RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser,
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/17082
en
(gemachtigde: A. van Beurden).
1. Deze uitspraak gaat over de inhoudingen op het leefgeld van eiser door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). Eiser is het niet eens met de inhoudingen op zijn leefgeld. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt eerst of zij inhoudelijk toekomt aan bespreking van die beroepsgronden.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat op dit moment nog geen beroep openstaat tegen de inhoudingen op het leefgeld. Het beroep zal dus worden doorgezonden als bezwaarschrift naar het COa. Voor zover ervan moet worden uitgegaan dat eiser al bezwaar heeft ingediend, moet het COa eerst op dat bezwaarschrift beslissen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 6 augustus 2021 heeft het COa naar gesteld een besluit genomen waaruit volgt dat eiser een eigen bijdrage dient te betalen voor de kosten van zijn opvang en verstrekkingen. Dit zou zijn omdat eiser een dwangsombedrag uitgekeerd heeft gekregen van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Nadat is gebleken dat eiser de eigen bijdrage niet heeft betaald, is het COa gestart met het inhouden van bedragen op het wekelijks aan eiser verstrekte leefgeld. De inhoudingen duren tot op heden voort.
Eiser stelt op 18 september 2023 bezwaar te hebben gemaakt tegen het inhouden van bedragen op zijn leefgeld. Het COa stelt dit bezwaarschrift niet te hebben ontvangen.
Op 29 juli 2025 heeft eiser ook een klacht ingediend bij het COa, waarin hij verzoekt de inhoudingen op zijn leefgeld stop te zetten. Op 5 augustus 2025 heeft eiser het COa een ‘ingebrekestelling’ gestuurd in verband met het uitblijven van een reactie op zijn klacht.
Op 23 augustus 2025 heeft eiser beroep ingediend bij de rechtbank. Eiser verzoekt de rechtbank te bepalen dat het COa alle inhoudingen op het leefgeld aan hem terugbetaalt, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast verzoekt eiser de rechtbank om te bepalen dat het COa aan hem een schadevergoeding betaalt wegens ‘psychische belasting en de mensonwaardige situatie die dit jarenlang heeft veroorzaakt’.
Het COa heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het COa.
Eiser heeft op 8 maart 2026, na het sluiten van het onderzoek ter zitting, nog een (inhoudelijk) stuk overgelegd. De rechtbank ziet in dat stuk geen aanleiding om het onderzoek te heropenen, omdat zij niet aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak toekomt. Dat legt de rechtbank hieronder nog uit.
Beoordeling door de rechtbank
Is het beroep ontvankelijk?
3. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak een aantal zaken onduidelijk zijn. Zo stelt eiser het besluit van het COa van 6 augustus 2021, dat het COa hem een dag voor de zitting heeft overgelegd, destijds niet te hebben ontvangen en stelt het COa op zijn beurt het bezwaarschrift van eiser niet te hebben ontvangen. De rechtbank zal zich niet uitlaten over de vraag in hoeverre deze beweringen van partijen gevolgd kunnen worden en of de verzending en uitreiking van het besluit of de verzending van het bezwaarschrift voldoende aannemelijk is gemaakt. Dat komt doordat welk scenario ook gevolgd wordt, de uitkomst altijd is dat eerst de bezwaarprocedure doorlopen moet worden, voordat beroep openstaat bij de rechtbank. De rechtbank legt dat hieronder uit, waarbij zij dus expliciet in het midden laat hoe aannemelijk beide scenario’s zijn. Dat doet de rechtbank ook omdat zij vindt dat het COa zich daar in de nog te doorlopen bezwaarprocedure eerst over uit moet laten.
Scenario 1: het COa heeft het besluit van (naar gesteld) 6 augustus 2021 (rechtsgeldig) aan eiser bekendgemaakt.
4. In dit scenario wordt ervan uitgegaan dat het COa het besluit van 6 augustus 2021 (rechtsgeldig) aan eiser bekend heeft gemaakt. De rechtbank is zich ervan bewust dat eiser betwist dat er een besluit is van die datum en zelfs stelt dat het COa zich schuldig maakt aan wat eiser noemt ‘valsheid in geschrifte’ door een document te overleggen wat volgens eiser niet van die datum kán zijn geweest. Voor de leesbaarheid van deze uitspraak noemt de rechtbank het gestelde besluit van 6 augustus 2021 echter verder wel ‘het besluit van 6 augustus 2021’. Dat betekent niet dat de rechtbank volgt dat er een besluit is van die datum. Dat laat de rechtbank expliciet in het midden. Het COa is van mening dat eiser tegen het besluit van 6 augustus 2021 beroep in had kunnen en moeten stellen en dat eiser daarmee te laat is. De rechtbank volgt dat standpunt niet. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 14 januari 2026 volgt namelijk dat in deze situatie eerst bezwaar moet worden ingesteld. Dat zit als volgt.
In artikel 5, eerste lid, van de Wet COa staat dat de afdelingen 1, 3 en 4, van hoofdstuk 7 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) van toepassing zijn op besluiten in het kader van het onthouden dan wel de beëindiging van verstrekkingen. Uit artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder g, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met bijlage 1 ‘Regeling rechtstreeks beroep’, volgt dat tegen besluiten genomen op grond van afdeling 3 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 rechtstreeks beroep open staat. Uitgelegd betekent dat dat er rechtstreeks beroep openstaat tegen besluiten die gaan over het onthouden of beëindigen van verstrekkingen. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 14 januari 2026 echter geoordeeld dat het vaststellen van een eigen bijdrage in de kosten van de opvang niet hetzelfde is als het (gedeeltelijk) onthouden of beëindigen van verstrekkingen. Een dergelijk besluit valt dus niet onder de reikwijdte van artikel 5, eerste lid, van de Wet COa. Dat betekent dat de algemene regels uit de Awb gelden en dat tegen een besluit van een bestuursorgaan eerst bezwaar ingesteld moet worden, voordat beroep kan worden ingesteld.
In het scenario dat het COa het besluit van 6 augustus 2021 (rechtsgeldig) aan eiser bekend heeft gemaakt, moet eiser daartegen dus eerst bezwaar indienen. Eiser stelt dat gedaan te hebben, maar dan tegen de feitelijke inhoudingen. Het COa is, voor zover zij destijds niet bekend is geraakt met dat bezwaarschrift, in elk geval als gevolg van de onderhavige procedure op de hoogte daarvan. Ook het beroep zal de rechtbank op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb doorsturen naar het COa om behandeld te worden als bezwaarschrift. Zoals de rechtbank hieronder nog zal uitleggen is dat namelijk ook de uitkomst indien uitgegaan wordt van scenario 2.
Scenario 2: het COa heeft het besluit van 6 augustus 2021 niet (rechtsgeldig) aan eiser bekendgemaakt en eiser komt dus op tegen de feitelijke inhoudingen op zijn leefgeld.
5. In dit scenario gaat de rechtbank ervan uit dat er géén besluit aan eiser bekend is gemaakt en dat eiser dus opkomt tegen de feitelijke handeling van het COa, zijnde de inhoudingen op zijn leefgeld. De vraag waar de rechtbank zich voor gesteld ziet is of in dat geval rechtstreeks beroep openstaat. De rechtbank concludeert dat dat niet het geval is. Dat legt de rechtbank als volgt uit.
Artikel 5, tweede lid, van de Wet COa gaat over feitelijke handelingen. Uit dat artikel volgt, via dezelfde verwijzing als in het eerste lid (zie overweging 4.1) dat rechtstreeks beroep openstaat tegen ‘handelingen van het COA ten aanzien van een vreemdeling als zodanig die worden verricht in het kader van de beëindiging van verstrekkingen bij of krachtens deze wet’(onderstreping door de rechtbank). In het geval van eiser is geen sprake van een volledige beëindiging van de verstrekkingen. Er wordt namelijk geld ingehouden op het leefgeld, maar eiser ontvangt wel nog steeds wekelijks een bedrag van het COa. Dat betekent dat de meer algemene bepaling uit artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 van toepassing is. Daaruit volgt dat voor de toepassing van die afdeling van de Vw 2000 met een beschikking gelijk wordt gesteld een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig, waaronder begrepen het niet verlenen van de verblijfsvergunning overeenkomstig artikel 14, tweede lid. De afdeling waar artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 in staat is de afdeling ‘Regulier’ (afdeling 2, van hoofdstuk 7). Op die afdeling is artikel 7:1, aanhef en onder g, van de Awb en de bijlage ‘Regeling rechtstreeks beroep’ niet van toepassing. Uitgelegd betekent dat dat een feitelijke handeling van het COa hetzelfde is als een beschikking die valt onder afdeling 2 van de Vw 2000 en dat tegen zulke beschikkingen geen rechtstreeks beroep, maar bezwaar openstaat. De uitkomst van scenario 2 is dus dat eerst de bezwaarprocedure doorlopen moet worden.
Conclusie
6. De rechtbank concludeert dat het beroep niet-ontvankelijk is en dat zij dat op grond van artikel 6:15 van de Awb moet doorsturen naar het COa om als bezwaar behandeld te worden. De rechtbank zal dat dus doen. De rechtbank kan zich voorstellen dat het COa zich tijdens de behandeling van dat bezwaar uit zal laten over (de tijdigheid van) de ontvangst daarvan. Daarbij lijkt het de rechtbank wenselijk dat het COa zich dan ook uitlaat over de vraag of het besluit van 6 augustus 2021 (rechtsgeldig) aan eiser is bekendgemaakt.
Had de rechtbank het beroep nog moeten opvatten als een beroep niet-tijdig beslissen?
7. De rechtbank overweegt dat nog getwist kan worden over de vraag of zij het beroep van eiser moet opvatten als een beroep tegen het niet-tijdig beslissen op het volgens hem ingediende bezwaarschrift. De rechtbank heeft dat om die reden ook schriftelijk aan eiser gevraagd. Eiser heeft daarop gereageerd:
“ik benadruk dat mijn klacht uitsluitend betrekking heeft op de onrechtmatige inhoudingen en de terugbetaling daarvan. Het punt van de correspondentie van 18.09.2023 laat ik aan het oordeel van de rechtbank, maar het is mijn overtuiging dat ik voldoende heb bewezen dat COA de brief heeft ontvangen en niet heeft beantwoord, en dat hun verklaring tegenover de rechtbank in strijd is met artikel 21 Rv.”
De rechtbank kan die reactie van eiser niet anders lezen dan dat het niet zijn bedoeling is geweest een beroep niet-tijdig aanhangig te maken bij de rechtbank. De rechtbank vat het beroep dus ook niet als zodanig op en zal zich ook in dit kader niet uitlaten over de vraag of het besluit (rechtsgeldig) aan eiser bekend is gemaakt en of aannemelijk is dat hij daartegen bezwaar heeft ingediend.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. De rechtbank stuurt het beroep op grond van artikel 6:15 van de Awb door naar het COa om daarop te beslissen als (eventueel aanvullend) bezwaarschrift. De rechtbank geeft het COa mee dat met enige voortvarendheid te doen, nu er al gedurende meerdere jaren inhoudingen plaatsvinden op het leefgeld van eiser en eiser een groot belang heeft bij duidelijkheid daaromtrent.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay-Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.P.I. van der Meer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.