RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.17536
(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe),
en
(gemachtigde: mr. G. Cambier).
Procesverloop
Bij besluit van 26 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Hij heeft op 31 maart 2026 de gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft hierop op 3 april 2026 een reactie ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 7 april 2026.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1990 en de Poolse nationaliteit te hebben.
2. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring vanaf 7 april 2026 onrechtmatig wordt, omdat eiser op die datum zijn zienswijze zal versturen. De bewaring is vanaf dan niet meer gerechtvaardigd om noodzakelijke gegevens van eiser te verzamelen. Eiser wijst hierbij op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 6 september 2024.
3. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Uit artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw volgt dat verweerder de vreemdeling in bewaring kan stellen die rechtmatig verblijf heeft in afwachting van de beslissing op zijn asielaanvraag en ten aanzien van wie een risico op onttrekking wordt aangenomen. Zolang nog niet is beslist op de aanvraag vindt de bewaring plaats met het oog op de verkrijging van gegevens die nodig zijn voor die beslissing. Verweerder heeft gelet op die toepassingsvoorwaarden terecht artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd. De asielaanvraag van eiser is immers nog steeds in behandeling en verweerder neemt een onttrekkingsrisico aan.
4. Verweerder heeft daartoe als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte grond vermeld dat eiser:4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Ambtshalve toets
6. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 9 april 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.