RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13384
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en
(gemachtigde: mr. B. Pattiata).
Procesverloop
Bij besluit van 10 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
De bewaringsgronden
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser betwist alle zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Eiser voert hiertoe aan dat hij zich niet werkelijk heeft onttrokken, omdat hij zich altijd aan de meldplicht heeft gehouden. Eiser verwijst hierbij naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218) in de zaak Jawo. Verder stelt eiser dat hij wel is verschenen voor zijn overdracht op de eerste geplande overdrachtsdatum, 3 maart 2026, maar dat hij daar niemand aantrof. Verder gelden de lichte gronden voor elke asielzoeker.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht de zware gronden 3a en 3k aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), waaruit volgt dat verweerder bij onder meer de zware gronden 3a en 3k kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Uit het dossier blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij zonder visum, en dus niet op de voorgeschreven wijze, Nederland is ingereisd. Zware grond 3a is daarom feitelijk juist en terecht aan eiser tegengeworpen. Ten aanzien van zware grond 3k stelt de rechtbank vast dat op 3 maart 2026 om 8:45 uur voor eiser een overdracht naar Frankrijk gepland stond en dat nadien een zogeheten ‘Tijdelijk Buiten Bereik Autoriteiten’-melding is gemaakt. Hiervan is een formulier opgesteld waarin staat dat op 3 maart 2026 omstreeks 8:15 uur is geconstateerd dat eiser niet op de afgesproken ophaaltijd voor de overdracht is verschenen en dat hij niet op zijn kamer in het AZC is aangetroffen. De enkele stelling van eiser dat hij wel op het afgesproken tijdstip op de ophaallocatie is verschenen, volgt de rechtbank niet. Deze stelling is niet onderbouwd en staat haaks op de hiervoor genoemde informatie. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat ook zware grond 3k terecht aan eiser is tegengeworpen.
De zware gronden 3a en 3k, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige bestreden gronden behoeven gezien het voorgaande geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
2. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder onvoldoende voortvarend aan zijn overdracht werkt. Eiser wijst er daartoe op dat er op 29 september 2025 al een claimakkoord lag uit Frankrijk. Het regelen van de overdracht, die gepland stond voor 19 maart 2026, heeft daarom te lang geduurd. Frankrijk is dichtbij en bovendien kan eiser mee op een onbegeleide vlucht.
De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak, onder meer de uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:352, blijkt dat bij de beoordeling van de voortvarendheid tijdens de vreemdelingenrechtelijke bewaring geen zelfstandige betekenis wordt gehecht aan het niet of niet snel genoeg handelen voorafgaand aan de inbewaringstelling. Dit betekent dat het tijdsverloop tussen de ontvangst van het claimakkoord van de Franse autoriteiten en de inbewaringstelling van eiser geen rol speelt bij de beoordeling van de voortvarendheid. Eiser is op 10 maart 2026 in bewaring gesteld. Diezelfde dag is er voor eiser een vluchtaanvraag gedaan en op 13 maart 2026 heeft een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. De overdracht aan Frankrijk zal plaatsvinden op 19 maart 2026. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende voortvarend gehandeld. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
3. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Volgens eiser heeft verweerder zijn medische omstandigheden, met name zijn psychische problemen, onvoldoende meegewogen bij het opleggen van de maatregel van bewaring. Het verblijf in het detentiecentrum valt hem ook zwaar. Eiser ziet niet in waarom verweerder niet had kunnen volstaan met een meldplicht.
Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend kunnen worden toegepast. De rechtbank verwijst daarbij naar de hiervoor beoordeelde gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het significante onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. Dat eiser verklaart bereid te zijn om te voldoen aan een meldplicht is in het licht van dit onttrekkingsrisico van onvoldoende gewicht voor een ander oordeel. Wat betreft de gestelde medische problemen van eiser en zijn stelling dat de vreemdelingenbewaring hem zwaar valt, heeft verweerder ter zitting, evenals in de maatregel van bewaring, er terecht op gewezen dat voor zover eiser medische zorg nodig heeft, deze aanwezig is in het detentiecentrum. Deze medische voorzieningen moeten vergelijkbaar worden verondersteld met de medische zorg in de vrije maatschappij. Niet is gebleken dat de zorg in detentie voor eiser niet toereikend is. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
4. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.