ECLI:NL:RBDHA:2026:8350

ECLI:NL:RBDHA:2026:8350

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-03-2026
Datum publicatie 09-04-2026
Zaaknummer NL26.12922
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Vervolgberoep, bewaring, zicht op uitzetting, voortvarend handelen, lichter middel, ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.12922

(gemachtigde: mr. S.R. den Toonder),

en

Procesverloop

Verweerder heeft op 30 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

Verweerder heeft op 10 maart 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 12 maart 2026 gesloten.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 24 februari 2026 (in de zaak NL26.6377) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 18 februari 2026.

Zicht op uitzetting

2. Eiser betoogt dat er in zijn geval geen zicht is op uitzetting naar Marokko. Hij wijst erop dat zijn nationaliteit reeds in april 2023 door de Marokkaanse autoriteiten is bevestigd en stelt dat na berichten van het Marokkaanse consulaat van 2 en 5 maart 2026 dat zij eiser niet meer hoeven te spreken respectievelijk dat zij voldoende informatie in het dossier van eiser hebben, het laissez-passer (lp) traject is stilgevallen. Kennelijk was verweerder zelf ook van mening dat er geen reëel vooruitzicht op uitzetting meer was, omdat de bewaring naar zeggen van verweerder zou zijn opgeheven vanwege het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026 in de zaak Aroja (ECLI:EU:C:2026:148), terwijl de in dat arrest vastgestelde maximale termijn nog niet was verstreken. Eiser meent dat de bewaring daarom sinds 18 februari 2026 onrechtmatig heeft voortgeduurd.

De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van

zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko. De rechtbank verwijst in dit

verband naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de

Afdeling) van 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269, 8 augustus 2023,

ECLI:NL:RVS:2023:3033 en 27 januari 2025, ECLI:RVS:2025:219. Het is de rechtbank

ambtshalve bekend dat in de periode voorafgaand aan deze uitspraak in het geval van

Marokko lp’s zijn verstrekt en gedwongen vertrekken met een lp hebben plaatsgevonden.

De rechtbank stelt vast dat de vraag naar het zicht op uitzetting in eisers geval al eerder is beoordeeld in de vorige uitspraken over eisers bewaring. Uit deze eerdere uitspraken volgt dat het uitblijven van de verstrekking van een lp mede aan eiser zelf te wijten was, omdat hij heeft geweigerd om een toestemmingsverklaring te ondertekenen voor het verstrekken van zijn strafrechtelijke gegevens aan het Marokkaanse consulaat. Uit de voortgangsrapportage kan worden afgeleid dat op 2 maart 2026 door de vertegenwoordiger is meegedeeld dat zij wacht op verdere instructies van de Marokkaanse autoriteiten over de zaak van eiser en dat zij tot dusver voldoende informatie heeft in de zaak en het niet meer nodig is om eiser telefonisch te spreken. De rechtbank overweegt dat uit deze informatie niet eenduidig volgt dat het lp-traject stil was komen te liggen. Er wordt namelijk ook gesproken over het wachten op verdere instructies en er wordt vermeld dat er tot dusver over voldoende informatie wordt beschikt. Daar komt bij dat op eiser de verplichting rust om actief en volledig mee te werken aan zijn uitzetting. De rechtbank is niet gebleken dat eiser aan zijn medewerkingsplicht heeft voldaan. Daarbij wordt betrokken dat uit het verslag van het laatst gevoerde vertrekgesprek van 4 maart 2026 volgt dat eiser heeft gesteld dat hij met de hulp van zijn broer een reisdocument zou kunnen regelen. Het is de rechtbank echter niet gebleken dat eiser enige inspanningen heeft verricht om zelf een reisdocument te regelen. De beroepsgrond dat er in eisers geval geen sprake meer was van zicht op uitzetting, slaagt niet.

Voortvarend handelen

3. Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld in het kader van zijn uitzetting. Volgens eiser heeft verweerder op de zitting in het vorige vervolgberoep op 18 februari 2026 onjuiste informatie verstrekt over een gepland en daarna geannuleerd gesprek met het Marokkaanse consulaat. Daarnaast wijst eiser erop dat verweerder, blijkens de voortgangsrapportage, pas op 26 februari 2026 bij het consulaat heeft geïnformeerd naar het vervolg van zijn lp-traject, terwijl op de zitting van 18 februari 2026 werd aangegeven dat verweerder diezelfde dag nog bericht zou ontvangen van het consulaat over een nieuwe gespreksdatum. Gelet op het voorgaande was in de te toetsen periode een verhoogde mate van voortvarendheid vereist. Eiser wijst daarbij ook op de duur van zijn traject, de omstandigheid dat zijn nationaliteit al was bevestigd en de omstandigheid dat hij al diverse keren eerder in bewaring is gesteld. Door acht dagen te wachten met het contacteren van het consulaat, heeft verweerder volgens eiser onvoldoende voortvarend gehandeld.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat verweerder in de te toetsen periode op 19 februari 2026 heeft gerappelleerd in het lp-traject, op 26 februari 2026 aan het consulaat heeft gevraagd om op korte termijn een telefonische afspraak met eiser te maken, en op 4 maart 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft gehouden. Gelet op het korte tijdsverloop sinds het sluiten van het onderzoek in het vorige beroep op 18 februari 2026, is de rechtbank van oordeel dat – wat er ook zij van de op de zitting van 18 februari 2026 gedane uitlatingen – verweerder zich in de periode tot aan de opheffing van de maatregel voldoende heeft ingespannen om tot uitzetting van eiser te komen. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

4. Eiser stelt zich tot slot op het standpunt dat verweerder, gelet op het volgens hem uitzichtloze lp-traject en zijn consistente medewerking, toepassing had moeten geven aan een lichter middel.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht geen lichter middel heeft toegepast. Zoals hiervoor is overwogen, is het zicht op uitzetting niet komen te vervallen. Eiser heeft ook onvoldoende medewerking verleend aan zijn uitzetting. Ook overigens heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er zich in de te toetsen periode omstandigheden hebben voorgedaan waardoor oplegging van een lichter middel in de rede had gelegen. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 18 februari 2026 tot de opheffing van de maatregel op 10 maart 2026 op enig moment onrechtmatig was. Er is ook niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering (zoals bedoeld in het arrest Adrar van het Hof van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647).

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.E. Bos

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?