RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.14013
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
(gemachtigde: mr. S. Juriaans).
Procesverloop
Bij besluit van 11 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft op 19 maart 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Ambtshalve toetsing
Inleiding
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist zware grond 3a en 3b. Met betrekking tot zware grond 3a voert eiser aan dat hij is overgebracht in het kader van de Dublinverordening. Ten aanzien van zware grond 3b stelt eiser dat de meeromvattende beschikking, met daarin zijn vertrekplicht, is verstrekt twee dagen nadat eiser Nederland al had verlaten. Door Nederland te verlaten heeft hij zich aan zijn vertrekplicht gehouden.
4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), volgt dat verweerder bij de zware gronden 3a en 3b kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Hoewel eiser op grond van de Dublinverordening naar Nederland is gekomen, blijkt (onder andere) uit zijn eigen verklaring uit het gehoor voorafgaand aan de maatregel van bewaring dat hij eerder Europa zonder paspoort illegaal is binnengekomen en vervolgens een asielaanvraag in Nederland heeft ingediend. Hieruit volgt dat eiser niet op de voorgeschreven wijze Nederland is ingereisd. Daarnaast is eiser met onbekende bestemming vertrokken en heeft hij zich hiermee onttrokken aan het toezicht. Eiser moet, op grond van zijn meeromvattende beschikking met daarin een terugkeerbesluit en vertrektermijn, voldoen aan zijn vertrekplicht naar Tunesië. Het verlaten van Nederland alleen is onvoldoende om aan deze verplichting te voldoen. Verweerder heeft dan ook de zware gronden 3a en 3b aan de maatregel van bewaring ten grondslag kunnen leggen.
5. De zware gronden 3a en 3b, in onderling verband en in samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank laat de andere gronden dan ook onbesproken.
Te late omzetting
6. Eiser voert aan dat de maatregel te laat is omgezet. Eiser heeft op 16 maart 2026 te kennen gegeven dat hij zijn asielaanvraag wilde intrekken. De maatregel had binnen twee dagen na het kenbaar maken van de intrekking moeten worden omgezet, dus uiterlijk op 18 maart 2026. Eiser stelt dat hij daarmee recht heeft op 1 dag schadevergoeding.
7. De rechtbank stelt vast dat verweerder ter zitting heeft erkend dat de maatregel van bewaring te laat is omgezet en bereid is om 1 dag schadevergoeding toe te kennen.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft op 16 maart te kennen gegeven dat hij zijn asielaanvraag wilde intrekken. Verweerder dient volgens vaste rechtspraak een maatregel van bewaring binnen twee dagen om te zetten naar een andere grondslag, wanneer deze niet meer op een juiste wettelijke grondslag berust. Dit was dus uiterlijk 18 maart 2026. Door het nalaten hiervan is het voorduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig. Verweerder heeft namelijk de maatregel pas op 19 maart 2026 omgezet. Wanneer verweerder een maatregel niet binnen twee dagen omzet, is de maatregel onrechtmatig vanaf de dag dat de wettelijke grondslag voor deze maatregel niet meer van toepassing is. Dit betekent dat de bewaring vanaf 16 maart 2026 tot aan de opheffing op 19 maart 2026 onrechtmatig was. Deze beroepsgrond slaagt. Dit betekent dat het beroep gegrond is.
9. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring op een eerder moment dan 16 maart 2026 onrechtmatig was.
Conclusie
10. Het beroep is gegrond, omdat de bewaringsmaatregel vanaf 16 maart 2026 tot de opheffing daarvan op 19 maart 2026 onrechtmatig heeft voortgeduurd. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe voor vier dagen onrechtmatige tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel: 4 x € 120,00 (verblijf detentiecentrum) = € 480,00.
10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 480,00- te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. B.C.M. Burger, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.