ECLI:NL:RBDHA:2026:8255

ECLI:NL:RBDHA:2026:8255

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-04-2026
Datum publicatie 08-04-2026
Zaaknummer NL25.33377
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Het beroep is gegrond, omdat het onduidelijk is welke documenten de minister bij zijn besluitvorming heeft betrokken en welke waarde aan de documenten is toegekend. Daarnaast heeft de minister nagelaten om afzonderlijke incidenten die eiseres zijn overkomen in onderlinge samenhang te wegen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer 1] , eiseres

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.33377

mede namens haar minderjarige kinderen:

[minderjarige 1] , V-nummer [V-nummer 2] , en [minderjarige 2], V-nummer [V-nummer 3] , beiden geboren [geboortedag 1] 2014,

(gemachtigde: mr. J.A. Pieters),

en

(gemachtigde: mr. W.M.A. van Hoof).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw). Volgens de minister is het asielrelaas ongeloofwaardig en kan eiseres daarom terugkeren naar Colombia. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid van de asielmotieven van eiseres. De rechtbank oordeelt dat de minister zijn standpunt dat de problemen vanwege de ex-schoonfamilie ongeloofwaardig zijn onvoldoende heeft gemotiveerd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stelt van Colombiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag 2] 1995. De minister heeft met het besluit van 17 juli 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Op 14 januari 2026 heeft de minister een aanvullend besluit genomen. Hierin is eiseres, die toen zwanger was, onder meer uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw tot zes weken na de datum van de bevalling.

Eiseres heeft beroep ingesteld. Het beroep is gericht tegen de inhoud van zowel het besluit van 17 juli 2025 als het aanvullende besluit van 14 januari 2026. Deze besluiten worden in het vervolg van deze uitspraak samen als ‘het bestreden besluit’ aangeduid.

De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, R. Caicedo als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiseres komt uit Colombia en legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres heeft problemen ondervonden doordat haar ex-partner, vader van haar kinderen, problemen had met gewapende groeperingen. Die problemen kwamen doordat de familie van haar ex-partner, de familie [familie] , problemen had met zowel de FARC als de neo-paramilitairen [naam 1] ( [naam 2] / [naam 3] ). Deze problemen hebben ervoor gezorgd dat eiseres na twee incidenten weg is gegaan bij haar ex-partner. Zij en haar kinderen zijn meerdere malen bedreigd en daardoor ook meerdere malen verhuisd. Eiseres heeft na twee incidenten de beslissing genomen om haar partner te verlaten, maar de bedreigingen en problemen bleven aanhouden. Volgens eiseres omdat personen via haar bij haar ex-partner willen komen. Eiseres heeft verschillende keren aangifte gedaan en op andere manieren gepoogd bescherming te verkrijgen. Uiteindelijk kreeg eiseres van een medewerker van het Openbaar Ministerie in Colombia het advies om naar Nederland te vluchten. Dat heeft eiseres gedaan. Eiseres vreest dat zij en haar kinderen bij terugkeer vermoord zullen worden. Eiseres heeft haar asielrelaas ondersteund met diverse documenten, waaronder foto’s van letsel, aangiftes bij de politie van bedreiging, vervolging en intimidatie, en twee documenten van de ombudsman waaronder een verzoek aan Binnenlandse zaken in Colombia, Centrum voor integrale slachtofferhulp, tot het verlenen van – kort gezegd – bescherming.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst en

2. Problemen vanwege de ex-schoonfamilie.

De minister acht de persoonsgegevens geloofwaardig, maar ziet daarin geen aanleiding om internationale bescherming te verlenen. De problemen die eiseres stelt te ondervinden vanwege haar ex-schoonfamilie vindt de minister niet geloofwaardig. Zij heeft haar verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die het asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister getoetst aan artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De minister concludeert dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 31, zesde lid, onder c en d, van de Vw. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag moet worden afgewezen.

De minister acht de aanvraag kennelijk ongegrond, op grond van artikel 30b, eerste lid aanhef en onder h, van de Vw, omdat eiseres niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was.

Toetsingskader

5. In artikel 31, zesde lid, onder c en onder d, van de Vw staat: Indien de vreemdeling zijn verklaringen of een deel van zijn verklaringen niet met documenten kan onderbouwen, worden deze verklaringen geloofwaardig geacht en wordt de vreemdeling het voordeel van de twijfel gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan: (…)

c. de verklaringen van de vreemdeling zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag;

d. de vreemdeling heeft zijn aanvraag zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten.

Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister de vanaf 1 juli 2024 geldende Werkinstructie 2024/6 heeft toegepast. In deze WI 2024/6 is een nadere toelichting gegeven op de geloofwaardigheidsbeoordeling die ten grondslag ligt aan de beoordeling van een inhoudelijk verzoek om internationale bescherming, zoals die volgt uit artikel 31 van de Vw, artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn (Kri) en het beleid in paragraaf C1/4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).

De nieuwe WI gaat uit van verschillende stappen. Eerst wordt in stap 1 in samenspraak met de vreemdeling informatie verzameld en vervolgens stelt de minister de asielmotieven vast. Vervolgens worden in stap 2 die asielmotieven getoetst. In stap 2a wordt beoordeeld of een vreemdeling het asielmotief voldoende heeft onderbouwd met objectieve bewijsstukken. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om objectieve documenten die authentiek zijn en waarvan de

echtheid kan worden vastgesteld en bevestigen wat de vreemdeling heeft verklaard. Ook kan

het gaan om objectieve, openbare bronnen die zien op de persoonlijke omstandigheden en

de verklaringen van de vreemdeling bevestigen. Overgelegde stukken zullen in beginsel (voor zover mogelijk én indien relevant) worden onderzocht op echtheid.

Als aan stap 2a niet wordt voldaan, gaat de minister over naar stap 2b. In die stap toetst de minister aan de vijf cumulatieve voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw om de geloofwaardigheid te beoordelen. Aan alle vijf de voorwaarden moet worden voldaan. Daarna volgt een eindconclusie. Als het asielmotief onvoldoende is onderbouwd met documenten en de vreemdeling voldoet niet aan één of meerdere van de vijf voorwaarden, is het asielmotief niet geloofwaardig.

In het bestreden besluit heeft de minister eiseres tegengeworpen dat niet wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zes lid onder c: de verklaringen van de vreemdeling zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn verzoek, en onder d: de vreemdeling heeft zijn verzoek zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten.

Heeft de minister eiseres een te hoge bewijslast opgelegd?

6. Eiseres stelt dat de minister een te hoge bewijslast aan haar oplegt. Zij voert hierover aan dat zij haar relaas voldoende heeft gestaafd met documenten waardoor de minister van de geloofwaardigheid van het relaas moet uitgegaan. De minister kan het begrip ‘bewijsmateriaal’ niet beperken tot alleen authentieke of objectieve documenten. Eiseres wijst ter onderbouwing op het arrest Fathi, het arrest LH en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de raad van State (Afdeling) van 20 maart 2025 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 18 februari 2025.

7. De rechtbank maakt uit de gronden en wat is besproken op zitting op, dat de beroepsgrond ziet op zowel stap 2a als stap 2b. De rechtbank overweegt dat uit WI 2024/6 volgt dat aan de onderbouwing in stap 2a wordt voldaan als sprake is van voldoende onderbouwing met objectieve bewijsstukken van het volledige asielmotief. Dat betekent dat de minister van de vreemdeling voor alle onderdelen van de verklaringen bewijs kan verlangen. De rechtbank oordeelt dat de minister heeft kunnen stellen dat eiseres aan die eis niet heeft voldaan, omdat niet het volledige asielmotief voldoende onderbouwd wordt door de bewijsmiddelen die eiseres heeft aangedragen. Dat betekent dat de minister in de beoordeling mocht verdergaan naar stap 2b.

De rechtbank stelt vast dat de minister vervolgens heeft getoetst aan stap 2b. De minister heeft in het voornemen daarover gesteld dat de verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen als bedoeld in art 31, zesde lid, onder c, van de Vw, ten eerste omdat de overgelegde documenten niet objectief verifieerbaar zijn. In het bestreden besluit heeft de minister in het licht van het aangevoerde over arrest L.H. en Fathi gesteld dat beperkte waarde kan worden gehecht aan documenten die niet op echtheid kunnen worden onderzocht en dat er beperkte waarde aan is gehecht. Over de aangiften en de brief van de ombudsman heeft de minister gesteld dat die niet objectief verifieerbaar zijn, omdat die een weergave bevatten van de eigen verklaringen van eiseres en er daarom niet de waarde aan kan worden gehecht die eiseres daaraan gehecht wenst te zien. Over de beschermingsmaatregel die eiseres naar aanleiding van de brief van de ombudsman heeft gekregen, heeft de minister gesteld dat ook die is gebaseerd op eigen verklaringen die voortkwamen uit aangiftes en e-mail. Tot slot heeft de minister over de foto’s gesteld dat daarmee niet objectief kan worden vastgesteld dat de verwondingen zijn opgelopen op de manier die eiseres stelt. Daarom zijn de overgelegde documenten niet voldoende om als objectief verifieerbaar bewijsstuk het asielrelaas te onderbouwen.

De minister heeft op zitting hierover desgevraagd bevestigd dat de minister vindt dat de documenten beperkte waarde hebben. De minister heeft verder gesteld dat ondanks dat er in het bestreden besluit staat dat de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, met als reden dat de overgelegde documenten niet objectief verifieerbaar zijn, wel het juiste toetsingskader is gebruikt.

De rechtbank volgt de minister niet en oordeelt dat de minister hier een onjuist toetsingskader hanteert. Eiseres heeft een groot aantal documenten overgelegd ter onderbouwing van haar asielrelaas, zoals onder meer foto’s van letsel, de verklaring van de schoonzus van eiseres, kopieën van overlijdensaktes, de originele aangiften bij de politie, brieven van de ombudsman. De minister diende te beoordelen of de door eiseres overgelegde bewijsstukken bijdragen aan haar asielrelaas. Om daar aan te kunnen bijdragen hoeft het niet te gaan om objectief verifieerbare documenten, maar moet het gaan om bewijsmateriaal. Het kan naast objectief verifieerbare documenten dus ook gaan om medische verklaringen, foto’s, aangiften en meer. De rechtbank merkt hier verder nog op dat op grond van de Procedurerichtlijn elk document dat ter onderbouwing van het verzoek om internationale bescherming wordt overgelegd, bij de beoordeling moet worden betrokken. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar vaste jurisprudentie van zowel de Afdeling als ook het EHRM. Hieruit volgt dat de asielzoeker niet mag worden tegengeworpen dat aan documenten geen bewijswaarde toekomt, omdat die documenten niet op authenticiteit kunnen worden onderzocht of niet objectief verifieerbaar zijn.

Dit volgt verder ook uit de door eiseres genoemde uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2025 (noot 4), waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat de minister de waarde die aan een door een vreemdeling overgelegd document toekomt, moet bezien in het licht van de door die vreemdeAling afgelegde verklaringen en tegen de achtergrond van dat wat algemeen bekend is over de situatie in het land van herkomst. De minister had dus al het overgelegde bewijsmateriaal in onderlinge samenhang met de verklaringen van eiseres en wat bekend is uit openbare bronnen moeten beoordelen.

De minister heeft op de zitting gesteld dat wel het juiste beoordelingskader is toegepast, maar uit de motivering van het bestreden besluit blijkt niet dat de minister die beoordeling heeft gemaakt. Uit het bestreden besluit blijkt namelijk niet welke documenten zijn meegewogen, welke waarde aan de verschillende documenten is toegekend en hoe zwaar de documenten hebben meegewogen in de geloofwaardigheidsbeoordeling van de verklaringen van eiseres. Zo overweegt de minister bijvoorbeeld over de foto’s, die hij kennelijk volledig buiten beschouwing heeft gelaten, dat de verwondingen van eiseres op de door haar overgelegde foto’s op andere wijze kunnen zijn ontstaan. De minister miskent hiermee dat deze foto’s wel bewijswaarde kunnen hebben, omdat ze het asielmotief van eiseres kunnen ondersteunen. Hetzelfde geldt voor de in de zienswijze overgelegde kopieën van overlijdensaktes die de minister buiten beschouwing heeft gelaten. Ook bij die stukken miskent de minister dat deze documenten het asielmotief van eiseres kunnen ondersteunen. Verder heeft de minister over de verklaring van de schoonzus van eiseres gesteld daar beperkte waarde aan te hechten, zonder dat duidelijk is op welk deel van het relaas van eiseres dat betrokken en gewogen is. Dit had wel gemoeten, te meer omdat er meerdere bewijsmiddelen zijn overgelegd die de verklaringen van eiseres ondersteunen.

Tussenconclusie

De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd, omdat de minister bij stap 2b een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd en de overgelegde documenten niet kenbaar heeft onderzocht in het licht van de verklaringen van eiseres en dus niet heeft kenbaar heeft gekeken of de overgelegde bewijsstukken haar verklaringen onderbouwen.

Is de geloofwaardigheidsbeoordeling voor het overige toereikend?

8. Eiseres voert primair aan dat de minister in het bestreden besluit diverse tegenwerpingen uit het voornemen heeft laten vallen en dat de tegenwerpingen die overblijven onvoldoende zijn om tot ongeloofwaardigheid te concluderen.

9. De rechtbank overweegt dat eiseres terecht stelt dat de minister diverse tegenstrijdigheden dan wel ongerijmdheden niet langer tegenwerpt. Eiseres onderbouwt echter niet waarom de overgebleven tegenwerpingen onvoldoende zijn om het besluit van de minister te dragen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

10. Eiseres voert verder gronden aan over diverse incidenten waar zij bij betrokken is geweest en die de minister niet geloofwaardig acht. Daarbij wijst zij meermaals op de chronologie van en samenhang tussen de incidenten.

11. De rechtbank is van oordeel dat de minister bij de beoordeling van de incidenten te veel heeft gefocust op ieder afzonderlijk incident, zonder daarbij (kenbaar) te beoordelen in hoeverre de optelsom van incidenten van invloed is op de geloofwaardigheid van dat incident en de achtergrond daarvan en de geloofwaardigheid van het relaas als geheel. Daarbij wijst de rechtbank erop dat het gaat om in totaal zes incidenten, waarvan verweerder bij vier incidenten de feitelijke gang van zaken geloofwaardig acht. Door van ieder incident los te beoordelen of er een verband is met eiseres zelf, dan wel met haar ex-schoonfamilie, ziet verweerder over het hoofd dat de stapeling van incidenten rondom eiseres ook een aanwijzing kan vormen dat eiseres wel degelijk het doelwit van deze incidenten is. De rechtbank bespreekt hierna nog de afzonderlijke incidenten.

Bomaanslag

12. Eiseres heeft verklaard dat er op 23 november 2018 een bom is afgegaan in de buurt van de woning van eiseres en haar ex-partner.

De minister stelt hierover dat hij de bomaanslag geloofwaardig vindt, maar het niet geloofwaardig vindt dat de bomaanslag tegen eiseres was gericht. De minister erkent dat de chronologie van de gebeurtenissen kan suggereren dat er een verband is, maar zonder expliciete aanwijzingen of bewijsmateriaal waaruit de intentie van de betrokken daders blijkt, blijft dat een aanname. De minister erkent ook dat de politie eiseres geadviseerd heeft te verhuizen. Maar dit advies kan volgens de minister ook zijn ingegeven door de aanslag op zich in combinatie met veel voorkomend geweld. Hieruit volgt volgens de minister niet automatisch dat de bomaanslag op eiseres was gericht. Zonder expliciete aanwijzingen of bewijsmateriaal blijft het volgens de minister een aanname.

Eiseres voert aan dat het alleszins aannemelijk is dat de bomaanslag die plaatsvond in de buurt van haar huis voor haar bedoeld was, gelet op de locatie van de bom en de chronologie van de gebeurtenissen.

13. De rechtbank oordeelt dat de minister miskent dat het in deze stap van de geloofwaardigheidsbeoordeling niet noodzakelijk is om ieder incident met stukken te onderbouwen. Het gaat om de vraag of het relaas van eiseres aannemelijk is. De minister licht niet toe waarom het niet aannemelijk is dat de bomaanslag gericht was tegen eiseres en/of haar gezin, mede bezien in het licht van de andere incidenten waarvan de minister geloofwaardig acht dat die zijn gebeurd, terwijl dat wel op zijn weg lag. Dit is een motiveringsgebrek. Deze beroepsgrond slaagt.

Incident in de speeltuin

14. Eiseres heeft verklaard over een incident dat op 14 februari 2020 in een speeltuin plaatsvond. Bij dit incident is het zoontje van eiseres aangesproken door een man op een motor. De man vroeg aan haar zoontje waar zijn papa en mama woonden. Eiseres wilde aangifte doen van het incident, maar de aangifte is niet opgenomen, omdat er geen bewijs was van een bedreiging.

De minister volgt dat het zoontje van eiseres in de speeltuin is aangesproken, maar vindt dat niet aannemelijk is gemaakt dat haar zoontje bedreigd werd, omdat er geen concrete aanwijzingen of bewijsmateriaal is waaruit de intentie van de daders blijkt. De minister heeft op de zitting desgevraagd gesteld navraag te hebben gedaan bij TOELT met de vraag of het aanspreken van een kind in de speeltuin met de vraag waar zijn vader is, een bekende vorm van intimidatie of bedreiging is, die vaker wordt toegepast door één van de genoemde groeperingen waarmee eiseres problemen zou hebben. Daarvoor is geen ondersteuning gevonden.

Eiseres voert aan dat de minister miskent dat, gelet op de situatie in Colombia en in het licht van de voorgaande gebeurtenissen, het incident in de speeltuin opgevat moet worden als een bedreiging.

15. De rechtbank stelt vast dat dit incident – ook volgens de minister – heeft plaatsgevonden. Als dit het enige incident zou zijn geweest, dan kan de rechtbank volgen dat niet zonder meer duidelijk is dat de opmerking is bedoeld als een bedreiging. De rechtbank oordeelt echter dat de minister heeft nagelaten om dit incident te wegen in het licht van de overige incidenten waar eiseres over heeft verklaard en waarbij zij stelt direct of indirect bedreigd te worden. Deze beroepsgrond slaagt daarom.

Mishandeling op straat ergens tussen september en november 2020

16. Eiseres heeft verklaard, dat zij ergens tussen september 2020 en november 2020 met haar tweeling op straat liep en dat zij toen van achteren gegrepen werden door twee mannen. De kinderen werden door één man gegrepen en de andere man mishandelde eiseres. Zij vroegen naar de ex-partner van eiseres en ‘de tante’. De mannen waren lid van de [naam 2] , ook bekend als [naam 1] . Eiseres heeft foto’s overgelegd waar zij zelf op staat met verwondingen in haar gezicht.

De minister heeft over dit incident gesteld dat de verklaringen van eiseres over de mishandeling op straat overeenkomen met de aangifte bij de politie op 5 juli 2022, waarin eiseres stelt dat [naam 2] verantwoordelijk is voor de moord op familieleden van haar ex-partner. Maar de minister vindt dat de verklaringen niet overtuigen, omdat eiseres niet heeft onderbouwd waarom [naam 2] naar haar of de ex-partner op zoek zou zijn en de rol van de ex-partner in het gestelde conflict niet duidelijk is.

Eiseres voert aan dat de minister erkent dat het een aanname van de minister is, dat vetes na verloop van tijd zouden verjaren. Omdat de minister geen andere argumenten heeft tegengeworpen is het bestreden besluit op dit punt ondeugdelijk gemotiveerd. Daarnaast heeft eiseres eerder al gewezen op medisch steunbewijs voor de mishandeling en de minister miskent de waarde hiervan zoals die is neergelegd in artikel 18 van de Procedurerichtlijn. Verder heeft de minister ondeugdelijk gemotiveerd dat eiseres niet heeft onderbouwd waarom de [naam 2] naar haar op zoek is. Eiseres heeft in de zienswijzen uitgebreid toegelicht waardoor het conflict is ontstaan en voorzien van bewijsstukken. Bovendien erkent de minister dat eiseres al vanaf het begin heeft verklaard over de problemen met [naam 3] / [naam 2] . Daarom valt niet in te zien waarom de minister meent dat zij de oorzaak van haar problemen onvoldoende heeft toegelicht.

17. De rechtbank stelt vast dat eiseres vanaf het begin van de gehoren heeft verklaard dat de familie van haar ex-partner niet alleen problemen heeft met de FARC, maar ook met de [naam 3] , ook bekend als de [naam 2] . Ook heeft eiseres meermaals uitgelegd, dat zij niet precies op de hoogte is van wat er aan de vetes ten grondslag ligt, omdat haar ex-partner haar daarbuiten heeft gehouden. Pas na een aantal incidenten heeft hij haar in grote lijnen ingelicht, en toen is zij voor de veiligheid van haar kinderen vertrokken. Zij heeft haar schoonzus gevraagd om opheldering. En eiseres heeft verklaard dat de paramilitairen ook achter haar aan zaten. Nu de verklaringen van eiseres hierover overeenkomen met de aangifte bij de politie op 5 juli 2022, en de minister in het bestreden besluit eiseres volgt in haar stellingen dat haar verklaringen over de oorzaken van de problemen consistent en niet tegenstrijdig zijn, lag het op de weg van de minister om uit te leggen waarom de verklaringen van eiseres toch niet overtuigen. Dat heeft de minister onvoldoende gedaan. Deze beroepsgrond slaagt.

Overval in eigen woning

18. Eiseres heeft verklaard dat zij op 10 januari 2022 in haar eigen woning is overvallen door twee mannen. Daarbij was sprake van fysiek geweld. Eén van de mannen ging naar de kamer van de kinderen.

De minister stelt dat hij een eerdere tegenstrijdigheid in de verklaringen over de overval in de eigen woning van eiseres niet langer handhaaft. De minister volgt daardoor nu wel dat eiseres heeft verklaard dat er twee mannen waren, dat er één naar de kamer van de kinderen ging, dat de deur van die kamer open stond en eiseres kon zien wat daar gebeurde. De minister werpt echter in het bestreden besluit tegen dat er nog onderlinge tegenstrijdigheden overeind blijven. De minister noemt als voorbeeld dat eiseres eerst (NG p. 10) heeft verklaard dat er een worsteling plaatsvond en later (NG p. 26) dat de man haar in het gezicht sloeg en dat ze op een gegeven moment zijn vertrokken.

Eiseres voert aan dat haar verklaringen op pagina 10 van het Nader Gehoor (NG) over de overval in de woning niet in strijd zijn met de weergave van de overval op pagina 26 van het NG.

19. De rechtbank stelt vast, dat eiseres zowel op p. 10 van het NG als pagina 26 van het NG heeft verklaard dat er sprake was van het binnendringen door twee mannen, dat zij geslagen is en dat er gescholden werd. Dat eiseres deze omstandigheden op het ene moment duwen noemt en op het andere moment worstelen, vindt de rechtbank niet dusdanig afwijkend van elkaar dat alleen hierop de verklaringen over het incident kunnen worden afgedaan als tegenstrijdig aan elkaar. Deze beroepsgrond slaagt.

Overval op een minimarket

20. Eiseres heeft verklaard dat niet lang na het vorige incident er een aanval is geweest op een minimarket waar zij als enige vrouw werkte. De winkel is vernield en de dader heeft tegen de eigenaar gezegd: “bericht is voor dat wijf dat in die winkel werkt.”

De minister werpt eiseres tegen, dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vernieling van de winkel een gevolg is van de geschetste problematiek met de ex-schoonfamilie.

Eiseres voert aan, dat zij uit het bestreden besluit opmaakt dat de minister de overval op de minimarket niet betwist, maar dat de minister stelt dat eiseres het causaal verband met de problemen met de ex-schoonfamilie niet heeft aangetoond. Eiseres voert hierover aan dat het incident op haar gericht moet zijn geweest, aangezien zij als enige vrouw in de minimarket werkte. Zij heeft geen andere problemen in Colombia dan de problemen die voortkomen uit de relatie met (de familie van) haar ex-partner, zodat het aannemelijk is dat de overval daarmee verband houdt.

21. De rechtbank stelt vast dat dit incident - ook volgens de minister - heeft plaatsgevonden. Eiseres heeft verder in haar hele relaas alleen verklaringen afgelegd over incidenten die te maken hebben met haar ex-partner of zijn familie. De rechtbank oordeelt dat de minister - in het kader van het vaststellen van de aannemelijkheid van de verklaring van eiseres - heeft nagelaten om dit incident te wegen in het licht van de overige incidenten waar eiseres over heeft verklaard. Deze beroepsgrond slaagt.

Mishandeling door een agent

22. Eiseres heeft verklaard dat zij twee agenten toegewezen heeft gekregen om haar te vergezellen naar Unidad de victima’s. Eén van die twee agenten, [persoon] genaamd, heeft haar toen zij op straat liep, mishandeld door haar met een helm te slaan.

De minister stelt over dit incident, dat niet is gebleken dat [persoon] lid is van de FARC en dat eiseres niet heeft kunnen aantonen dat hij een geïnfiltreerde agent is. De minister volgt wel dat eiseres mishandeld is, maar het gaat volgens de minister om een op zichzelf staand incident. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het incident het gevolg is van problemen met de ex-schoonfamilie.

Eiseres voert over dit incident aan, dat de minister stelt dat niet wordt gevolgd dat de mishandeling door agent [persoon] verband houdt met de ex-schoonfamilie, omdat niet is aangetoond dat [persoon] lid is van de FARC. Maar dat gelet op de opeenvolging van problemen eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een geïndividualiseerd risico loopt op ernstige schade in Colombia.

23. De rechtbank stelt vast dat de minister eiseres volgt in haar verklaring dat de mishandeling heeft plaatsgevonden, dat er een uitgebreide aangifte ligt die overeenkomt met de verklaring van eiseres en dat haar aangifte ondersteund wordt door foto’s. De rechtbank oordeelt dat de minister heeft nagelaten om dit incident te wegen in het licht van de overige incidenten waar eiseres over heeft verklaard. Deze beroepsgrond slaagt.

Tussenconclusie

24. Uit het voorgaande volgt dat de minister het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Daarnaast volgt hieruit dat de minister heeft nagelaten om de afzonderlijke incidenten in onderlinge samenhang te wegen. De minister heeft dus onvoldoende gemotiveerd dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.

25. Artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw, kan op zichzelf de afwijzing niet dragen. Dat volgt uit artikel 10, eerste lid, van richtlijn 2013/32, waarin expliciet is bepaald dat de lidstaten ervoor zorgen dat verzoeken om internationale bescherming niet worden afgewezen of van behandeling worden uitgesloten louter op grond van het feit dat zij niet zo snel mogelijk zijn gedaan. Dat betekent dat de afwijzing in het besluit onvoldoende is gemotiveerd.

26. Gelet op de beroepsgronden die slagen, komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van de overige beroepsgronden.

Conclusie en gevolgen

27. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond, omdat het onduidelijk is welke documenten zijn betrokken bij de besluitvorming en welke waarde aan de documenten is toegekend. Dit betekent dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd.

Daarnaast is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd, omdat de minister heeft nagelaten om de afzonderlijke incidenten in onderlinge samenhang te wegen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat verweerder een nieuwe beoordeling dient te maken.

28. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor acht weken.

29. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 17 juli 2025 en het aanvullende besluit van 14 januari 2026;

- draagt de minister op binnen 8 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens - Kleijn, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 2 april 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?