[naam 1], eiser 1,V-nummer: [v-nummer],
[naam 2], eiser 2,V-nummer: [v-nummer],
gezamenlijk: eisers,(gemachtigde: mr. F.W. Verbaas),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).
Inleiding
1. Bij besluiten van 14 januari 2026 (de bestreden besluiten) heeft de minister de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft de beroepen op 7 april 2026 gezamenlijk op zitting behandeld. Eisers en hun gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaken op de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Overwegingen
2. De minister heeft de rechtbank op 24 februari 2026 bericht dat eisers op respectievelijk 18 en 19 januari 2026 (geregistreerd op 27 januari 2026) met onbekende bestemming zijn vertrokken. De minister heeft zich daarbij gebaseerd op informatie van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). Op de zitting voegt de gemachtigde van de minister toe dat eisers op 20 januari 2026 in Zwitserland zijn aangetroffen.
De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of eisers nog procesbelang hebben bij het beroep.
De gemachtigde van eisers heeft op 11 maart 2026 aan de rechtbank laten weten dat hij geen contact meer heeft met eisers. Het is onbekend waar eisers nu verblijven, maar het is mogelijk dat ze nog zullen terugkeren en ze zijn minderjarig. Dit maakt dat wel sprake is van procesbelang.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt het volgende. Wanneer een vreemdeling, die een asielaanvraag heeft ingediend, met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, kan er in principe vanuit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem in eerste instantie gezochte bescherming in Nederland. Dit is alleen anders als een vreemdeling nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming.
In dit geval hebben eisers de opvang verlaten, de minister en de gemachtigde niet op de hoogte gesteld van hun verblijfsplaats en hebben zij ook geen contact meer met hun gemachtigde. Dit maakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat eisers geen prijs meer stellen op bescherming in Nederland. Het is de rechtbank verder ook niet gebleken van concrete aanknopingspunten om hiervan af te wijken. Daarom is er geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van het beroep en is het beroep niet-ontvankelijk.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2026 door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.