ECLI:NL:RBDHA:2026:8370

ECLI:NL:RBDHA:2026:8370

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-03-2026
Datum publicatie 09-04-2026
Zaaknummer NL26.13546
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Bewaring, alle gronden betwist, jawo-arrest, voortvarend handelen, lichter middel, ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.13546

(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),

en

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. [naam], de tolk, heeft telefonisch aan de zitting deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Zorgvuldige voorbereiding

1. Eiser betoogt dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is omdat deze onzorgvuldig tot stand is gekomen. Eiser stelt dat het onderzoek tijdens het gehoor voorafgaand aan zijn inbewaringstelling zich heeft toegespitst op het risico dat hij niet uit eigen beweging zal terugkeren naar zijn land van herkomst en dat het gehoor aldus geen verband houdt met het specifieke doel waartoe de oplegging van de maatregel strekte, te weten eisers asielprocedure. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 5 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1898.

Eiser is in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b

van de Vw. Volgens de Vw kan een vreemdeling die asiel heeft aangevraagd op deze wettelijke grondslag in bewaring worden gesteld indien bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag, met name indien er sprake is van een risico op onttrekking.

In artikel 5.1c, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is bepaald dat de grond voor bewaring, bedoeld in artikel 59b, eerste lid, onderdeel b, van de Vw, aanwezig is indien door middel van bewaring de gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning kunnen worden verkregen, en zich ten minste twee van de gronden, bedoeld in artikel 5.1b, derde en vierde lid, voordoen.

In de leden drie en vier van laatstgenoemd artikel zijn alle mogelijke zware en lichte gronden voor het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel opgenomen.

Het is vaste jurisprudentie dat met een deugdelijke motivering van het bestaan van een risico op onttrekking aan het toezicht - door middel van de in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb opgenomen lichte en zware gronden - ook gegeven is dat een maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat anders die gegevens niet zouden kunnen worden verkregen (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4011).

In de maatregel van bewaring van 7 maart 2026 heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag van eiser. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.

Eiser is voorgaand aan het opleggen van de maatregel tweemaal gehoord; in een verhoor dat plaatsvond tijdens de ophouding en daarna in het gehoor als bedoeld in artikel 5.2 van het Vb. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek blijkt dat tijdens het verhoor vragen zijn gesteld over onder andere eisers identiteit en zijn handelwijze na het terugkeerbesluit dat eerder tegen hem is uitgevaardigd. Uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt dat eiser is gevraagd of hij iets aan te vullen heeft op zijn eerdere verklaringen tijdens het verhoor. Verder zijn vragen gesteld over onder meer eisers verblijfplaats in Nederland, zijn middelen van bestaan en de vraag of hij voorafgaand aan zijn staandehouding aan het werk was in een restaurant. De hoormedewerker heeft eiser voorgehouden op basis van welke gronden uit het Vb verweerder hem in bewaring wil stellen en eiser in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze hierover kenbaar te maken.

De tijdens het verhoor en het gehoor gestelde vragen zagen aldus toe op de beoordeling of er voldoende (zware en lichte) gronden zijn om vast te stellen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Nu de vraag naar het onttrekkingsgevaar relevant is voor een inbewaringstelling op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, geven de processen-verbaal daarmee blijk van een relevant onderzoek. De maatregel van bewaring is zorgvuldig tot stand gekomen. De beroepsgrond slaagt niet.

Zicht op uitzetting

2. Eiser betoogt dat verweerder in zijn geval had moeten beoordelen en motiveren of sprake is van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn. Eiser verwijst hierbij naar de overweging in de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1552, dat verweerder bij een bewaringsmaatregel die is gegrond op artikel 59b van de Vw ‘in de regel niet is gehouden te motiveren dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbreekt’ (cursivering toegevoegd door de rechtbank). Eiser leidt uit deze bewoordingen af dat er uitzonderingen mogelijk zijn op de hoofdregel dat in het kader van een op artikel 59b van de Vw gebaseerde maatregel het zicht op uitzetting niet wordt beoordeeld. Hij stelt dat er in zijn geval reden was om het zicht op uitzetting te beoordelen en dat verweerder daarom ten onrechte heeft nagelaten informatie te verstrekken over het zicht op uitzetting (in het algemeen en voor eiser specifiek) naar India.

Met artikel 59, eerste lid, van de Vw is artikel 15, eerste lid, van Richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn) omgezet in nationaal recht. Met artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw is artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van Richtlijn 2013/33/EU (de Opvangrichtlijn) omgezet in nationaal recht. Anders dan artikel 15, eerste en vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn bepaalt artikel 8, derde lid, van de Opvangrichtlijn niet dat voor een bewaring op basis van dat artikel een redelijk vooruitzicht op verwijdering is vereist. Artikel 8, derde lid, van de Opvangrichtlijn beoogt niet meer dan dat een onderdaan van een derde land op wiens asielverzoek in eerste aanleg nog niet is beslist in bewaring kan worden gesteld indien een of meer van de in deze bepaling genoemde situaties op hem van toepassing zijn. De omzetting van artikel 8, derde lid, van de Opvangrichtlijn in het nationaal recht sluit hierbij aan.

Voor een bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw, is zicht op uitzetting dus geen voorwaarde. Nu eiser in bewaring is gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, waarbij uitzetting niet aan de orde is, staat de vraag naar het zicht op uitzetting daarom niet ter beoordeling. De verwijzing van eiser naar de woorden ‘in de regel’ in de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2016 brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank laat hetgeen eiser verder heeft aangevoerd ten aanzien van het zicht op uitzetting en de door hem gestelde schending van de informatieplicht daarom onbesproken. De beroepsgrond slaagt niet.

Voortvarend handelen

3. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld door hem pas op 16 maart 2026 te horen over zijn asielaanvraag. Eiser begrijpt ook niet waarom er nog geen beslissing is genomen op zijn asielaanvraag, aangezien verweerder niet heeft aangegeven dat de aanvraag bijzonder of complex is. Verder stelt eiser dat verweerder de relevante informatie over zijn asielprocedure niet of niet tijdig aan het dossier heeft toegevoegd, waardoor hij dit onvoldoende met zijn gemachtigde heeft kunnen bespreken.

Verweerder heeft ter zitting meegedeeld dat in eisers asielprocedure een voornemen zal worden uitgebracht. Dit brengt mee, zo volgt uit artikel 59b, tweede lid, van de Vw, dat eisers bewaring maximaal zes weken mag duren. Verweerder is gedurende de bewaring gehouden om voortvarend handelingen te verrichten in het kader van de behandeling van eisers asielaanvraag om ervoor te zorgen dat eiser voor een zo kort mogelijke termijn in bewaring wordt gehouden. Eiser heeft op de dag waarop hij in bewaring is gesteld asiel aangevraagd, derhalve op 7 maart 2026. Uit het dossier en verweerders toelichting op de zitting volgt dat eiser op 16 maart 2026 is gehoord over zijn asielaanvraag, dat er op 17 maart 2026 correcties en aanvullingen zijn ingediend en dat verweerder voornemens is om binnenkort een voornemen uit te brengen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee voldoende voortvarend handelt in de asielprocedure. Hierbij is van belang dat het einde van de zes wekentermijn nog niet in zicht is. Verweerder heeft ook alle voor de bewaring relevante informatie over de asielprocedure verstrekt door het verslag van het asielgehoor aan het dossier toe te voegen en ter zitting mededelingen te doen over de meest recente ontwikkelingen in de asielprocedure. De rechtbank is niet gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad door het eerst ter zitting verstrekken van (een deel van) de informatie. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

4. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van F.S.

Ulrich, griffier.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling

bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.E. Bos

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?