RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaken tussen
[eiser], v-nummer: [nummer 1], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.47709 en NL25.47710
[eiseres], v-nummer: [nummer 2], eiseres
mede namens hun minderjarige dochter,
[minderjarige dochter], v-nummer: [nummer 3],
(gemachtigde: mr. I. Petkovski),
en
(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eiser als ongegrond en de die van eiseres als kennelijk ongegrond. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen in stand kan blijven. De minister heeft de asielaanvragen van eisers niet ten onrechte afgewezen, omdat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat ze bij terugkeer naar Colombia gevaar lopen. Ook heeft de minister eiseres niet ten onrechte tegengeworpen dat zij niet zo spoedig mogelijk na aankomst in Nederland haar asielaanvraag heeft ingediend. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staat het asielrelaas van eisers. Onder 4 zet de rechtbank de totstandkoming van het bestreden besluit uiteen. Vanaf 5 gaat de rechtbank in op de bestreden besluiten. De rechtbank behandelt eerst de gezamenlijke beroepsgronden van eisers samen onder 7. Daarna behandelt de rechtbank de beroepsgronden van eiser onder 8 en tenslotte de beroepsgrond van eiseres onder 9.
Procesverloop
2. Eisers hebben allebei aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft de aanvraag van eiser met het bestreden besluit van 3 september 2025 afgewezen als ongegrond. De aanvraag van eiseres is met het bestreden besluit van 26 september 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
De rechtbank heeft de beroepen op 12 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eisers leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. De vader van eiser is telefonisch bedreigd vanuit de gevangenis. Eiser is zelf ook bedreigd door middel van een pamflet dat hij kreeg van een voorbijganger op straat. Hierop stonden bedreigingen die waren gericht aan eiser. Enige tijd later is eiser opnieuw in persoon bedreigd toen hij op weg was naar zijn werk. Eiser voelde zich toen niet langer veilig en besloot om het land te ontvluchten. Toen eiser is gevlucht werd eiseres geobserveerd, geïntimideerd en achtervolgd door dezelfde groepering. Eiseres is toen ondergedoken bij haar moeder en heeft vervolgens het land verlaten.
Totstandkoming van de bestreden besluiten
4. Eisers hebben hun asielvragen los van elkaar, op verschillende momenten, ingediend. De eerste asielaanvraag van eiser is afgewezen met het besluit van 15 augustus 2023. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Dit beroep is door de rechtbank Haarlem gegrond verklaard op 4 maart 2025, omdat de minister de door eiser aangeleverde documenten niet kenbaar in het besluit had betrokken. De rechtbank heeft de minister de opdracht gegeven om een nieuw besluit te nemen en dit alsnog te doen. De rechtbank heeft daarom de overige beroepsgronden van eiser niet beoordeeld. Dit nieuwe besluit is genomen op 3 september 2025 (het bestreden besluit). Eiseres heeft geen eerdere procedure gehad en het bestreden besluit dat in deze procedure voorligt is het eerste besluit.
De bestreden besluiten
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister twee asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. bedreigingen naar eiser en zijn vader vanwege de werkzaamheden van de vader van eiser.
Het eerste asielmotief is in het voornemen niet geloofwaardig geacht. Dit herstelt de minister in het bestreden besluit. Dit is per abuis opgenomen. De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser zijn wel geloofwaardig. Het tweede asielmotief wordt niet geloofwaardig geacht. Eisers verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. De inhoud van de overgelegde documenten komen namelijk niet overeen met de verklaringen die eiser heeft afgelegd. Eiser heeft namelijk verklaard dat zijn vader werd bedreigd omdat hij medicijnaanvragen deed voor anderen. In de door eiser overgelegde documenten blijkt dat hij werd afgeperst door zijn journalistieke werkzaamheden. Bovendien verklaart eiser vaag en summier over de bedreigingen. Zo weet eiser niet of zijn vader op dit moment nog bedreigd wordt, weet hij niet wie hem bedreigde en hoeveel er betaald moest worden. Bovendien is het onduidelijk of de verbale dreiging tegen hem gericht was, kan eiser niet verklaren hoe de daders weten dat hij de zoon van zijn vader is, wanneer de bedreigingen zijn gestart en wat de datum van de aangifte is. Ook over de daders van de bedreigingen verklaart eiser summier. Zo kan hij de persoon die hem het pamflet overhandigde niet omschrijven en weet hij ten aanzien van de verbale bedreiging niet door hoeveel personen hij is bedreigd. Ook weet eiser niet op welke dag de verbale dreiging plaatsvond en waar hij die dag vandaan kwam.
6. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister twee asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. de problemen van eiseres door het vertrek van haar man.
Het eerste asielmotief is door de minister geloofwaardig geacht, omdat eiseres haar identiteit, nationaliteit en herkomst heeft onderbouwd met een origineel bevonden paspoort. Het tweede asielmotief wordt niet geloofwaardig geacht. De verklaringen van eiseres vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Het asielrelaas van eiseres is gebaseerd op het asielrelaas van eiser. De minister heeft de problemen van eiser ongeloofwaardig geacht en verwijst dan ook voor deze beoordeling naar het voornemen in de procedure van eiser. Eiseres heeft het verband tussen de gestelde bedreiging van eiser en haar eigen problemen niet inzichtelijk gemaakt. Ook zijn de verklaringen van eiseres dat de gewapende groepering naar haar op zoek is gebaseerd op vermoedens. Verder werpt de minister eiseres tegen dat zij niet zo spoedig mogelijk na aankomst in Nederland haar asielaanvraag heeft ingediend en dat zij daarvoor geen goede verklaring heeft. Dit is voor de minister ook reden om de aanvraag af te wijzen als kennelijk ongegrond.
Heeft de minister de bestreden besluit zorgvuldig voorbereid?
Had de minister de asielaanvragen gezamenlijk moeten behandelen?
7. Eisers betogen dat de minister hun asielaanvragen ten onrechte apart heeft behandeld. Dit is in strijd met de eenheid van het gezin. Ook is het van belang dat de argumenten van eiseres niet zijn betrokken in de procedure van eiser. Het geloofwaardigheidsoordeel is een volledige afweging van alle feiten en omstandigheden in een zaak. Als twee personen asiel aanvragen en hun asielrelaas met elkaar verweven is, moet dit worden betrokken in het geloofwaardigheidsoordeel in allebei de zaken. Dat is in deze zaak niet gebeurd en daarom heeft er geen juiste geloofwaardigheidsbeoordeling plaatsgevonden. Dit kan niet worden gerepareerd in beroep. Op de zitting heeft de gemachtigde van eisers aangegeven dat dit vooral van belang is met betrekking tot medische verklaring van 10 mei 2023 die ziet psychische gesteldheid van eiseres. Dit is namelijk een direct gevolg van de problemen die eiseres heeft ervaren in Colombia. Om die reden hangt dit direct samen met het asielrelaas van eiser en vormt dit een onderbouwing van zowel het asielrelaas van eiser als van eiseres.
De rechtbank is het met eisers eens dat het wenselijk was geweest om de asielaanvragen gezamenlijk te behandelen. Dit heeft de minister op zitting ook erkend. De rechtbank volgt eisers echter niet in hun betoog dat de besluitvorming om deze reden onzorgvuldig is geweest. De minister merkt in beroep terecht op dat de kern van de asielrelazen van eisers, de problemen zijn die eiser stelt te hebben gehad naar aanleiding van de activiteiten van zijn vader. De problemen die eiseres stelt te hebben ondervonden vloeien hieruit voort. De minister heeft in de geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielrelaas van eiseres betrokken dat eisers asielrelaas ongeloofwaardig is geacht. In die geloofwaardigheidsbeoordeling zijn de door eiser overgelegde documenten meegenomen. Verder is het asielrelaas van eiseres op zijn eigen merites beoordeeld en ook ongeloofwaardig geacht. Dat de medische verklaring van 10 mei 2023 niet is meegenomen bij de beoordeling van het asielrelaas van eiser, maakt de geloofwaardigheidsbeoordeling in de zaak van eiser niet onzorgvuldig of onjuist. De minister heeft hierover op zitting terecht opgemerkt dat uit deze verklaring weliswaar blijkt dat bij eiseres sprake is van psychische problemen (depressie en een angststoornis), maar niet wat hier de oorzaak van is. In zoverre vormt deze verklaring dan ook geen onderbouwing van het asielrelaas van eiseres. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft eiseres de mogelijkheid gehad tot het indienen van correcties en aanvullingen?
Eiseres voert aan dat de minister het bestreden besluit overhaast heeft genomen. Het voornemen om de asielaanvraag van eiseres af te wijzen werd één dag na haar gehoor uitgebracht, zonder de mogelijkheid om via de gemachtigde van eisers correcties of aanvullingen in te dienen. Dit duidt op een procedurele onrechtmatigheid.
Uit artikel 3.113, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) blijkt dat eiseres uiterlijk op de tweede dag in de gelegenheid dient te worden gesteld om opmerkingen te maken over het nader gehoor. Als de minister voornemens is de aanvraag af te wijzen brengt hij op de derde dag een voornemen uit. Tussen partijen is niet in geschil dat het voornemen een dag te vroeg is uitgebracht, namelijk op dag 2. Dit betekent echter niet dat eiseres hierdoor geen correcties en aanvullingen had kunnen indienen. Dit had zij immers ook op dezelfde dag kunnen doen dan wel gelijktijdig met de zienswijze. Dit is door eiseres op zitting ook erkend. Van deze mogelijkheid heeft zij echter geen gebruik gemaakt. Eiseres heeft verder niet onderbouwd hoe zij door deze gang van zaken in haar belangen is geschaad. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat de bestreden besluit zorgvuldig tot stand zijn gekomen.
Heeft de minister de bedreigingen als gevolg van de werkzaamheden van de vader van eiser ten onrechte ongeloofwaardig geacht?
Heeft de minister de door eiser overgelegde documenten kenbaar in de besluitvorming betrokken?
8. Eiser betoogt allereerst dat de minister nog steeds niet heeft voldaan aan de eerdere uitspraak van de rechtbank van 3 maart 2025. Hierin heeft de rechtbank de minister opgedragen om alle door eiser overgelegde documenten kenbaar te betrekken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling en eveneens kenbaar te maken welke waarde aan deze documenten toekomt. Uit het voornemen blijkt dat de minister enkel drie brieven heeft betrokken bij de besluitvorming. Dit is onvoldoende, aangezien er veel meer documenten zijn overgelegd. Ook heeft de minister alle door eiser ingediende links naar nieuwsartikelen niet betrokken bij de besluitvorming. Daarnaast blijkt uit de besluitvorming niet duidelijk welke waarde de minister aan de documenten hecht.
In haar uitspraak van 3 maart 2025 heeft deze rechtbank met zittingsplaats Haarlem het volgende overwogen:
De rechtbank stelt vast dat eiser een groot aantal documenten heeft aangeleverd ter staving van zijn asielrelaas. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder deze documenten in het voornemen niet kenbaar heeft betrokken. Nadat eiser in de zienswijze hierop heeft gewezen, heeft verweerder in het bestreden besluit het volgende overwogen:
“In reactie hierop wordt overwogen dat de overgelegde documenten wel zijn meegewogen
bij de beoordeling van uw asielaanvraag, hoewel ze niet altijd expliciet in het voornemen
zijn vermeld. Voor de duidelijkheid wordt overwogen dat meerdere documenten enkel gaan
over het werk dat uw vader heeft verricht, en dus niet over de gestelde problemen. Van de
documenten die wel spreken over de problemen wordt geoordeeld dat dit kopieën zijn
waarvan niet geverifieerd kan worden wie de afzender is. De overgelegde documenten
leiden dan ook niet tot een ander oordeel.”
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee niet voldaan aan zijn
motiveringsplicht. Op grond van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
dient verweerder een besluit deugdelijk en kenbaar te motiveren. Dit om de bestuursrechter
in de gelegenheid te stellen die motivering daadwerkelijk en effectief te toetsen. Door enkel
te overwegen dat de overgelegde documenten wel zijn meegewogen, is niet duidelijk op
welke manier verweerder de documenten heeft betrokken in zijn besluitvorming. Ook is
hiermee niet duidelijk welke bewijswaarde verweerder aan de documenten heeft toegekend.
[…]
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de documenten in onderlinge
samenhang met de verklaringen van eiser en wat bekend is uit openbare bronnen dient te
beoordelen. Uit de motivering van het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder een
dergelijke beoordeling heeft gemaakt. Er blijkt namelijk niet uit welke documenten zijn
meegewogen, welke waarde verweerder aan de verschillende documenten heeft toegekend
en hoe zwaar de documenten hebben meegewogen in de geloofwaardigheidsbeoordeling van
de verklaringen van eiser. Dit had gemoeten, te meer nu het om meerdere bewijstukken gaat
die de verklaringen van eiser ondersteunen. Het bovenstaande geldt ook voor de
documenten die zien op het werk van eisers vader.”
De rechtbank stelt vast dat in het voornemen alle stukken zijn opgenoemd die eiser heeft overgelegd. Op de inhoud van de brief van de Raad voor de Journalistiek van 7 september 2023, de brief van Abogados de Santander van 31 augustus 2023 en de brief van de geïntegreerde coöperatie van 10 december 2024 is de minister in het voornemen in het bijzonder ingegaan. Hierover stelt de minister dat de inhoud niet overeenkomt met de verklaringen van eiser. Ook de overige documenten zijn besproken, waarbij de minister opmerkt dat deze vooral zien op het beroep van eiser als radio-omroeper en het werk van zijn vader als journalist en daarmee geen onderbouwing vormen voor het asielrelaas van eiser. Ook de brief van de vader van eiser wordt door de minister in het voornemen benoemd. Daarvan stelt de minister dat het geen objectieve bron is. Daarnaast heeft de minister de links naar de artikelen betrokken in de besluitvorming. Hierover stelt de minister in het bestreden besluit dat hieruit weliswaar blijkt dat eiser bedreigd wordt wegens zijn werkzaamheden als journalist, maar ook dat deze enkel zijn gebaseerd op de verklaringen van de vader van eiser zodat hier beperkte waarde aan toekomt. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de minister de door eiser overgelegde documenten kenbaar bij de besluitvorming heeft betrokken en eveneens duidelijk is welke bewijswaarde daaraan wordt toegekend. Op de inhoud van de documenten en de waarde die de minister hieraan toekent zal de rechtbank hierna ingaan.
Heeft eiser met de door hem overgelegde documenten aannemelijk gemaakt dat hij bedreigd is in zijn land van herkomst?
Eiser betoogt dat hij bij terugkeer een aantoonbaar risico loopt in Colombia, zodat zijn zaak onder de reikwijdte van artikel 3 van het EVRM valt. Eiser heeft in Colombia problemen ondervonden vanwege het werk van zijn vader, waarvoor zijn vader ook is bedreigd. Dit is door de minister ten onrechte niet geloofwaardig geacht. Het dossier bevat informatie van de nationale politie uit Colombia dat het bestaan van de dreigingen bevestigt. De vader van eiser heeft beschermingsmaatregelen opgelegd gekregen met daarbij de verplichting om zich elke zes maanden te verplaatsen. Dit toont aan dat de dreigingen aanhouden. Ook toont dit de ernst van de bedreigingen aan. Het vertrek van eiser werd gepubliceerd in landelijke kranten, wat de impact bewijst en daarmee ook de risico’s bij terugkeer aantoont en vergroot. De brief van de vader van eiser moet bovendien worden betrokken in de besluitvorming, omdat dit dient als onderbouwing van het asielrelaas van eiser. Het enkele feit dat sprake is van een vader-zoon relatie maakt niet dat de inhoud van de brief om die reden niet objectief is. Eiser heeft verder documenten overgelegd van een mensenrechtenorganisatie die aantonen dat hij om internationale bescherming heeft verzocht voor zijn gezin. Ook heeft hij een klacht ingediend bij de hoogste autoriteit in Colombia. Dit heeft de minister niet kenbaar betrokken in het bestreden besluit. Eiser betoogt dat hij tijdens het nader gehoor niet goed op de hoogte was van de bedreigingen waardoor hij hier niet uitgebreid over heeft kunnen verklaren. De brief van de geïntegreerde coöperatie van 10 december 2024 bevestigt het verhaal van eiser. Dat in de brief wordt gesproken over aanvallen maakt dit niet anders, omdat dit ook kan zien op enkel verbale bedreigingen.
De rechtbank stelt voorop dat de minister het asielrelaas van eiser, voor zover dit ziet op de bedreigingen die eiser en zijn vader zouden hebben ontvangen, niet enkel heeft beoordeeld naar aanleiding van de door eiser overgelegde documenten. De minister heeft ook de verklaringen van eiser meegewogen. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser summier en tegenstrijdig heeft verklaard over de bedreigingen die eiser zou hebben ontvangen en dat hij summier heeft verklaard over de daders van de bedreigingen. Deze tegenwerpingen heeft eiser in beroep niet betwist. Wél betwist eiser dat de documenten zijn verklaringen en de gestelde vrees niet onderbouwen. Op de inhoud van de documenten gaat de rechtbank hierna in.
De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de brieven van de Raad voor de Journalistiek van 7 september 2023 en de Advocaten van Santander van 31 augustus 2023 niet overeenkomen met de verklaringen van eiser. Uit de brief van de Raad voor de Journalistiek van 7 september 2023 blijkt dat de bedreigingen van eiser verband hielden met de journalistieke werkzaamheden van zijn vader. Ook in de brief van de advocaten van Santander van 31 augustus 2023 wordt geen melding wordt gemaakt van bedreigingen van de vader vanwege medicijnaanvragen, maar wordt enkel het werk van eisers vader als journalist benoemd. Dit is anders dan de verklaring van eiser, omdat eiser heeft verklaard dat de bedreigingen voortkwamen uit de werkzaamheden van zijn vader waarin hij medicijnaanvragen deed. Omdat het aanvragen voor dure medicijnen waren dachten de afpersers dat de vader van eiser veel geld had, aldus eiser. Dat de hulp bij de medicijnaanvragen volgens eiser voortvloeit en samenhangt met de journalistieke werkzaamheden van de vader van eiser maakt dit niet anders. Dit strookt niet met de verklaring van eiser dat specifiek de medicijnaanvragen reden waren voor de bedreigingen omdat de afpersers daardoor dachten dat de vader van eiser veel geld hadden. Daar komt bij dat eiser op zitting heeft toegelicht dat de brief van de Raad voor de Journalistiek is opgesteld nadat de vader van eiser ze heeft geïnformeerd over de bedreigingen. Dat de brieven een algemeen karakter hebben zoals eiser in beroep stelt volgt de rechtbank dan ook niet. Ook is niet gebleken dat eiser tijdens het nader gehoor niet goed op de hoogte was van de bedreigingen. Het had op de weg van eiser gelegen om dit te verduidelijken in het nader gehoor. Dit heeft eiser niet gedaan. De minister stelt zich verder terecht op het standpunt dat ook de brief van de geïntegreerde coöperatie niet overeenkomt met de verklaringen van eiser. Uit de brief blijkt dat eiser het slachtoffer is geworden van aanslagen op zijn fysieke en mentale integriteit door gewapende misdaadgroeperingen. Door eiser is echter niet verklaard dat hij het slachtoffer is geworden van fysieke aanvallen, zo merkt de minister in het bestreden besluit terecht op. Dat uit de brief enkel volgt dat eiser het slachtoffer is geworden van bedreigingen volgt de rechtbank niet. De woorden ‘vervolging, gewelddadigheden en aanslag op de fysieke integriteit’ duiden op een ander soort bedreiging dan enkel verbaal of schriftelijk, zoals eiser heeft verklaard. Over de nieuwsberichten heeft de minister in het bestreden besluit gesteld niet ten onrechte gesteld dat deze enkel zijn gebaseerd op de verklaringen van de vader van eiser zodat hier slechts beperkte waarde aan kan worden gehecht. Over de brief van de vader van eiser heeft de minister verder terecht opgemerkt dat deze niet afkomstig is uit een objectief verifieerbare bron, zodat de bewijswaarde hiervan beperkt is. Bovendien is de inhoud hiervan ook tegenstrijdig aan de door eiser afgelegde verklaringen. Immers de vader van eiser verklaart hierin te worden bedreigd vanwege zijn journalistieke werkzaamheden. Dit komt niet overeen met de verklaring van eiser. Tenslotte stelt de minister zich terecht op het standpunt dat de documenten waaruit blijkt er ten aanzien van de vader van eiser beschermingsmaatregelen zijn genomen niet overeenkomen met de verklaring van eiser dat zijn vader al langere tijd geen problemen meer ervaart. Bovendien merkt de minister op zitting terecht op dat ook als wordt uitgegaan van het bestaan van de beschermingsmaatregelen uit de door eiser overgelegde documenten niet blijkt dat deze te maken hebben met de bedreigingen die eiser stelt te hebben ondervonden in zijn land van herkomst.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat de door eiser gestelde bedreigingen als gevolg van de werkzaamheden van zijn vader niet geloofwaardig zijn. Het betoog dat eiser bij terugkeer naar Colombia risico loopt op behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM slaagt dan ook niet.
Heeft de minister de asielaanvraag van eiseres ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard?
9. Eiseres betoogt dat de minister de aanvraag ten onrechte heeft afgedaan als kennelijk ongegrond. De zaak van eiseres bevat ernstige elementen: de bedreigingen in Colombia, de geschiedenis van vervolging van familieleden en zowel haar medische situatie als die van haar dochter. Om die reden kan de minister zich niet op het standpunt stellen dat de aanvraag ‘kennelijk’ ongegrond is. Het feit dat eiseres de asielaanvraag een maand na haar binnenkomst heeft gedaan doet niet af aan de rechtmatigheid van haar aanvraag. Eiseres heeft eerst hulp gezocht bij een internationale organisatie, die hen heeft begeleid om een aanvraag te doen in Ter Apel. Eiseres heeft bewust gewacht met het indienen van haar asielaanvraag zodat ze haar dochter van vijf jaar oud kon voorbereiden op een scheiding van het gezin. Haar dochter heeft autisme en veel moeite met veranderingen. Daar had de minister dan ook rekening mee moeten houden. Eiseres betoogt dat de minister hierbij bovendien ten onrechte geen rekening heeft gehouden met haar medische situatie. Eiseres is in afwachting van een behandeling voor een posttraumatische stressstoornis door wat zij in Colombia heeft meegemaakt. Ook heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met de gezinssituatie van eisers. Het was nooit haar bedoeling om de procedure uit te stellen. Eiseres wilde hierdoor de psychologische en emotionele integriteit van haar dochter beschermen.
De rechtbank stelt voorop dat eiseres geen gronden heeft gericht tegen de geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielrelaas van eiseres, anders dan de enkele herhaling van de gestelde problemen die zij in Colombia zou hebben ondervonden. Dit betreft geen gemotiveerde betwisting van de door de minister verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling zodat de rechtbank hier in haar beoordeling vanuit zal gaan. Dit betekent dat alleen de vraag voorligt of de minister de asielaanvraag van eiseres op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000 kennelijk ongegrond heeft kunnen verklaren.
Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde worden afgewezen als kennelijk ongegrond indien de vreemdeling Nederland onrechtmatig is binnengekomen of zijn verblijf op onrechtmatige wijze heeft verlengd en zich, gezien de omstandigheden van zijn binnenkomst, zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk bij een ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen heeft aangemeld, en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij internationale bescherming wenst.
De rechtbank stelt vast dat eiseres op 1 juni 2023 Nederland is ingereisd en op 22 juli 2023 asiel heeft aangevraagd. Dit betreft een periode van 7 weken. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiseres hier geen verschoonbare reden voor heeft gegeven. De rechtbank heeft er begrip voor dat eiseres, gelet op het feit dat haar dochter autisme heeft, er zorg voor heeft willen dragen dat zij zo goed mogelijk heeft kunnen landen in Nederland. Eiseres heeft toegelicht dat zij daarom na aankomst in Nederland verschillende gesprekken heeft gevoerd met een stichting om de asielprocedure zo goed mogelijk voor te bereiden. De minister heeft er echter terecht op gewezen dat het laatste gesprek met de stichting op 3 juli 2023 heeft plaatsgevonden en dat eiseres en haar dochter zich pas op 22 juli 2023 in Ter Apel hebben gemeld om een asielaanvraag in te dienen. Daar komt bij dat, zoals de minister terecht stelt, eiser al enige tijd in Nederland was en werd bijgestaan door een gemachtigde die ook de benodigde begeleiding kon bieden. Gelet hierop heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres geen gegronde reden heeft gegeven voor een dergelijk late indiening van haar asielaanvraag. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres geen gronden heeft gericht tegen de overige voorwaarden zoals genoemd in artikel 30b, eerste lid aanhef en onder h, van de Vw 2000, namelijk de onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatige verlenging.
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de minister de asielaanvraag van eiseres heeft mogen afwijzen als kennelijk ongegrond.
Overige gronden
10. De rechtbank merkt tot slot op dat eiser en eiseres in de gronden veel hebben aangevoerd over de medische situatie van eiseres en de dochter van eiseres. Ook hebben zij erop gewezen dat ze inmiddels goed zijn geïntegreerd en diverse cursussen met succes hebben afgerond. Op zitting heeft de gemachtigde van eisers aangegeven dat er enkel aandacht is gevraagd voor de medische situatie van de dochter van eiseres met betrekking tot het verwijt dat eiseres haar asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. De overwegingen in de besluitvorming dat eiseres en haar dochter geen uitstel van vertrek toekomt op grond van artikel 64 van de Vw 2000 worden hier niet mee bestreden. De rechtbank zal hier dan ook aan voorbij gaan. Voor wat betreft de integratie van eisers in Nederland heeft de minister in het verweerschrift terecht opgemerkt dat dit prijzenswaardig is, maar dat dit geen invloed heeft op de geloofwaardigheidsbeoordeling in beide besluiten. Ook hieraan gaat de rechtbank dus voorbij.
Conclusie en gevolgen
11. De minister heeft de aanvraag van eiser terecht afgewezen als ongegrond. De aanvraag van eiseres heeft de minister mogen afwijzen als kennelijk ongegrond. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en dat de bestreden besluiten in stand blijven. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. In de zaak van eiseres, NL25.47710 moet het hogerberoepschrift worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In de zaak van eiser, NL25.47709, moet het hogerberoepschrift worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.