RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.14404
(gemachtigde: mr. B.A. Palm),
en
(gemachtigde: mr. F.S. Schoot).
Procesverloop
De minister heeft op 25 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft deze maatregel al eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 5 januari 2026.
De minister heeft de rechtbank op 13 maart 2026 laten weten dat het langer dan 75 dagen geleden is dat eiser beroep heeft ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Daarom heeft de minister verzocht om te beoordelen of de bewaring kan voortduren (de vervolgkennisgeving). Daarbij heeft de minister een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank merkt de vervolgkennisgeving aan als een beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Uit artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 volgt dat de vreemdeling geacht wordt beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsbenemende maatregel zodra de rechtbank de (eerste) kennisgeving heeft ontvangen. Omdat de vervolgkennisgeving (nog) niet in de Nederlandse wet- of regelgeving is opgenomen, past de rechtbank deze regel op overeenkomstige wijze toe op de vervolgkennisgeving.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
De rechtbank stelt voorop dat uit de uitspraak van 5 januari 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 30 december 2025.
Had de minister een belangenafweging moeten maken?
2. Eiser voert aan dat uit de stukken, waaronder de voortgangsrapportage, niet blijkt dat er een op de persoon van eiser toegespitste kenbare belangenafweging is gemaakt. Hierdoor is er sprake van een motiveringsgebrek.
De rechtbank overweegt dat in beginsel gedurende de eerste zes maanden van de bewaring meer gewicht toekomt aan de belangen van de minister bij voortduring van de bewaring dan aan de belangen van eiser bij zijn invrijheidstelling. Wel kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van de vreemdeling, ook al is de zes maandentermijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van de minister. Eiser heeft echter geen feiten of omstandigheden aangevoerd die maken dat de belangenafweging in zijn voordeel had moeten uitvallen. Zoals de minister op de zitting terecht heeft gesteld, wordt er voortdurend een belangenafweging gemaakt, maar deze hoeft vóór het verstrijken van de zes maanden-termijn niet kenbaar te worden gemaakt in de voortgangsrapportage. Nu de inbewaringstelling nog niet zes maanden heeft geduurd, was de minister niet gehouden om de belangenafweging kenbaar te maken. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
3. Eiser voert aan dat er onvoldoende inzicht is in de voortgang van de uitzettingsinspanningen, terwijl eiser al vanaf 25 november 2025 in bewaring is gesteld. Dit betekent dat eiser inmiddels vier maanden in detentie heeft doorgebracht zonder dat dit tot zijn feitelijke verwijdering heeft geleid.
Naar het oordeel van de rechtbank is met het overleggen van de voortgangsrapportage voldoende inzicht gegeven in de inspanningen van de minister. Op 11 november 2025 is een aanvraag gedaan voor een laissez-passer (lp) en daarop wordt maandelijks gerappelleerd. Eiser is op 26 februari 2026 schriftelijk gepresenteerd bij de Gambiaanse autoriteiten. Daarnaast heeft er op 5 januari 2026 een vertrekgesprek plaatsgevonden. Vervolgens heeft de minister gepoogd om vertrekgesprekken met eiser te voeren op 5 februari 2026, 12 februari 2026 en 10 maart 2026. Eiser is echter niet verschenen op deze vertrekgesprekken. Dit komt voor eisers rekening en risico. Deze handelwijze van de minister is naar het oordeel van de rechtbank voldoende om te kunnen spreken van voortvarend handelen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de minister voor het vaststellen van de uitzettingsdatum (mede) afhankelijk is van de Gambiaanse autoriteiten. De beroepsgrond slaagt niet.
Ontbreekt het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn?
4. Eiser voert aan dat er onvoldoende zicht op uitzetting bestaat. Er is door de minister op dit moment geen concrete uitzettingsdatum genoemd. Ook is momenteel geen lp verstrekt door de Gambiaanse autoriteiten. Volgens de minister zijn in 2025 25 aanvragen voor een lp bij de Gambiaanse autoriteiten ingediend en hebben in ditzelfde jaar twee uitzettingen naar Gambia plaatsgevonden op basis van eerder verstrekte lp’s. Deze omstandigheden wijzen erop dat het niet waarschijnlijk is dat de Gambiaanse autoriteiten in het algemeen en aan eiser in het bijzonder een lp zullen verstrekken.
De rechtbank stelt voorop dat in het algemeen zicht op uitzetting naar Gambia binnen een redelijke termijn bestaat. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die erop wijzen dat het zicht op uitzetting in zijn specifieke geval ontbreekt. Dat nog geen lp is verstrekt door de Gambiaanse autoriteiten, leidt niet tot een ander oordeel. De minister is afhankelijk van de medewerking van de Gambiaanse autoriteiten en mag de tijd worden gegund om op hun reactie te wachten. Bovendien hebben de Gambiaanse autoriteiten niet te kennen gegeven geen lp af te geven voor eiser. Tot slot acht de rechtbank van belang dat de minister terecht heeft opgemerkt dat eiser geen actieve invulling heeft gegeven aan zijn medewerkingsplicht. Op eiser rust immers de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister een refoulementbeoordeling moeten maken?
5. Eiser voert aan dat uit de stukken niet blijkt dat de minister een refoulementbeoordeling heeft gemaakt. Hij verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 12 februari 2026 en naar het arrest Adrar van het Hof van Justitie van 4 september 2025. Hoewel het arrest Adrar niet direct gaat over de verplichtingen van de minister, stelt eiser dat hieruit volgt dat de minister gehouden is om, zowel bij het opleggen als het voortduren van de maatregel van bewaring, een beoordeling te verrichten van het beginsel van non-refoulement, bedoeld in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn. Volgens eiser is dat niet gebeurd.
De Afdeling heeft bij uitspraak van 12 februari 2026 verduidelijkt wat de gevolgen van het arrest Adrar zijn voor de nationale rechter die de rechtmatigheid van de bewaring van een vreemdeling met het oog op diens uitzetting moet toetsen. Uit deze uitspraak volgt onder meer dat de bewaringsrechter, in het kader van het vereiste zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, ambtshalve moet toetsen of het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting verzet. Ook volgt uit de uitspraak dat in het geval dat een vreemdeling eerder een asielprocedure heeft doorlopen, de minister op grond van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht verplicht is de op die procedure betrekking hebbende stukken in het bewaringsdossier te voegen. Dat stelt de bewaringsrechter in staat om binnen het kader van zicht op uitzetting, zo nodig ambtshalve, te toetsen of het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting van de betrokken vreemdeling verzet.
In dit geval is eisers asielaanvraag afgewezen omdat de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig zijn geacht. Kort gezegd heeft de minister niet aangenomen dat eiser, zoals hij stelt, uit Gambia komt. De rechtbank stelt vast dat eisers identiteit en nationaliteit ook in deze bewaringsprocedure tot op heden niet zijn bevestigd door de Gambiaanse autoriteiten. De minister heeft in het terugkeerbesluit Gambia genoemd als terugkeerland, omdat een rechtmatig terugkeerbesluit alleen kan worden genomen indien daarin een land van terugkeer wordt genoemd. Een effectieve beoordeling van het risico op refoulement is op het moment van het nemen van het terugkeerbesluit niet gemaakt en kon ook niet worden gemaakt zolang niet méér bekend is over de nationaliteit en herkomst van de vreemdeling. Dit volgt ook uit rechtspraak van de Afdeling.
Het voorgaande is in wezen niet anders in de situatie waarin een vreemdeling, van wie de nationaliteit en herkomst niet bekend is, in bewaring is gesteld. De minister werkt tijdens de inbewaringstelling aan het vertrek van de vreemdeling naar het land dat het meest lijkt aangewezen, maar kan nog niet goed een refoulementsbeoordeling maken zolang de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling niet daadwerkelijk zijn vastgesteld. Een risico op refoulement kan immers pas zinvol worden onderzocht als er enig houvast bestaat over de identiteit, herkomst en nationaliteit van de vreemdeling. Wel kan van de minister worden verwacht dat een beperktere refoulementbeoordeling wordt gemaakt aan de hand van de algemene (veiligheids)situatie van een land van terugkeer, al dan niet voor een specifieke groepen mensen.
De minister heeft tijdens de zitting toegelicht dat deze (beperkte) toets niet wordt gemaakt bij de periodieke beoordeling van de maatregel van bewaring. Deze toets moet immers al worden gemaakt ten tijde van het opleggen van de maatregel. Dat dit in dit geval niet kenbaar is gebeurd, maakt de maatregel als zodanig niet onrechtmatig. De minister wijst er in dat kader op dat de maatregel in beroep en hoger beroep is getoetst en in stand is gelaten.
De rechtbank volgt de minister hierin niet. De minister dient zich in zijn algemeenheid gedurende de bewaring steeds af te vragen of een verder voortduren van de bewaring is aangewezen en zal zich in dat verband moeten afvragen of vertrek naar het aangewezen land van herkomst nog wel aanvaardbaar is, gelet op een mogelijk risico op refoulement. Is dit niet het geval, dan moet de bewaring worden opgeheven en moet niet worden gewacht tot het moment van de periodieke herbeoordeling door de rechter. Dit vergt een continue beoordeling van de actuele (veiligheids)situatie van het waar de uitzetting op is gericht. Indien de situatie in dat land zodanig is verslechterd dat de vreemdeling na uitzetting het slachtoffer kan worden van willekeurig geweld, is een bewaring met het oog op de uitzetting naar dat land niet (langer) aangewezen. Dit laat onverlet dat de minister in gevallen als hier aan de orde, waarin van een dusdanig slechte algemene veiligheidssituatie als hiervoor bedoeld geen sprake is en de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling nog niet vast staat, niet in staat is en (dus) ook niet gehouden is om een (actuele) refoulementsbeoordeling te maken. Dit komt pas aan de orde op het moment dat de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling met enige mate van zekerheid kan worden vastgesteld.
In het kader van de effectieve rechtsbescherming merkt de rechtbank nog op dat, ook als een inhoudelijke en volledige beoordeling van het risico op refoulement in gevallen als hier aan de orde achterwege blijft bij de oplegging van de maatregel van bewaring, deze beoordeling op een later moment alsnog kan plaatsvinden bij de periodieke toetsing. Zo kan de minister een realistische en effectieve refoulementbeoordeling maken wanneer de vreemdeling zijn gestelde nationaliteit heeft onderbouwd, of wanneer de autoriteiten van het land van herkomst een toezegging hebben gedaan om een lp af te geven.
Daarnaast geldt dat een vreemdeling een apart rechtsmiddel kan aanwenden tegen de feitelijke uitzetting naar een land van terugkeer. Ook kan eiser opnieuw een aanvraag indienen. Daarmee beschikt ook eiser, in ieder geval vóórdat daadwerkelijk wordt overgegaan tot uitzetting, over een effectief rechtsmiddel, waarbij een refoulementbeoordeling zal worden gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.