ECLI:NL:RBDHA:2026:8378

ECLI:NL:RBDHA:2026:8378

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-03-2026
Datum publicatie 09-04-2026
Zaaknummer NL26.6372
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Dublin, Spanje, AIDA-rapport van april 2025, geen bijzondere omstandigheden, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.6372

(gemachtigde: mr. L. Sinoo),

en

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).

Procesverloop

Met het besluit van 4 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.6373), op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Pakistaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2000. Eiser heeft op 30 oktober 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend.

Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 1 februari 2025 in Spanje een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op 2 december 2025 heeft Nederland aan Spanje verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Spanje heeft dit terugnameverzoek op 5 december 2025 op die grondslag aanvaard.

Totstandkoming van het besluit

2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Spanje op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.

De beroepsgronden van eiser

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat er ten aanzien van Spanje niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel omdat er sprake is van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen. Eiser verwijst hierbij naar het AIDA-rapport ‘Country Report: Spain, 2024 Update’ van april 2025 en de inbreukprocedure van de Europese Commissie tegen Spanje. Eiser had in Spanje geen toegang tot de opvang en medische zorg. Eiser was daarom gehouden om naar Duitsland af te reizen, waar is vastgesteld dat hij een dubbele longontsteking had. Van eiser kon daarom ook niet worden verwacht dat hij zich tot de Spaanse autoriteiten zou richten om een klacht in te dienen. Gelet op deze omstandigheden had verweerder eisers asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich moeten trekken.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft onder meer in de uitspraak van 25 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5661), geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.

Het vorenstaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Spanje zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat eiser bij overdracht aan Spanje geen risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Spanje, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Spaanse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Spanje overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen ten aanzien van het asiel- en opvangsysteem in Spanje. Niet elke tekortkoming in het asiel- en opvangsysteem van de verantwoordelijke lidstaat levert een schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM op. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218). Maar ook als er niet ernstig hoeft te worden gevreesd voor systeemfouten in het asiel- en opvangsysteem in de verantwoordelijk lidstaat, geldt dat een vreemdeling slechts kan worden overgedragen als die overdracht geen reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM met zich brengt (zie punt 87 van het arrest Jawo).

Eiser heeft ter ondersteuning van zijn standpunt dat ten aanzien van Spanje niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel verwezen naar het AIDA-rapport van april 2025. In de hiervoor genoemde uitspraak van 25 november 2025 heeft de Afdeling dit AIDA-rapport betrokken en geoordeeld dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld schetst van de opvangsituatie voor asielzoekers in Spanje dan de eerdere AIDA-rapporten. Daarmee impliceert de Afdeling dat uit het AIDA-rapport van april 2025 niet blijkt dat er in het opvangsysteem in Spanje sprake is van tekortkomingen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. De rechtbank ziet geen aanleiding om hierover anders te oordelen dan de Afdeling, temeer nu eiser enkel in zijn algemeenheid heeft verwezen naar het AIDA-rapport zonder uit te leggen waarom hieruit zou volgen dat er ten aanzien van Spanje niet langer mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat eiser met zijn verwijzing naar het AIDA-rapport van april 2025 niet aannemelijk heeft gemaakt dat Dublinclaimanten bij overdracht aan Spanje vanwege de opvangsituatie aldaar in het algemeen een reëel risico lopen om in een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige situatie terecht te komen. Dat de Europese Commissie een inbreukprocedure tegen Spanje is gestart vanwege het niet volledig en correct implementeren van de Opvangrichtlijn kan niet leiden tot het oordeel dat de opvangproblemen in Spanje de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid hebben bereikt, alleen al niet omdat niet is gebleken dat de implementatiegebreken ten grondslag liggen aan de feitelijke capaciteitsproblemen in de Spaanse opvang. Daar komt bij dat de Europese Commissie de Spaanse autoriteiten de gelegenheid heeft gegeven om de gestelde gebrekkige implementatie van de Opvangrichtlijn te herstellen. Uit het voorgaande volgt dat eiser niet aan de hand van objectieve landeninformatie concrete aanwijzingen aannemelijk heeft gemaakt die erop wijzen dat Dublinclaimanten bij overdracht aan Spanje vanwege de opvangsituatie aldaar in het algemeen een reëel risico lopen om in een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige situatie terecht te komen.

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank voorts terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser ook met zijn verklaringen over wat hij zelf in Spanje heeft meegemaakt, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij na overdracht aan Spanje, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Spaanse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Zo heeft eiser enkel verklaard dat hij zich niet veilig voelt in Spanje en dat hij een brief heeft waaruit blijkt dat hij niet meer in de asielprocedure zit. Dit is onvoldoende om aan te nemen dat eiser na overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met voormelde bepalingen. De stelling dat hij geen toegang tot de opvang en medische zorg had, volgt de rechtbank niet. Verweerder wijst er in dit kader terecht op dat uit de door eiser overgelegde brief van het Rode Kruis blijkt dat zij eiser juist wilden helpen en dat eiser, gelet op zijn gezondheid, om een eerdere afspraak had kunnen verzoeken. Verweerder wijst er verder terecht op dat eiser er zelf voor heeft gekozen om naar Duitsland te reizen in plaats van adequate hulp te regelen in Spanje. De stelling dat hij is weggestuurd zonder afspraak is verder niet onderbouwd en acht de rechtbank dan ook onvoldoende aanleiding voor het standpunt dat eiser na overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM.

Indien eiser zich na overdracht aan Spanje, onverhoopt, geconfronteerd zou zien met problemen (bijvoorbeeld bij het verkrijgen van opvang of zorg), geldt dat hij zich hierover dient te beklagen bij de Spaanse (desnoods hogere of rechterlijke) autoriteiten (vgl. het arrest van het EHRM van 2 december 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308, in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk). Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Spaanse autoriteiten hem niet willen of kunnen helpen of dat klagen in Spanje onmogelijk of bij voorbaat zinloos is. De stelling dat eiser een longontsteking had en zijn afspraak bij het Rode Kruis (zo stelt eiser) was afgezegd, is daartoe onvoldoende.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat de Spaanse autoriteiten hun internationale verplichtingen ten aanzien van eiser nakomen, en dat eiser onvoldoende concrete aanknopingspunten heeft aangedragen die erop wijzen dat bij zijn overdracht aan Spanje het tegendeel het geval zal zijn en dat hij om die reden een reëel risico loopt om in Spanje in een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige situatie terecht te komen. Gelet hierop heeft verweerder terecht gesteld dat hij niet op grond van artikel 3, tweede lid, derde alinea, van de Dublinverordening verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser, en heeft verweerder ook geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, eerste gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) aan zich te trekken. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.N. Abdoelkadir

Griffier

  • mr. A. Duijf

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?