RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [nummer], eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13113
(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe),
en
(gemachtigde: mr. B. Pattiata).
Procesverloop
Bij besluit van 9 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Eiseres heeft afstand gedaan van haar recht om ter zitting te worden gehoord. De gemachtigde van eiseres is verschenen. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting aangehouden om verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken.
Op 18 maart 2026 heeft verweerder een schriftelijke reactie ingediend. Op 19 maart 2026 heeft eiseres schriftelijk gereageerd. Nadat partijen over en weer nogmaals hebben gereageerd, heeft de rechtbank, met instemming van partijen, op 20 maart 2026 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Bij besluit van 24 augustus 2022 is vastgesteld dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht en is eiseres opgedragen Nederland binnen een maand te verlaten. Dit besluit is op 17 november 2022 aan eiseres in persoon uitgereikt. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Op 24 mei 2023 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 8 februari 2024 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard (NL23.17628). Het verzoek om voorlopige voorziening is bij uitspraak van gelijke datum afgewezen (NL23.17629). Het door eiseres tegen de uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 maart 2024 ongegrond verklaard.
In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiseres:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;en als lichte gronden vermeld dat eiseres:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. Eiseres voert aan dat zij gevolg heeft gegeven aan het verwijderingsbesluit van 24 augustus 2022, omdat zij haar verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Eiseres verwijst in dit verband naar rechtsoverweging 90 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 22 juni 2021 (ECLI:EU:C:2021:506) in de zaak FS tegen Nederland (arrest FS). Uit haar verklaring tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling volgt dat zij Nederland heeft verlaten en enige tijd in Frankrijk heeft verbleven. In Frankrijk heeft zij geen bestaan kunnen opbouwen omdat in Nederland haar paspoort was ingenomen. Dit kan haar daarom niet worden tegengeworpen. Het overzicht van politieregistraties dat verweerder aan het dossier heeft toegevoegd, is pas recent opgesteld en heeft dus niet ten grondslag gelegen aan de maatregel. Het overzicht dient daarom buiten beschouwing gelaten te worden. Overigens blijkt uit dit overzicht dat eiseres in de periode tussen 13 juni 2024 en 9 februari 2025 geheel uit beeld bij de autoriteiten is geweest. Dit tijdsverloop duidt er volgens eiseres op dat zij de verwijderingsmaatregel heeft geëffectueerd. Zij mocht daar ook gerechtvaardigd op vertrouwen, nu zij bij de eerste vijftien contacten met de politie na 9 februari 2025 niet tevens staande is gehouden in het kader van de Vreemdelingenwet. Het voorgaande maakt volgens eiseres dat de maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig is.
Uit het door eiseres aangehaalde arrest FS volgt dat een Unieburger ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen alleen opnieuw verblijfsrecht verkrijgt op het grondgebied van het gastland dat een verwijderingsbesluit tegen hem heeft genomen, wanneer hij zijn verblijf op het grondgebied van dat gastland na het verwijderingsbesluit daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. De duur die de Unieburger buiten het grondgebied van het gastland verbleef, is voor de vaststelling van de daadwerkelijke en effectieve beëindiging van belang, maar niet beslissend. Hoe langer de afwezigheid van de Unieburger van het grondgebied van het gastland, hoe meer daaruit blijkt dat het verblijf daadwerkelijk en effectief is beëindigd. Daarnaast zijn elementen waaruit blijkt dat de Unieburger zijn banden met het gastland heeft verbroken van belang.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat eiseres haar verblijf in Nederland niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd na het verwijderingsbesluit. Eiseres heeft verklaard dat zij naar Frankrijk is gegaan. Eiseres heeft echter geen stukken overgelegd waaruit dit blijkt. Zij heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat zij na het verwijderingsbesluit naar Frankrijk is vertrokken, laat staan dat zij inzichtelijk heeft gemaakt hoe lang zij in Frankrijk heeft verbleven voordat zij weer is teruggekeerd naar Nederland. Daarbij wordt opgemerkt dat eiseres tijdens het gehoor ook niet duidelijk kon aangeven wanneer zij vanuit Frankrijk is teruggekomen naar Nederland. De omstandigheid dat eiseres in de periode tussen 13 juni 2024 en 9 februari 2025 niet met de politie in Nederland in aanraking is geweest, geeft geen inzicht in de verblijfplaats van eiseres in die periode. Uit de politieregistraties volgt wel dat zij in ieder geval sinds 9 februari 2025 zeer regelmatig in Nederland met de politie in aanraking is geweest vanwege – met name – overlast. Dat het overzicht met registraties eerst na de zitting is opgesteld, neemt niet weg dat uit de maatregel van bewaring blijkt dat verweerder op dat moment ook al bekend was met de vele politieregistraties van eiseres. Verweerder heeft deze omstandigheid uitdrukkelijk bij de inbewaringstelling van eiseres betrokken. De rechtbank acht voorts van belang dat uit de verklaring van eiseres tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt dat zij thans in Nederland verblijft onder vergelijkbare omstandigheden als haar situatie ten tijde van het nemen van het verwijderingsbesluit. Zo leeft zij op straat en zegt zij niet over werk en geld te beschikken. Voor zover eiseres al uit Nederland is vertrokken, is haar invulling van het verblijf na haar terugkeer in Nederland feitelijk een voortzetting van haar invulling van het verblijf voor vertrek uit Nederland. Er is dan ook niet gebleken van een materiële wijziging van omstandigheden, die aanleiding geeft het verblijf van eiseres in Nederland als rechtmatig te beschouwen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het verwijderingsbesluit niet is uitgewerkt en dat eiseres voorafgaand aan en ten tijde van de maatregel van bewaring geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 6 van Richtlijn 2004/38/EG in Nederland had. Verweerder heeft eiseres dan ook terecht in bewaring gesteld. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
3. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.