RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], verzoeker,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48050
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en
(gemachtigde: mr. J. Veendorp).
Procesverloop
1. Met het primaire besluit van 28 maart 2025 heeft de minister vastgesteld dat eiser sinds zijn hervestiging in Nederland geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft gehad. Met het bestreden besluit van 4 september 2025 op het bezwaar van eiser is de minister hierbij gebleven. Eiser is het hier niet mee eens. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.48049, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.M. Veenstra - van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.