[opposant 1], V-nummer: [V-nummer 1], opposant 1, en
[opposant 2], V-nummer: [V-nummer 2], opposant 2,
gezamenlijk: opposanten
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
tegen de uitspraken van de rechtbank van 6 februari 2026 in het geding tussen
opposanten
en
de Minister van Asiel en Migratie, geopposeerde
(gemachtigde: mr. M.L.A. Berkelmans).
Inleiding
Deze uitspraak op de verzetten van opposanten gaat over de uitspraken van de rechtbank van 6 februari 2026 waarin de rechtbank de beroepen van opposanten ongegrond heeft verklaard.
De rechtbank heeft de verzetten op 2 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van opposanten en de gemachtigde van de minister. Opposanten waren zelf niet aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
De asielaanvragen
Opposanten hebben de Armeense nationaliteit en zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum 1] 2006 en [geboortedatum 2] 1991. Zij hebben op 28 juli 2025 in Nederland asielaanvragen ingediend. Deze aanvragen zijn niet in behandeling genomen omdat Spanje daarvoor verantwoordelijk is. Met de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 24 september 2025 zijn de beroepen kennelijk ongegrond verklaard. De ingediende verzetten zijn bij uitspraken van 6 november 2025 ongegrond verklaard.
Opposanten zijn op 23 oktober 2025 overgedragen aan Spanje. Daarna zijn opposanten teruggekeerd naar Nederland en hebben op 27 oktober 2025 opnieuw asielaanvragen ingediend.
Met de afzonderlijke bestreden besluiten van 15 december 2025 (opposant 1) en 30 december 2025 (opposant 2) heeft de minister de asielaanvragen wederom niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is.
De bestreden uitspraken van 6 februari 2026
3. De rechtbank heeft in de beroepszaken uitspraken gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft de beroepen kennelijk ongegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat ten opzichte van Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daarbij heeft de rechtbank verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van 25 november 2025 en 3 februari 2025. De uitspraken waarop opposanten zich hebben beroepen leiden niet tot een ander oordeel. Opposanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij zich niet met problemen kunnen melden bij de (hogere) Spaanse autoriteten.
De gronden van verzet
4. Opposanten voeren aan dat het beroep niet buiten zitting kon worden afgedaan. Uit de toelichting van gemachtigde ter zitting begrijpt de rechtbank dat opposanten aanvoeren dat zij, anders dan andere Dublinclaimanten, al een keer als Dublinclaimant zijn overgedragen aan Spanje en daar zelf ervaringen hebben opgedaan met het tekortschietende opvangsysteem. Deze omstandigheid had ertoe moeten leiden dat zij die persoonlijke ervaringen in beroep op een zitting hadden moeten kunnen toelichten. Verder voeren opposanten aan dat vanwege de structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen in Spanje niet iedere asielzoeker in aanmerking komt voor opvang. Opposanten verwijzen nogmaals naar de uitspraken waarnaar zij in beroep hebben verwezen en waaruit volgt dat wat betreft het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Spanje verschil van inzicht bestaat tussen rechtbanken en de Afdeling.
Het toetsingskader bij verzet
5. Bij verzet oordeelt de rechtbank uitsluitend of het beroep van opposanten buiten
redelijke twijfel ongegrond verklaard kon worden zonder het houden van een zitting. Als
opposanten met gegronde redenen kunnen onderbouwen dat het beroep niet zonder zitting afgedaan mocht worden bij de bestreden uitspraak, kan het verzet gegrond verklaard worden. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht die bij een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan wordt het verzet gegrond verklaard zodat nader onderzoek kan plaatsvinden.
Het oordeel van de rechtbank over het verzet
6. De rechtbank volgt opposanten niet in het betoog dat zij in staat hadden moeten worden gesteld om op een zitting in beroep meer uitleg te geven over hun ervaringen als Dublinclaimanten in Spanje. Het is aan opposanten om met de beroepsgronden zo volledig mogelijk aan te geven waarom zij het niet eens zijn met het besluit van de minister. Niet is gebleken waarom opposanten niet afdoende over hun ervaringen in Spanje hebben kunnen verklaren bij het gehoor of in de gronden van beroep. Verder waren opposanten niet bij de verzet-zitting aanwezig om dit nader toe te lichten. De rechtbank acht de genoemde omstandigheden onvoldoende om te oordelen dat de rechtbank de beroepszaak niet zonder zitting mocht afdoen. De rechtbank stelt verder vast dat wat opposanten in het verzetschrift hebben aangevoerd, gelijk is aan wat zij al in beroep hebben aangedragen. De rechtbank heeft deze gronden voldoende zorgvuldig en gemotiveerd beoordeeld. Dat opposanten het niet eens zijn met de inhoud van de uitspraken is onvoldoende om het verzet gegrond te verklaren. In wat opposanten hebben aangevoerd, ziet de rechtbank dus geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraken van 6 februari 2026.
Conclusie en gevolgen
7. De gronden van verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraken van 6 februari 2026. De verzetten zijn ongegrond. Dat betekent dat de uitspraken in stand blijven.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de verzetten ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. C.L.M. Celie, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: