RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53664
(gemachtigde: mr. M. Luijendijk),
en
(gemachtigde: mr. L.J.M. Rog).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft eiser namelijk zorgvuldig gehoord, en zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers homoseksuele gerichtheid ongeloofwaardig is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 24 oktober 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij is van Nigeriaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1996. Eiser stelt homoseksueel te zijn. Toen hij zestien was, kreeg hij een relatie met een andere jongen. Vervolgens is eiser betrapt toen hij seks met hem had in een verlaten lokaal op school. Hierna is eiser opgepakt en in de gevangenis beland. Daar is hij seksueel misbruikt. Nadat eiser kon ontsnappen, is hij in 2013 uit Nigeria vertrokken. Hij heeft eerst een aantal jaren in Libië verbleven, waarna hij in 2016 naar Italië is gereisd en daar een asielaanvraag heeft ingediend. Deze is in 2019 afgewezen. Begin 2023 is het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard, waarna hij naar Nederland is vertrokken. Bij terugkeer naar Nigeria vreest eiser vervolgd te worden vanwege zijn homoseksuele gerichtheid.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- eisers homoseksuele gerichtheid en de daaruit voorvloeiende problemen.
De minister stelt zich op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Eisers homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen zijn echter niet geloofwaardig. In eisers identiteit, nationaliteit en herkomst ziet de minister geen aanleiding voor de conclusie dat eiser bij terugkeer naar Nigeria heeft te vrezen voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Daarom heeft de minister eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond.
Heeft de minister eiser zorgvuldig gehoord?
5. Eiser betoogt dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld door eiser niet te laten bijstaan door een tolk Pidgin Engels, maar een tolk Engels, dan wel een tolk die een ander Pidgin Engels spreekt dan eiser. Hierdoor heeft eiser minder uitgebreid kunnen verklaren. Ook is het mogelijk dat de tolk het Pidgin Engels van eiser niet volledig heeft begrepen, waardoor de vertaling minder uitgebreid was dan wat eiser de tolk vertelde.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft niet onzorgvuldig gehandeld. Uit het verslag van het nader gehoor, in samenhang met de toelichting van de gemachtigde van de minister op de zitting, kan voldoende worden afgeleid dat de minister gebruik heeft gemaakt van een tolk Pidgin Engels. Hoewel op de eerste pagina van het nader gehoor is vermeld dat eiser is bijgestaan door een tolk Engels, blijkt uit de tweede pagina dat eiser is gevraagd of hij de tolk goed kan verstaan en begrijpen in Pidgin Engels, waarop eiser ‘ja’ antwoordde. Tijdens de zitting heeft de minister verder toegelicht dat de vermelding van een tolk Engels op de eerste pagina een fout is geweest, dat de gehoormedewerker op navragen heeft bevestigd dat een tolk Pidgin Engels bij het gehoor aanwezig is geweest en dat ook uit het tolkenregister blijkt dat de betreffende tolk wordt ingezet voor Pidgin Engels. Dat het Pidgin Engels van de tolk volgens eiser een ander Pidgin Engels zou zijn geweest dan hij spreekt, betekent ook niet dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld. Uit het verslag van het nader gehoor blijkt dat eiser meerdere keren heeft bevestigd dat hij de tolk goed kon verstaan en begrijpen. Uit de antwoorden van eiser is ook niet duidelijk af te leiden dat eiser de tolk niet goed kon volgen. De tolk heeft soms vragen voor eiser moeten herhalen, maar uit het verslag blijkt niet dat dat kwam doordat hij de tolk niet goed had begrepen. Uit het verslag blijkt ook niet dat eiser de vragen vervolgens alsnog niet begreep. Als eiser de tolk niet goed verstond, had het bovendien op zijn weg gelegen om dit tijdens het gehoor aan te geven.
Heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers homoseksuele gerichtheid en de daaruit voorvloeiende problemen ongeloofwaardig zijn?
6. Eiser heeft niet betwist dat hij zijn homoseksuele gerichtheid en de daaruit voorvloeiende problemen niet volledig heeft onderbouwd met (objectieve) documenten. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen over zijn homoseksuele gerichtheid geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De rechtbank licht dat oordeel hierna verder toe voor de verschillende onderdelen van het asielmotief die de minister in het bestreden besluit onderscheidt en aan de hand van dat wat eiser daartegen heeft aangevoerd.
Eiser heeft beknopt en oppervlakkig verklaard over de realisatie rondom zijn homoseksuele gevoelens
8. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat hij beknopt en oppervlakkig heeft verklaard over de realisatie rondom zijn homoseksuele gevoelens. Dat eiser hier niet goed genoeg in is, betekent niet dat hij geen homoseksuele gerichtheid heeft. Het is namelijk moeilijk voor eiser om zijn gevoelens en gedachten onder woorden te brengen. Dat is ook niet zo vreemd, omdat eiser uit een samenleving komt waar niet gesproken mag worden over deze gevoelens. De minister werpt ook ten onrechte tegen dat eiser onvoldoende inspanning heeft geleverd om hierover te verklaren. Eiser heeft wel degelijk zijn best gedaan en naar zijn kunnen verklaard. In dat verband heeft de minister er ook onvoldoende rekening mee gehouden dat eisers verklaringen in het Engels zijn afgelegd, in plaats van in het Pidgin Engels, de moedertaal van eiser. Het is immers lastig om uitgebreid gevoelens te uiten in een andere taal. Het is daarnaast mogelijk dat de tolk het Pidgin Engels van eiser niet volledig heeft begrepen, waardoor de vertaling beknopter was dan wat eiser de tolk vertelde. Overigens heeft eiser wel degelijk belangrijke en zwaarwegende verklaringen afgelegd over zijn homoseksualiteit en zijn realisatie daarvan.
Het betoog slaagt niet. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser beknopt en oppervlakkig heeft verklaard over de realisatie rondom zijn homoseksuele gevoelens. Op de vraag wat het met eiser deed om te realiseren dat hij anders was, antwoordde eiser bijvoorbeeld dat het in het begin niet normaal was voor hem en dat hij het niet wilde accepteren, omdat hij in zijn gemeenschap niemand zag die zo was als hij. Op de vervolgvraag wat voor gevoel het hem dan gaf dat er niemand anders zoals hij was, antwoordde eiser dat hij zichzelf verloor in zijn gedachten en niemand kon vertellen hoe hij zich van binnen voelde. Vervolgens is eiser gevraagd wat het met hem deed dat hij aan niemand kon vertellen wat hij van binnen voelde. Eiser antwoordde hierop alleen dat hij toen jong en bang was. De minister heeft deze verklaringen beknopt en oppervlakkig mogen vinden. Ook heeft de minister niet ten onrechte overwogen dat niet valt in te zien dat eiser zichzelf accepteerde nadat hij probeerde te daten met vrouwen en er niets bij voelde. De minister stelt niet ten onrechte dat niet valt in te zien dat enkel het daten met vrouwen voor acceptatie zorgt, terwijl eiser ook nergens in zijn omgeving homoseksualiteit zag. Verder heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat eiser niet duidelijk heeft kunnen maken hoe het missen van zijn vriend – nadat die naar een andere school was overgeplaatst – maakte dat eiser besefte dat hij van hem hield. Enkel iemand missen betekent immers niet meteen dat men romantische gevoelens voor die persoon heeft. Ook mocht de minister verwachten dat eiser meer zou kunnen verklaren over hoe het voor eiser was om deze gevoelens richting een vriend te ervaren. Eisers verklaring dat hij bang was niet geaccepteerd te worden door zijn dorp en gemeenschap, heeft de minister hiervoor onvoldoende mogen vinden. Het voorgaande heeft de minister vervolgens ook aan eiser mogen tegenwerpen. Eiser komt weliswaar uit een land waar homoseksuele gevoelens verboden zijn en het niet gebruikelijk is om erover te praten, maar de gemachtigde van de minister heeft op de zitting toegelicht dat hier bij de vraagstelling rekening mee wordt gehouden, en dat het enkele feit dat eiser uit een dergelijk land komt niet betekent dat er qua verklaringen niets meer van eiser zou mogen worden verwacht. Eiser heeft ook niet concreet naar voren gebracht waarom hij niet goed heeft kunnen verklaren, ondanks de manieren waarmee hier – bijvoorbeeld in de vraagstelling – rekening mee is gehouden. Gelet op wat onder 5.1 is overwogen, heeft de minister er daarnaast geen rekening mee hoeven houden dat eisers verklaringen in het Engels zouden zijn afgelegd, in plaats van in het Pidgin Engels.
Eiser heeft ongerijmd en oppervlakkig verklaard over de relatie met zijn vriend
9. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser ongerijmd en oppervlakkig heeft verklaard over zijn vriend en zijn relatie met hem. In de correcties en aanvullingen heeft eiser verduidelijkt dat hij de droom waarin hij en zijn vriend elkaar aanraakten op enig moment met zijn vriend heeft gedeeld, omdat hij deze dromen elke nacht had en hij het op dat moment niet meer voor zich kon houden. De minister stelt zich daarom ten onrechte op het standpunt dat het ongerijmd zou zijn dat eiser zijn droom over zijn vriend “gewoon” met hem heeft gedeeld, terwijl eiser ook had aangegeven dat hij angst had om het te delen. Het is ook onredelijk dat de minister tegenwerpt dat eiser onvoldoende tot uiting heeft gebracht waarom hij zijn vriend leuk vindt, nu eiser voldoende eigenschappen heeft genoemd die hij leuk vond aan hem. Ook heeft eiser verklaard dat hij zich zonder zijn vriend niet ‘heel’ voelde en niet kon ademen. Hierdoor kan ook worden begrepen waarom eiser na een lange periode toch het risico heeft genomen om zijn vriend over zijn droom te vertellen en in het geheim een relatie met hem te beginnen. Verder is bij het antwoord op de vraag wat de relatie met eisers vriend romantisch maakte ten onrechte niet de correctie meegenomen die hierop is gemaakt. Daaruit blijkt dat het verschilde van een gewone vriendschap.
Het betoog slaagt niet. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser ongerijmd en oppervlakkig heeft verklaard over de relatie met zijn vriend. De minister heeft allereerst niet ten onrechte overwogen dat eiser ongerijmd heeft verklaard over hoe de relatie met zijn vriend zou zijn begonnen. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij de relatie met zijn vriend begon, nadat eiser hem vertelde over een droom waarin hij en zijn vriend elkaar aanraakten. Deze verklaring van eiser rijmt niet met zijn verklaring dat hij bang was omdat het dorp en de gemeenschap hem niet zouden accepteren. Gezien die angst is het immers vreemd dat hij de droom zomaar zou delen en een risico zou nemen. Eisers verklaring dat hij dit deed omdat hij de droom niet meer voor zich kon houden, hij zich zonder zijn vriend niet heel voelde en hij niet kon ademen, heeft de minister onvoldoende mogen vinden om inzichtelijk te maken waarom hij de droom met zijn vriend deelde, ondanks zijn angst. Verder heeft de minister eisers verklaringen over zijn vriend oppervlakkig mogen vinden. Op de vraag wat eiser leuk vindt aan zijn vriend, verklaarde eiser alleen dat zijn vriend slim en knap is en dat eiser zich goed bij hem voelde. Als er vervolgens om een concreet voorbeeld wordt gevraagd waaruit blijkt dat zijn vriend slim is, antwoordt eiser alleen dat zijn vriend het beste in hem naar boven brengt en hij nog nooit zo’n connectie met iemand heeft gevoeld. Ook verklaart eiser eerst dat zijn vriend rustig, ingetogen en introvert is, en dat hij iemand is die weet wat hij wil, maar noemt eiser hem sociaal en speels – het tegenovergestelde – als hij om een voorbeeld daarvan wordt gevraagd.
Eiser heeft vaag en ongerijmd verklaard over zijn problemen in de gevangenis
10. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij vaag en ongerijmd heeft verklaard over zijn problemen in de gevangenis. Eiser zou geen duidelijk beeld hebben gegeven van waar het gebouw met de cellen en de privéwoning van de officier zich bevonden, maar dat is onjuist. Eiser heeft verklaard dat het cellencomplex aan de voorkant was en dat de politieappartementen achter het cellencomplex staan. In de correcties en aanvullingen heeft eiser verduidelijkt dat het op een compound was en de gebouwen onafhankelijk van elkaar stonden. De minister vindt het ongerijmd dat niemand eiser en de officier zou hebben gezien, maar de reden daarvoor was dat het midden in de nacht was en de politieambtenaar er gezien zijn functie voor kon zorgen dat dit door niemand werd gezien. De stelling van de minister dat eiser de route van het cellencomplex naar het appartement van de officier niet zou kunnen beschrijven is onredelijk. Er is in het gehoor maar één keer naar gevraagd, waarop eiser verklaarde dat het een minuut lopen is. Als de minister meer informatie over deze route had gewild, dan had hij hier nogmaals naar moeten vragen. Verder stelt de minister dat het ongerijmd is dat de politie officier zou hebben gezegd dat eiser hem zou hebben gedrogeerd, maar het is subjectief om aan te voeren waarom hij dit wel of niet zou hebben gedaan. Eiser was er niet bij, dus het is niet vreemd dat deze situatie voor hem vaag is, en de minister was er ook niet bij, dus hij kan niet voor de politie officier invullen waarom hij zo heeft gehandeld. Overigens kunnen de ongerijmdheden die er volgens de minister zijn over de gevangenisperiode niet meewegen in de beoordeling of eiser homoseksueel is.
Het betoog slaagt niet. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser vaag en ongerijmd heeft verklaard over zijn problemen in de gevangenis. Allereerst heeft de minister het ongerijmd mogen vinden dat niemand hem en de politie officier zou hebben gezien wanneer hij eiser uit zijn cel ophaalde om hem te misbruiken. Dat niemand hen zou hebben gezien omdat de politie officier hier vanwege zijn functie voor kon zorgen en het midden in de nacht was, heeft de minister onaannemelijk mogen vinden. Eiser zat immers in een cellencomplex, waar hij en de politie officier niet alleen waren. Verder heeft de minister eisers verklaringen over de beschuldiging dat hij de politie officier zou hebben gedrogeerd vaag mogen vinden, omdat het onaannemelijk is dat de politie officier zou hebben verklaard dat eiser hem heeft gedrogeerd. De politie officier zou daarmee immers ook toegeven dat hij een gevangene naar zijn privéwoning heeft meegenomen, aangezien het drogeren daar zou hebben plaatsgevonden. Ook als de politie officier zou hebben gezegd dat hij gedrogeerd was in het cellencomplex, zou het ongerijmd zijn dat de politie officier eiser als arrestant zou vragen om water te halen, waar eiser vervolgens wat in zou hebben kunnen stoppen om hem te drogeren. De minister heeft het ook niet ten onrechte ongerijmd gevonden dat er vanwege dit incident vijf jaar lang wekelijks iemand bij eisers moeder zou langskomen om te vragen waar eiser is.
Eisers betoog dat het subjectief is om tegen te werpen dat de politie officier iets wel of niet zou zeggen en dat er niet met een westerse blik naar de geschetste gang van zaken kan worden gekeken, maakt het oordeel niet anders. Zoals de minister in het bestreden besluit toelicht weegt hij eisers verklaringen in context mee en mag hij daarin ongerijmdheden opmerken en die ongerijmdheden bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen betrekken. De minister volgt eiser in het bestreden besluit overigens ook in zoverre dat niet met zekerheid kan worden ingevuld waarom de politie officier en de persoon die bij eisers moeder is langs geweest wel of niet op een bepaalde manier heeft gehandeld, maar licht vervolgens toe dat er dusdanig veel ongerijmdheden zitten in eisers verklaringen over het incident dat het vragen oproept over de geloofwaardigheid ervan, te meer omdat het gaat om een groot gedeelte van eisers asielmotief.
Ten slotte blijkt niet uit het besluit dat de minister de ongerijmdheden die er zijn over eisers problemen in de gevangenis heeft meegewogen in de beoordeling van eisers homoseksuele gerichtheid. De minister heeft niets van die strekking overwogen in het besluit, terwijl hij eerder in het besluit al heeft overwogen dat eisers verklaringen over de realisatie rondom zijn homoseksuele gevoelens en zijn relatie onvoldoende zijn (en niet ten onrechte naar het oordeel van de rechtbank, zie onder 8.1 en 9.1). De minister heeft er in het besluit ook uitdrukkelijk op gewezen dat het incident in de gevangenis niets zegt over de geloofwaardigheid van eisers seksuele gerichtheid.
Eisers asielaanvraag in Italië is afgewezen
11. Tijdens de zitting heeft de minister de tegenwerping dat eisers asielaanvraag in Italië is afgewezen laten vallen. De rechtbank zal hier daarom niet verder op in gaan.
Phoenix LGBTQ+ Amsterdam
12. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat niet genoeg gewicht kan worden toegekend aan de door hem overgelegde verklaring van de voorzitster van Phoenix LGBTQ+ Amsterdam en foto van zijn lidmaatschapspas om zijn homoseksuele gerichtheid geloofwaardig te vinden. De inhoud van de brief, tezamen met wat eiser over zijn verklaringen heeft aangevoerd, biedt onvoldoende grondslag voor een positieve beoordeling van de homoseksuele gerichtheid van eiser.
Het betoog slaagt niet. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er niet genoeg gewicht kan worden toegekend aan de door eiser overgelegde verklaring van de voorzitster van Phoenix LGBTQ+ Amsterdam en foto van zijn lidmaatschapspas om zijn homoseksuele gerichtheid geloofwaardig te vinden. De minister heeft er terecht op gewezen dat de verklaring en de foto weliswaar positief zijn meegenomen in de weging, maar dat het zwaartepunt van de geloofwaardigheidsbeoordeling bij eisers eigen verklaringen ligt. Gelet op wat er onder 8.1 en 9.1 is overwogen, heeft de minister die verklaringen niet ten onrechte ongeloofwaardig gevonden. De brief van de chair lady van Phoenix en de foto hebben voor de minister daarom niet tot een andere conclusie hoeven leiden.
Conclusie
13. Gelet op het voorgaande heeft de minister de verklaringen over eisers homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen op goede gronden ongeloofwaardig geacht. Deze onderdelen van het asielrelaas zijn daarom bij de beoordeling van eisers vrees voor vervolging of ernstige schade in Nigeria terecht buiten beschouwing gelaten.
Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat hij niet hoefde te toetsen aan de ‘ondergrens’ die wordt gehanteerd bij het beoordelen van het risico op vervolging vanwege seksuele gerichtheid?
14. Eiser betoogt dat de minister had moeten toetsen of eisers gestelde uitingen zullen leiden tot vervolging in Nigeria. Eiser verwijst hierbij naar de ondergrens die is gesteld in paragraaf C2/3.2.5.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) bij de beoordeling van het risico op vervolging vanwege seksuele gerichtheid.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat hij bij eiser niet hoefde te toetsen of eisers gestelde uitingen zullen leiden tot vervolging in Nigeria, in overeenstemming met de ondergrens zoals bedoeld in paragraaf C2/3.2.5.2.2 van de Vc 2000. Dat beleid gaat er namelijk vanuit dat de seksuele gerichtheid van de vreemdeling geloofwaardig is geacht. Gelet op wat onder 6 tot en met 13 is overwogen, is dat bij eiser niet het geval.
Conclusie en gevolgen
15. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus-Visschers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.