[eiser] ,
geboren op [geboortedag] 1997, eiser/verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. C. van Es).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
Eiser heeft op 12 augustus 2023 asiel aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 16 september 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Ogbamichael als tolk in de taal Tigrinya en de gemachtigde van de minister.
Op de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst, zodat de minister een verklaring van Bureau Documenten kon opvragen en de minister kon reageren op de nadere stellingen van eiser over de algemene veiligheidssituatie in Ethiopië. Op 23 februari 2026 heeft de minister een verklaring van Bureau Documenten ingediend en een reactie op de algemene veiligheidssituatie.
Vervolgens heeft eiser op 26 februari 2026 op de reactie van de minister gereageerd en verwezen naar verschillende rapporten. De rechtbank heeft de minister verzocht hierop te reageren. Dit heeft de minister op 5 maart 2026 gedaan en hij heeft hierbij een vergewisbrief ingediend. Ook heeft de minister aangegeven geen aanleiding te zien om het beroep nogmaals op zitting te behandelen.
De rechtbank heeft vervolgens op 11 maart 2026 aangegeven dat zij van oordeel is dat het niet nodig is om in deze zaak opnieuw een zitting te houden. De rechtbank heeft eiser tot 13 maart 2026 gegeven om aan te geven of hij op een nadere zitting gehoord wilde worden. Ook heeft de rechtbank aangegeven dat zij het onderzoek zal sluiten als zij niets van eiser verneemt binnen die termijn.
Eiser heeft niet gereageerd. Daarom heeft de rechtbank op 16 maart 2026 het onderzoek gesloten en aangegeven binnen twee weken, dus uiterlijk 30 maart 2026, uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond
3. Eiser is geboren op [geboortedag] 1997. Hij heeft zijn gehele leven in Ethiopië gewoond met zijn Eritrese vader en Ethiopische moeder. Eiser heeft Ethiopië op 9 februari 2017 verlaten. Eiser is via Sudan, Libië, Tunesië, Italië, Frankrijk en België naar Nederland gereisd waar hij in augustus 2023 is aangekomen.
Asielrelaas
4. Eiser heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser stelt dat hij is geboren uit een Eritrese vader en een Ethiopische moeder. Op grond van de Eritrese en Ethiopische nationaliteitswetgeving heeft hij daardoor bij geboorte beide nationaliteiten gekregen. Eiser heeft verklaard dat hij op zijn achttiende niet actief heeft gekozen voor de Ethiopische nationaliteit, en dat hij deze daardoor is verloren. Eiser heeft door zijn Eritrese nationaliteit discriminatie ervaren in Ethiopië.
Besluitvorming
Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1. De identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen vanwege het niet hebben van een nationaliteit.
De minister vindt de identiteit van eiser niet geloofwaardig, maar zijn Ethiopische nationaliteit en herkomst wel. De minister stelt dat op basis van de kopie van de Ethiopische geboorteakte, de herkomstvragen die aan eiser gesteld zijn en de taal die hij spreekt, het geloofwaardig wordt geacht dat hij de Ethiopische nationaliteit en herkomst heeft. Eiser heeft echter onvoldoende documenten overgelegd om zijn Eritrese nationaliteit te onderbouwen, hij heeft daarvoor geen goede verklaring gegeven en zijn verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel, omdat hij wisselende verklaringen heeft afgelegd. De asielaanvraag van eiser is afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat zijn verklaringen worden beoordeeld als kennelijk inconsequent en tegenstrijdig.
Beroepsgronden
6. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartegen onder andere het volgende aan. De minister heeft ten onrechte de Eritrese nationaliteit en het verlies van de Ethiopische nationaliteit niet als asielmotief erkend en dit element ten onrechte niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft hierover niet tegenstrijdig verklaard. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn Eritrese nationaliteit bij de correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor naast de kopie van zijn geboorteakte ook een kopie van de identiteitskaart van zijn vader overgelegd. Hij stelt dat enkel het feit dat zijn vader Eritrees is, al maakt dat eiser dat ook is.
Beoordeling rechtbank
7. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat de minister de elementen van zijn asielrelaas niet goed heeft geduid. Uit alle verklaringen van eiser blijkt dat zijn problemen in Ethiopië niet zijn ontstaan omdat hij geen nationaliteit heeft, maar omdat hij (ook) de Eritrese nationaliteit heeft. Het besluit is dus onvoldoende zorgvuldig gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt.
Verweerder heeft in het besluit en op de zitting wel een standpunt ingenomen over de Eritrese nationaliteit van eiser. De rechtbank zal dan ook beoordelen of dat standpunt het besluit kan dragen.
Identiteitskaart van de (gestelde) vader van eiser
De minister stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de Eritrese nationaliteit bezit. Eiser heeft namelijk tegen de politie verklaard dat hij alleen de Ethiopische nationaliteit bezit, en geen andere. Hij heeft geen documenten overgelegd die zijn Eritrese nationaliteit onderbouwen. De kopie van de identiteitskaart van zijn vader maakt dit niet anders. Deze kopie is immers niet vertaald. Bovendien blijkt uit deze kopie niet dat de persoon op de identiteitskaart de vader is van eiser. Daarnaast heeft Bureau Documenten onderzoek gedaan naar de kopie van de identiteitskaart. Volgens Bureau Documenten wijken de verschijningsvorm en de opmaak en afgifte af van het beschikbare referentie- en vergelijkingsmateriaal. Bureau Documenten komt daarom tot de conclusie dat het document hoogstwaarschijnlijk niet echt en hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd is opgemaakt. Ter onderbouwing legt de minister ook een vergewisbrief van 4 maart 2026 over, waarin geconcludeerd wordt dat het onderzoek van Bureau Documenten inhoudelijk inzichtelijk is.
Eiser vindt het rapport van Bureau Documenten over de identiteitskaart weinig inzichtelijk omdat het niet aangeeft op welke punten de opmaak en afgifte afwijken en welk referentie- en vergelijkingsmateriaal is gebruikt. Eiser verwijst onder andere naar een rapport van de Zwitserse autoriteiten over Eritrese documenten, waarin een identiteitskaart is afgebeeld die qua lay-out precies overeenkomt met de kaart van de vader van eiser. Eiser meent dat op basis van deze informatie moet worden geconcludeerd dat de opmaak van de identiteitskaart van de vader van eiser wel overeenkomt met authentieke identiteitskaarten, althans dat uit het rapport van de minister onvoldoende blijkt op welke punten het overgelegde document niet zou voldoen.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat een advies van Bureau Documenten een deskundigenadvies is aan de minister ten behoeve van de uitvoering van zijn bevoegdheden. De minister mag in beginsel uitgaan van de juistheid van dit advies, maar moet wel nagaan of het advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, of de redenering daarin begrijpelijk is, en of de getrokken conclusies daarop aansluiten. Een vreemdeling kan deze onderwerpen van een deskundigenadvies betwisten door middel van een contra-expertise, dan wel door concrete aanknopingspunten voor inhoudelijke twijfel aan te voeren. In dat geval mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de opsteller van het advies een reactie op wat over het advies is aangevoerd.
De rechtbank is van oordeel dat eiser met de verwijzing naar het Zwitserse rapport concrete aanknopingspunten voor inhoudelijke twijfel heeft aangevoerd ten aanzien van het advies van Bureau Documenten. In dit rapport wordt zeer uitgebreid ingegaan op de kenmerken van de Eritrese identiteitskaart. De rechtbank ziet hierin overeenkomsten met de kopie van de identiteitskaart van de vader. Zowel de foto’s, beschrijving en het geponste gaatje lijken overeen te komen met de kopie van de identiteitskaart van de vader van eiser. In de vergewisbrief wordt niet ingegaan op dit concrete aanknopingspunt voor twijfel. Het enige wat in de vergewisbrief staat is: ‘Na heden inzage te hebben verkregen in de onderliggende stukken van deze verklaring, kom ik tot de conclusie dat de verklaring van onderzoek inhoudelijk inzichtelijk is.’ Hieruit blijkt niet of en hoe het rapport is betrokken bij dit standpunt.
Voor zover de minister erop wijst dat eiser enkel een niet vertaalde kopie van de identiteitskaart van zijn gestelde vader heeft ingebracht, wijst de rechtbank erop dat niet verlangd kan worden dat eiser de identiteitskaart van een andere persoon in origineel overlegt. Daarnaast is de identiteitskaart in het nader gehoor door de tolk vertaald en besproken en heeft de minister er toen niet op gewezen dat een nadere vertaling noodzakelijk was. De rechtbank kan deze tegenwerpingen dan ook niet volgen. De beroepsgrond slaagt. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat aan de overgelegde identiteitskaart geen waarde toekomt.
Geboorteakte van eiser
Dan blijft over het standpunt van de minister dat uit de overgelegde identiteitskaart niet blijkt van de familierechtelijke relatie tussen de persoon op die kaart en eiser. In dat verband is de door eiser overgelegde kopie van zijn geboorteakte van belang.
Volgens de minister kan de familierechtelijke relatie niet onderbouwd worden met de geboorteakte omdat het een kopie is en omdat deze niet is vertaald. De minister kan dus niet verifiëren of de naam van de gestelde vader van eiser hierop staat.
Eiser voert aan dat de minister onjuiste waarde hecht aan zijn overgelegde geboorteakte. Hij stelt dat hij hiermee een bewijs heeft overgelegd van zijn afstamming, en dus zijn nationaliteit. Op de geboorteakte van eiser staat namelijk de naam van zijn vader vermeld, die komt overeen met de naam op de identiteitskaart. Dat de geboorteakte niet vertaald is, kan eiser niet volgen, aangezien de geboorteakte tijdens het nader gehoor samen met de tolk is bekeken. Ook heeft eiser erop gewezen dat het gek is dat aan de geboorteakte wel waarde wordt gehecht voor het aannemen van de Ethiopische nationaliteit, maar niet voor de familierechtelijke relatie met zijn vader en (dus) de Eritrese nationaliteit.
De rechtbank kan het standpunt van de minister ten aanzien van de geboorteakte niet volgen. De minister heeft er namelijk zelf voor gekozen om de geboorteakte, zoals die is overgelegd, dat wil zeggen een onvertaalde kopie, wel deel uit te laten maken van de besluitvorming. De minister heeft mede op basis van de geboorteakte de Ethiopische nationaliteit van eiser aannemelijk gevonden. Tegelijkertijd acht de minister de geboorteakte onvoldoende om de familierelatie tussen eiser en zijn vader aan te nemen omdat het een onvertaalde kopie is. De rechtbank kan dit niet volgen. Net als de identiteitskaart is de geboorteakte tijdens het nader gehoor door de tolk vertaald. Tijdens het nader gehoor is zelfs geverifieerd door de tolk dat de naam van de vader op geboorteakte te vinden is en dat die overeenkomt met de naam op de identiteitskaart. De omstandigheid dat het een kopie betreft heeft de minister er niet van weerhouden wel waarde te hechten aan de geboorteakte voor het aannemen van de Ethiopische nationaliteit. De rechtbank is van oordeel dat het niet getuigt van een zorgvuldige besluitvorming om de rest van de inhoud van de geboorteakte niet te laten meewegen. De minister heeft in ieder geval onvoldoende gemotiveerd waarom de geboorteakte wel relevant is voor het aannemen van de Ethiopische nationaliteit, maar niet voor de familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn vader. De beroepsgrond slaagt.
Nationaliteitswetgeving
8. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij de Ethiopische nationaliteit heeft verloren omdat hij twee nationaliteiten had en hij niet op zijn achttiende actief voor de Ethiopische nationaliteit heeft gekozen, heeft eiser verwezen naar Ethiopische nationaliteitswetgeving uit 2003. In het bestreden besluit is de minister uitgegaan van Ethiopische nationaliteitswetgeving uit 1992. Op de zitting heeft de minister geen nader standpunt ingenomen over de toepasselijke nationaliteitswetgeving, omdat hij niet gelooft dat eiser (ook) de Eritrese nationaliteit heeft gehad. In een nader te nemen besluit zal de minister hier wel op in moeten gaan. Ook deze beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
9. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. De minister heeft namelijk onvoldoende zorgvuldig onderzoek gedaan en onvoldoende gemotiveerd dat de Eritrese nationaliteit van eiser ongeloofwaardig is. Zolang de nationaliteit van eiser niet vaststaat, komt de rechtbank ook niet toe aan de overige beroepsgronden, zoals de veiligheidssituatie in Ethiopië. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
10. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
11. Gezien dit oordeel over het beroep, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.
12. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 3.269,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het deelnemen aan de zitting en 0,5 punt voor het indienen van de reactie van 26 februari 2026 bij een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Als aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de gemachtigde.
Beslissing
De rechtbank, in zaaknummer NL25.45850:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 16 september 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.
De voorzieningenrechter, in zaaknummer NL25.45851:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank/voorzieningenrechter, in alle zaken:
- veroordeelt de minister tot betaling van € 3.269,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.