdovende middelen ingekocht voor een geschat bedrag van € 88.600,46 en dit bedrag is hem door het in beslag nemen van die middelen reeds ontnomen. Hierom acht de rechtbank het redelijk om bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van de betalingsverplichting de hiervoor geschatte waarden van de verdovende middelen als reeds aan de veroordeelde ontnomen te beschouwen. Een bedrag van € 88.600,46 zal dan ook op de betalingsverplichting in mindering worden gebracht.
De rechtbank constateert daarnaast dat de redelijke termijn waarbinnen de zaak zou moeten zijn afgedaan op het moment van de uitspraak met drie jaar is overschreden, maar ziet hierin geen aanleiding om de veroordeelde met vermindering van de betalingsverplichting financieel te compenseren. De rechtbank acht hiervoor van belang dat bij de veroordeling van de verdachte in zijn strafzaak al rekening is gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Daarmee resteert een bedrag van € 15.267,50. De rechtbank zal de betalingsverplichting op dit bedrag vaststellen en heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de veroordeelde.
Conclusie vaststelling betalingsverplichting
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank de betalingsverplichting vast op een bedrag van € 15.267,50. Bij deze beslissing zijn de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde in aanmerking genomen.
6. Het toepasselijke wetsartikel
7. De beslissing
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 103.867,96 (zegge: honderddrieduizend achthonderdzevenenzestig euro en zesennegentig eurocent);
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 15.267,50 (zegge: vijftienduizend tweehonderdzevenenzestig euro en vijftig eurocent) aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 101 (zegge: honderdeen) dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.H.M. Smelt, voorzitter,
mr. J.L.E. Bakels, rechter,
mr. J. Schaaf, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. F. Aksu, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 maart 2026.
Bijlage
[ontnemingsrapport officier + vonnis zullen aan de papieren versie worden gehecht]