RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.15926
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en
(gemachtigde: mr. J.P.M. Wuite).
Procesverloop
Bij besluit van 10 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer M. Essebai. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1999.
Voortvarendheid
6. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Eiser heeft al eerder vastgezeten, zowel in strafrechtelijke detentie als vreemdelingbewaring. Nergens staat vast dat al gedurende die tijd gecommuniceerd is met de Algerijnse autoriteiten. Het is bij de minister bekend dat eiser geen documenten heeft en daar had de minister dan ook eerder op kunnen acteren. Verder is het bekend dat vaak gerappelleerd moet worden, voordat een lp wordt afgegeven door de Algerijnse autoriteiten. Dit alles maakt dat de minister niet voortvarend genoeg heeft gehandeld, maar dit wel had moeten doen. Dat eiser niet de medewerking verleent die de minister graag had willen zien, maakt dat niet anders.
7. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting uit Nederland. De minister heeft ter zitting aangegeven dat op 13 augustus 2025 een lp-aanvraag is opgestart en dat sindsdien maandelijks wordt gerappelleerd. Ook tijdens eisers strafdetentie van 116 dagen stelt de minister maandelijks te hebben gerappelleerd. Daarnaast zijn er ook meerdere vertrekgesprekken gevoerd met eiser. Dit alles wordt niet door eiser betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dan ook voldoende voortvarend gewerkt aan de uitzetting van eiser. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
8. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. van der Winkel, rechter, in aanwezigheid van C. Holmond, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.