RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[belanghebbende] , belanghebbende
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.13714
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. P.J. Schüller),
en
Procesverloop
Belanghebbende heeft wederom beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen.
Verweerder heeft de mogelijkheid van verweer gehad.
De rechtbank doet uitspraak zonder een zitting te houden.
Overwegingen
1. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
2. Belanghebbende heeft op 9 juni 2023 asiel aangevraagd in Nederland en heeft de Iraanse nationaliteit. Belanghebbende heeft eerder ook al beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag. Deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem heeft op 15 oktober 2024 uitspraak gedaan op dat beroep. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en bepaald dat verweerder binnen zestien weken een besluit moest nemen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 7.500,00.
3. Belanghebbende heeft vervolgens weer beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar asielaanvraag. Deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem heeft op 6 februari 2025 uitspraak gedaan op dit beroep. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en bepaald dat verweerder uiterlijk binnen twaalf weken alsnog een besluit de asielaanvraag van belanghebbende kenbaar moet maken, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 7.500,00.
4. Belanghebbende heeft daarna nogmaals beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag. Deze rechtbank, zittingsplaats Roermond heeft op 15 augustus 2025 uitspraak gedaan op dit beroep. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en bepaald dat verweerder binnen acht weken een besluit bekend te maken, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van
€ 15.000,00.
5. Omdat verweerder ook na deze opdracht van de rechtbank niet alsnog heeft beslist op de asielaanvraag, is belanghebbende op 12 maart 2026 opnieuw in beroep gegaan wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
6. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 12 februari 2025 een Vreemdelingen Identiteitsbewijs aan belanghebbende heeft verstrekt. Ook heeft verweerder op 19 maart 2025 beoordeeld of belanghebbende kan worden gehoord. Verweerder heeft echter nog steeds geen gevolg gegeven aan de opdrachten van de rechtbank.
7. De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat verweerder met ingang van 24 maart 2026 een besluit- en vertrekmoratorium voor asielaanvragen voor personen afkomstig uit Iran heeft ingesteld. Op grond van artikel 1 van het besluit tot instelling van het besluitmoratorium wordt de beslistermijn voor asielaanvragen van uit Iran afkomstige vreemdelingen verlengd met een jaar tot ten hoogste 21 maanden. De maximale beslistermijn van 21 maanden is echter reeds op 9 maart 2025 verstreken, zodat het besluitmoratorium er niet aan in de weg staat dat verweerder zo spoedig mogelijk op de asielaanvraag dient te beslissen.
7. Belanghebbende heeft verweerder voorafgaand aan het indienen van het beroepschrift niet opnieuw in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank verbindt hier echter geen consequenties aan, omdat van belanghebbende redelijkerwijs niet gevergd kan worden dat zij verweerder opnieuw in gebreke stelt. De rechtbank sluit hiermee aan bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 maart 2019. Het beroep is dus gegrond.
8. Verweerder is - voor zover de rechtbank kan beoordelen - in alle vier de procedures tegen het niet tijdig beslissen in de gelegenheid gesteld om een verweerschrift uit te brengen waarin kan worden aangegeven binnen welke termijn kan worden beslist en waarom dat tot op heden niet is gelukt. Verweerder heeft er echter voor gekozen om geen enkele keer gebruik te maken van die gelegenheid en geen verantwoording af te leggen.
Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?
9. Als het beroep gegrond is en er nog geen besluit is bekendgemaakt, draagt de rechtbank het bestuursorgaan op om binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen. Voor zover van belang overweegt de rechtbank dat het besluit- en vertrekmoratorium voor asielaanvragen van personen uit Iran niet in de weg staat aan het opleggen van een beslistermijn. De maximale beslistermijn van 21 maanden is immers ruimschoots overschreden.
10. Verweerder heeft zich niet gehouden aan drie rechterlijke opdrachten om te beslissen. Daar komt bij dat belanghebbende op 9 juni 2023 zijn asielaanvraag heeft ingediend. Dit betekent dat belanghebbende al ruim 33 maanden wacht op een beslissing op zijn asielaanvraag, terwijl de maximale beslistermijn 21 maanden is. Belanghebbende is zelfs nog niet gehoord over de redenen voor het indienen van zijn asielaanvraag. De rechtbank draagt verweerder daarom op om zo snel mogelijk om de asielaanvraag van belanghebbende te beslissen, maar uiterlijk binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
Wat is de hoogte van de rechterlijke dwangsom?
11. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom van € 500,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 50.000,-. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat dit het vierde beroep niet tijdig is en de maximale beslistermijn van 21 maanden ruimschoots is overschreden. Nu verweerder geen verantwoording heeft afgelegd in deze zaak, gaat de rechtbank uit van weigerachtigheid van de kant van het bestuursorgaan en acht zij een sterke prikkel nodig om verweerder te bewegen te beslissen op de asielaanvraag. Dit is in overeenstemming met het landelijke beleid, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- draagt verweerder op om zo snel mogelijk, maar uiterlijk over twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder aan belanghebbende een dwangsom van € 500,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 50.000,-; en,
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 467,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.P.W. Kwakman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.