RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer] ,
de minister van asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.38741
(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),
en
(gemachtigde: mr. L.J.E. Altdorf).
Procesverloop
Bij besluit van 14 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft op 13 januari 2026 de uitspraaktermijn verlengd.
De rechtbank heeft op 22 januari 2026 het onderzoek heropend en partijen verzocht om een aanvullend standpunt in te nemen.
De rechtbank heeft, na ontvangst van de aanvullende standpunten van partijen, op 16 maart 2026 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Adequate opvang
Het asielrelaas
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Verweerder gaat er ten onrechte van uit dat het oorlogsgeweld in Syrië blijvend is verminderd tot een aanvaardbaar niveau. Het geweldniveau in de provincie Idlib is dermate hoog, dat de enkele aanwezigheid in dit gebied leidt tot een reëel risico op ernstige schade vanwege het oorlogsgeweld en onontplofte oorlogsresten aldaar. Daarbij miskent verweerder dat eiser wegens de onbekendheid met het gebied en zijn onervarenheid met het leven in een gebied waar oorlogsgeweld voorkomt, eerder het slachtoffer van oorlogsgeweld kan worden. Eiser beroept zich op een rapport over de veiligheidssituatie in Syrië. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de veiligheids- en humanitaire situatie voor terugkeerders dusdanig slecht is, dat een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM bestaat. Verweerder miskent dat bijzonder slechte sociaaleconomische omstandigheden kunnen resulteren in een onmenselijke situatie zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Dat er bij deze omstandigheden geen dader is aan te wijzen, doet daar niet aan af. In de zienswijze is door eiser betoogd dat van dergelijke sociaaleconomische omstandigheden in Syrië sprake is ten aanzien van ontheemden en terugkeerders. Deze leefomstandigheden zijn door verweerder niet betwist. Verweerder heeft ten onrechte het gebrek aan middelen van bestaan en huisvesting daarom niet meegewogen in zijn beoordeling. Verweerder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er voor eiser adequate opvang aanwezig is in Syrië. Verweerder gaat er ten onrechte aan voorbij dat eisers gezinsleden vluchtelingen zijn die in Turkije over rechtmatig verblijf beschikken en heeft nagelaten te onderzoeken of eisers gezinsleden veilig kunnen terugkeren naar Syrië, dan wel hoe zij anders opvang voor eiser kunnen regelen. Tot slot stelt verweerder ten onrechte dat de belangen van het kind voldoende en adequaat zijn meegewogen. Het verweerschrift
4. Verweerder betwist niet dat er incidentele pieken zijn in geweldsuitbarstingen en gevechten in Idlib, maar acht dit onvoldoende om uit te gaan van de hoogste gradatie in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (hierna: de meest uitzonderlijke situatie) uit te gaan, omdat dit voornamelijk gericht geweld betreft. Het is daarom aan eiser om aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld in het kader van een lopend conflict, en om daartoe – indien noodzakelijk – individuele risicoverhogende omstandigheden aan te voeren. Het door eiser overgelegde nieuwsbericht over de situatie in Sweida en het rapport van de ACHR zeggen niets over individuele risicoverhogende omstandigheden. Dat er in Idlib onontplofte oorlogsresten zijn, volgt verweerder, maar dit leidt niet tot de conclusie dat juist eiser vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Verweerder betwist dat eiser geen huisvesting en middelen van bestaan heeft of zal kunnen verkrijgen, omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich niet opnieuw met zijn ouders in Syrië kan vestigen ondanks de humanitaire situatie. Dat eiser moet terugkeren naar een land waar zijn economische positie slechter is dan in Nederland, is onvoldoende voor de stelling dat terugkeer naar Syrië een schending van artikel 3 EVRM, dan wel artikel 4 van het Handvest oplevert. Verweerder heeft de humanitaire situatie betrokken door het meest recente ambtsbericht en de daarin beschreven humanitaire situatie in de beoordeling van het landenbeleid te betrekken, maar die situatie is niet doorslaggevend of bepalend. De omstandigheden die eiser heeft aangevoerd over de humanitaire situatie zijn algemeen van aard en betrokken in het kader van de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Daarbij levert dit geen grond op voor de toekenning van internationale bescherming, omdat er geen sprake is van een actor in de zin van artikel 6 van de Kwalificatierichtlijn. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Syrië in een situatie terechtkomt die zodanig is dat er sprake is van een ‘minimum level of severity’. De enkele omstandigheid dat de ouders van eiser zich in een ander land dan het land van herkomst bevinden, staat niet in de weg aan de zorgplicht die eisers ouders voor hem dienen te dragen. Eisers ouders hebben een zorgtaak en niet is op voorhand gebleken dat eiser niet kan rekenen op de zorg van zijn ouders. De stelling dat eisers ouders niet veilig kunnen terugkeren naar Syrië is niet nader onderbouwd. Verweerder heeft voldoende onderzocht of er voor eiser sprake is van adequate opvang in Syrië. Daarbij is door verweerder voldoende rekenschap gegeven aan de belangen van het kind.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Veiligheidssituatie en artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn
5. In artikel 15 aanhef en onder c van de Kwalificatierichtlijn staat dat ernstige schade, die aanleiding geeft om een asielvergunning te verlenen, kan bestaan uit ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Daarbij kent willekeurig geweld verschillende gradaties. In de hoogste gradatie, de meest uitzonderlijke, is de mate van willekeurig geweld zodanig dat iemand door zijn enkele aanwezigheid in een gebied al een reëel risico loopt op ernstige schade. In een lagere gradatie kan een vreemdeling door zijn persoonlijke kenmerken eerder slachtoffer worden van willekeurig geweld. Verweerder heeft in het wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire geconcludeerd dat in heel Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld.
6. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat verweerder de veiligheidssituatie in Idlib te licht heeft ingeschat. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de humanitaire omstandigheden in Syrië voornamelijk het gevolg zijn van de burgeroorlog die inmiddels ten einde is gekomen en niet van het thans actieve gewapende conflict. Daarmee zijn deze omstandigheden maar zeer ten dele relevant in het kader van de artikel 15c-inschatting. Hierbij is van belang dat blijkens het Algemeen Ambtsbericht Syrië van 2025 actief wordt gewerkt aan het weghalen van achtergebleven ontplofbare munitie en mijnen. Gelet op het bovenstaande ligt het op de weg van eiser om individuele omstandigheden naar voren te brengen die maken dat hij persoonlijk een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van het algemene geweld en dient hij aannemelijk te maken dat hij om die reden bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Dat eiser in Europa asiel heeft aangevraagd, wordt niet als een dergelijke omstandigheid aangemerkt. Uit het Algemeen Ambtsbericht Syrië van 2025 volgt namelijk dat er geen informatie bekend is waaruit blijkt dat terugkeerders problemen ondervinden in Syrië. Eisers beroep op het rapport over de veiligheidssituatie in Syrië slaagt niet. Anders dan eiser stelt, kan hieruit niet worden geconcludeerd dat de veiligheids- en humanitaire situatie voor terugkeerders dusdanig slecht is, dat een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM bestaat. Eiser heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe de vier in het rapport opgenomen situaties van terugkeerders naar Syrië ook voor eiser als individu maken dat hij te vrezen heeft bij terugkeer naar Syrië. Ook eisers beroep op de brief van Vluchtelingenwerk slaagt niet. Verweerder heeft in het bestreden besluit kunnen overwegen dat sociaaleconomische omstandigheden geen raakvlak hebben met het Vluchtelingenverdrag en niet alle schendingen van artikel 3 van het EVRM dan wel artikel 4 van het Handvest geclassificeerd kunnen worden als ernstige schade in de zin van de Kwalificatierichtlijn. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het door eiser overgelegde internetartikel ziet op geweldsuitbarstingen rondom Sweida, wat bij benadering 423 kilometer van Idlib verwijderd ligt. Verder heeft het artikel voornamelijk betrekking op Druzische mannen. In dit kader is door verweerder daarom niet ten onrechte gesteld dat het in dit overgelegde internetartikel gaat om een andere situatie dan die van eiser. Dat eiser minderjarig is en niet in Syrië is opgegroeid, heeft verweerder in dit kader ook niet als relevante omstandigheid hoeven betrekken. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij zodanig beperkt is dat hij het risico loopt om daardoor eerder dan een willekeurig ander persoon het slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
7. Eisers aanvullende standpunt van 19 februari 2026 waarin hij stelt dat ook de veiligheidssituatie in Aleppo dusdanig slecht is dat sprake is van een situatie waarin eisers enkele aanwezigheid aldaar leidt tot een reëel risico op ernstige schade vanwege oplaaiende gevechten tussen verschillende gewapende groeperingen, leidt in dit kader niet tot een ander oordeel. Verweerder erkent in zijn verweerschrift van 6 maart 2026 dat er sprake is van incidentele pieken van geweldsuitbarstingen en gevechten, maar stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat dit onvoldoende is om van een hoger niveau van willekeurig geweld uit te gaan. Verweerder heeft hiertoe kunnen meewegen dat uit het door eiser aangevoerde nieuwsbericht van 19 februari 2026 niet volgt dat dit om een wezenlijk andere situatie gaat dan de informatie waarop het algemeen ambtsbericht van verweerder is gebaseerd.
8. De rechtbank stelt voorop dat uit het arrest TQ volgt dat verweerder, voorafgaand aan het nemen van een terugkeerbesluit, de situatie van een minderjarige algemeen en grondig moet toetsen, waarbij rekening wordt gehouden met het belang van het kind. Daarbij moet verweerder meerdere aspecten betrekken, zoals de leeftijd, het geslacht, de bijzondere kwetsbaarheid, de fysieke en mentale gezondheid, het eventuele verblijf in een pleeggezin, het opleidingsniveau en de sociale omgeving van de minderjarige. Verweerder dient zich in dit kader ervan te overtuigen dat voor de minderjarige adequate opvang aanwezig is in het land van terugkeer.
9. In beginsel hebben ouders van een alleenstaande minderjarige vreemdeling een grote zorgplicht ten opzichte van hun kinderen. Dit geldt ook in het geval van het aannemen of er adequate opvang aanwezig is in het land van herkomst. Deze zorgplicht reikt ertoe dat, zelfs indien ouders in het buitenland verblijven, van hen mag worden verwacht dat zij in het land van herkomst opvang regelen voor hun minderjarige kinderen. Uit paragraaf B8/6.1 van de Vc volgt dat verweerder adequate opvang aanneemt indien in het land van herkomst een familielid aanwezig is tot in de vierde graad. Daarbij dient er in het land van herkomst opvang aanwezig te zijn waarvan de omstandigheden vergelijkbaar zijn met de omstandigheden van leeftijdsgenoten die zich aldaar ineen gelijkwaardige positie als de vreemdeling bevinden. Eiser heeft verklaard dat hij nog ooms en grootouders in Syrië heeft en dat hij contact heeft met één oom die aldaar met eisers grootmoeder in een tentenkamp verblijft. Gelet op deze informatie heeft verweerder kunnen aannemen dat in het geval van eiser sprake is van adequate opvang in Syrië. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat het voor verweerder op voorhand niet mogelijk is om de adequate opvang aan te nemen. Hierin is eiser niet geslaagd. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers enkele stelling dat zijn familieleden in Syrië geen zorg voor hem kunnen dragen niet met nadere stukken onderbouwd en daarom niet tot een ander oordeel leidt.
10. Ook heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat de ouders van eiser niet veilig terug kunnen keren naar Syrië om aan hun zorgplicht te voldoen. In dit kader heeft verweerder de hoeveelheid terugkeerders naar Syrië kunnen meewegen, alsmede dat het Algemeen Ambtsbericht Syrië 2025 spreekt over zogeheten ‘go and see-regelingen’ waarmee het voor Syriërs mogelijk wordt gemaakt om hun land van herkomst te bezoeken. Dat de ouders van eiser over een asielvergunning beschikken in Turkije en dat eisers vader problemen zou hebben met de autoriteiten in Syrië wordt door verweerder niet betwist. Eiser heeft echter onvoldoende gemotiveerd waarom dit ertoe zou leiden dat zijn ouders, al dan niet op afstand, niet aan hun zorgplicht kunnen voldoen.
Belang van het kind
11. Anders dan door eiser wordt aangevoerd, is de rechtbank, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat verweerder in zijn besluitvorming voldoende rekenschap heeft gegeven aan het belang van het kind bij een terugkeer van eiser naar zijn land van herkomst. Hiertoe heeft verweerder onder andere kunnen overwegen dat een snelle hereniging met eisers ouders of andere gezaghebbenden in zijn belang is, alsmede dat een terugkeer naar een land waar eiser de taal spreekt in zijn belang is. Daarbij heeft verweerder zich in het verweerschrift op het standpunt kunnen stellen dat, nu eiser niet in aanmerking komt voor een asiel- of buitenschuldvergunning, de strikte uitvoering van migratieregels en wetgeving prevaleert boven het belang van eiser om zijn leven in Nederland uit te oefenen.
Conclusie en gevolgen
12. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 7 april 2026 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.